Grenzen hebben altijd iets spannends, en een uithoek van het land heeft dat zelfs extra. Het Schoonebekerdiep leent zich prima voor een grenswandeling, en met het Bargerveen in de buurt kun je vanuit Nieuw-Schoonebeek een prachtig rondje maken.

Het rood rond het oog van de fazant is de enige warme kleur op een dag die van het begin tot het einde grauw is, continu tegen miezeren aanzit. Over de pikzwarte veren op de kop glanst een gloed van blauw en groen alsof de haan zich net nog heeft gepoetst. Toch is de vogel dood. Hij ligt voor m’n voeten, tussen het bietenloof, met opengereten ingewanden en geplukte veren als een bed van eigen dons.

Ik had de haan nooit gevonden als die buizerd niet was opgevlogen vlak naast het schouwpad langs het Schoonebekerdiep. Dat ging gepaard met een krijs die ik nooit eerder van een buizerd hoorde. We schrokken van elkaar – hij eerst, toen ik. Dichterbij maakte ik een roofvogel niet eerder mee, één stap en ik had hem kunnen aanraken.

Links van me, aan de overkant van de akkers, parallel aan het Schoonebekerdiep, ligt lintdorp Nieuw-Schoonebeek. Geregeld raast er een auto naar of vanaf de grens, het natte wegdek versterkt het geluid. Rechts aan de overkant van het water ligt Duitsland; rommeliger, stiller, hier en daar een huis of boerderij, meer niet.

Nieuwsgierigheid

Waarom ik hier wandel? Simpel: nieuwsgierigheid naar die uithoek op de landkaart. Proef je iets van de grens, voel je die? Wie wil, kan kilometers wandelen langs het Schoonebekerdiep. Nee, niet een pittoresk meanderend riviertje, maar heerlijk om te zwerven. En met het Bargerveen in de buurt valt er een heel mooi rondje te maken.

Ik app een fotootje van de fazant naar ‘het thuisfront’. ‘Mooi’ gaat wat mij betreft niet samen met ‘dood’, maar ik kan het beeld niet anders omschrijven. ‘Wat zielig’, krijg ik retour. Kan een buizerd wel een fazant verschalken, vraag ik me af als ik verder wandel. Klaarblijkelijk. Moeilijk voor te stellen, zoveel actie van zo’n lompe vogel. Of mankeerde de fazant wat?

Thuis zijn we al een paar Groninger meeuwen aan roofvogels verloren. Ik twijfel er niet aan dat het havikenwerk was. Buizerds vliegen dagelijks rond ons huis maar zie ik nooit in de tuin. Vanuit de huiskamer zag ik wel een paar keer een havik op de kippenren landen, om meteen weer ervandoor te gaan, de kippen in totale paniek achterlatend, alsof ze de duivel in hoogst eigen persoon zagen.

Jagers

Twee silhouetten doemen op in de verte, gaan dwars door een weiland. De een blijft hangen op een hoek bij het pad. Jagers. Ik zie op tegen het passeren. Neem me voor het bij een groet te houden, niets te zeggen waardoor ik in een discussie kan belanden, ik ken mezelf een beetje. Vreemd wat zoiets met je doet. Er is de woede die ik voel als mensen menen dat weerloze dieren voor hun gerief mogen lijden. Er is boosheid over het landschap dat al zo leeg is, waarin nog maar nauwelijks wild is.

Maar ik ‘begrijp’ de jagers ook, groeide op met verhalen over de jacht van mijn vader die jachtopzichter was. In mijn jaszak zit de huls van een jachtpatroon, gehaald uit zijn jaszak, vlak nadat hij overleed, deze maand twintig jaar geleden. Hij speelde er altijd mee als hij wandelde. Als jongetje ging ik vaak mee met de jagers. Iets in me doet niets liever.

,,Aan de wandel in de natuur?”, vraagt de man als ik hem al voorbij ben. Hij is op leeftijd, oogt de vriendelijkheid zelve. Even twijfel ik, mompel iets van ‘het is maar wat je natuur noemt’, biecht dan mijn ambivalente gevoelens op. De man voelt zich niet aangevallen. ,,Ach, we schieten nauwelijks wat. Twee hazen nog maar dit jaar, en als het zo doorgaat worden dat er niet meer.”

Hij knikt in de richting van zijn collega die komt aanlopen: ,,Ik loop niet meer zulke einden, maar zo hebben we wat te doen.” We maken een praatje, over de omgeving, het wild, de route die ik loop, terwijl zijn iets jongere kompaan zich bij ons voegt. ,,Meneer vertelde net dat hij moeite heeft met de jacht”, word ik geïntroduceerd. ,,Daar zijn er wel meer van”, klinkt het, terwijl hij me opneemt, ,,ach, weet je, ik heb twee dochters die de vlag uithangen als ik met jagen stop.” Als ik vertel over de huls in mijn jaszak en die laat zien, krijg ik er van hem prompt een bij.

 

loading

Hoogzitten

Voor ik verder loop, houd ik de mannen nog mijn vraag voor over de buizerd en mijn vermoeden dat de fazant was aangeschoten. Jager nummer een denkt dat een buizerd niet snel genoeg is om een fazant te slaan, jager nummer twee is het niet met hem eens: ,,Oh zeker wel. Maar waar jij die fazant vond, is een paar dagen terug ook gejaagd door anderen, dus zou zo maar kunnen dat die was aangeschoten. En wat dacht je van hen?”, hij knikt naar de Duitse kant van het water, waar ik al verscheidene hoogzitten ontdekte, ,,daar zijn ze veel fanatieker.”

Wanneer ik een paar honderd meter verder ben, hoor ik een schot. Ik kijk om, zie jager twee die langzaam zijn geweer laat zakken terwijl een fazant bij hem vandaan vliegt over het Schoonenekerdiep om asiel te zoeken op Duits grondgebied. Zo te zien heeft hij het er ongeschonden afgebracht. Ik moet aan m’n vader denken. Op zeker moment had hij geen lol meer aan het jagen en deed hij zijn geweren weg. Vanaf die tijd ging hij alleen nog maar de natuur in om te wandelen.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Mijn Streek