Hadden de meeste Nederlanders een jaar geleden nog nooit van Ernst Kuipers (61) gehoord, tijdens de coronacrisis is hij uitgegroeid tot BN’er. Precies een jaar na de eerste Nederlandse coronabesmetting blikt Kuipers terug op de ingrijpende periode, waarin hij bedreigingen kreeg, tot in de late uurtjes met zorgminister De Jonge overlegde en wandelingen met de hond hem overeind hielden.

’Ernst, je moet naar een call!” Het interview met Kuipers is nog volop bezig als zijn secretaresse hem alweer waarschuwt. „Sorry, vergeten”, verontschuldigt hij zich. Het is typerend voor het leven van de ’beddenplanner’ tijdens de coronacrisis. Als voorzitter van het Landelijk Netwerk voor Acute Zorg rolt hij van afspraak naar afspraak.

Vaak zit hij daarvoor in zijn kamer op de veertiende verdieping van het Erasmus MC. Daar staat zijn laptop op een stapel boeken. „Dan kan ik staand vergaderen en krijg ik minder last van mijn rug.” Op de vensterbank herinnert het vaatje Hollandse Nieuwe aan het bedankje aan het ziekenhuispersoneel dat Kuipers met collega Diederik Gommers in juni als eerste kreeg. De baas van het Erasmus MC werd het gezicht van de ziekenhuizen door zijn persconferenties over de cijfers en zijn optredens in talkshows. Momenten waarop de zoon van de plattelandsdokter ook niet schroomde om het kabinet te bekritiseren, bijvoorbeeld over het lage vaccinatietempo.

Heeft u eigenlijk nog wel vrije tijd?

„Ook al ga ik minder op pad, toch ben ik minder thuis.” Hij lacht. „Mijn vrouw zegt weleens: zelfs als je thuis bent, ben je er vaak eigenlijk niet. Want dan word ik alsnog gebeld of moet ik vergaderen. Begin januari kregen ziekenhuizen op zaterdag de toezegging dat medewerkers van de acute zorg eerder gevaccineerd mochten worden om de capaciteit op de intensive care te waarborgen. Toen heb ik de hele zaterdag met de ziekenhuisregio’s vergaderd, waarna ik zondag om elf uur ’s avonds nog met minister De Jonge overlegde. ’Het is mooi geweest, laten we morgenochtend verder gaan’, heb ik toen uiteindelijk wel gezegd.”

Hoe komt u dan tot rust?

„Als ik écht klaar ben, ga ik hardlopen in Rotterdam, waar ik doordeweeks woon. Daardoor houd ik dit vol. Soms lukt dat niet en word ik kriegelig. In het weekend trek ik naar mijn huis op de Veluwe, naar mijn vrouw, die klinisch patholoog in Gelderland is en daar woont, en mijn Hollands-Mechelse herder Frodo. Dan ga ik daar lekker wandelen en hardlopen, op mijn leeftijd moet je dat goed bijhouden. Het beestje is zo’n snoepje! En ja: twee weken geleden heb ik ook even geschaatst. Ik heb daarmee ooit mijn heup gebroken, dus de eerste stapjes waren voorzichtig, maar het ging nu goed. Ik houd ook van een mooie film en lees meerdere boeken, zoals dat van Ronit Palache over Ischa Meijer en de memoires van Barack Obama. Als het lukt, kijk ik ook via Studio Sport de samenvattingen van Feyenoord. Mijn vier zoons zijn allemaal fan van Ajax, dus meestal word ik uitgelachen.”

Hoe is het om opeens BN’er te zijn?

„Dat was wennen. Tijdens het hardlopen zet ik een petje op, tegen verbranding, maar ook zodat ik minder snel herkend word. Ik ontvang best leuke reacties hoor: zo stopte er tijdens het hardlopen op de Veluwe eens een auto en ging het raampje open. ’Goed werk’, riep de bestuurder. Maar mijn secretaresse krijgt ook veel boze telefoontjes en mailtjes van mensen die mijn integriteit in twijfel trekken. En vooral op sociale media wensen mensen me regelmatig het ergste toe, bijvoorbeeld nadat ik mijn zorgen uitgesproken heb over de cijfers.”

Hoe gaat u daarmee om?

„Ik probeer het te negeren. Ik kijk eigenlijk nooit meer op Twitter. Facebook en Instagram heb ik niet. Diederik (Gommers, red.) is daar veel beter in. We rapporteren de berichten en laten ze screenen op dreigingsniveau. Dat je uitgescholden wordt als je bekend bent, hoort er kennelijk bij. En daar ben ik ook realistisch in: als ik ergens ga zitten om uitleg te geven, zijn er altijd mensen die vinden dat je het verkeerd hebt. Als je je daardoor laat tegenhouden, kun je niet veel meer.”

Maar het is toch naar als je zulke berichten krijgt?

Kuipers haalt zijn schouders op. „Het doet mij eigenlijk niets. Of ik dit nu fijn vind of niet, het gebeurt.” Maar die houding verandert als hij vertelt over een incident van een van zijn zoons. „Hij werd plotseling aangesproken door een vreemde man op straat, die pal voor zijn neus ging staan. ’Ben jij een zoon van Ernst Kuipers’, vroeg hij dreigend. Mijn zoon heeft toen ’ja’ gezegd, waarna hij snel wegliep. ’Zeg voortaan maar ’nee’, raad ik mijn zoons nu aan. Natuurlijk raakte me dat. Mensen moeten niet bij je kinderen komen.”

Mensen ergeren zich soms aan uw uitspraken over de maatregelen. Zo stelde u dat de avondklok een goed idee was. Moet u niet extra op uw woorden letten?

„In mijn positie krijg je een grote stem waar je genuanceerd mee om moet gaan. Je moet je alleen over iets uitspreken als je voldoende informatie hebt en echt achter een boodschap staat. Vanuit het zorgperspectief heb ik dan een idee over de maatregelen. Ik snap dat het bij mensen tot irritatie kan leiden als ze horen dat de zorg niet overbelast moet worden. ’Ik raak hierdoor ook overbelast’. We doen dit echter om ervoor te zorgen dat als je wat acuuts overkomt je in het ziekenhuis terecht kan, dat de zorg toegankelijk blijft. Vanuit menselijk oogpunt vind ik het zo belangrijk dat dat meegewogen blijft worden. Natuurlijk moet er ook rekening gehouden worden met de sociale gevolgen. Het is aan het kabinet om de knoop door te hakken. In mei heb ik ook aangegeven dat het kabinet zou moeten nadenken over versoepelen, ik pleit niet enkel voor meer maatregelen. Ik probeer goed over mijn rol na te denken. Zo kreeg ik richting oudjaar een uitnodiging voor een televisiequiz. Die heb ik afgeslagen. Ik kan niet eerst een serieuze boodschap verkondigen over de ziekenhuiscijfers en daarna lollig in zo’n programma gaan zitten.”

Wanneer realiseerde u zich vorig jaar hoe ernstig de situatie was?

„Vrijdag 20 maart staat in mijn geheugen gegrift. Toen werd ik door minister De Jonge gebeld dat het mis dreigde te gaan in Brabant en kwam de vraag wat we konden doen. Ik heb voorgesteld om landelijk te gaan spreiden. Dat moest ik die avond nog op tv gaan vertellen. Om de uitzending te halen, werd dat noodgedwongen in Den Haag opgenomen in plaats van in Hilversum. Het ging die week zo snel. We hadden geen idee van de besmettingen. Ik had iedere dag contact met de collega’s in Brabant. Maandag ging het nog, dinsdag, woensdag en donderdag werd het drukker en vrijdag liepen de ziekenhuizen over en was Brabant door de rest van het land in de steek gelaten, zo kopten de media. Daar schrokken we van. Vanaf dat moment kwamen de rampscenario’s in mijn hoofd dat de ziekenhuizen het niet zouden aankunnen. Dat hield me ook thuis enorm bezig. Gelukkig hebben alle ziekenhuizen de schouders eronder gezet. In onze nieuwbouw in het Erasmus MC werd een extra vleugel ingericht voor de intensive care. Daar overleed ook een medewerker aan corona. Toen is er bij het ziekenhuis een erehaag gevormd rondom de rouwauto, heel indrukwekkend. Het bevestigt dat gezondheid geen vanzelfsprekendheid is. Mijn ouders zijn allebei jong overleden: mijn moeder werd 69 jaar, mijn vader 62, wat ik bijna ben. Een rare gedachte.”

In de tweede golf dreigden ziekenhuizen het wederom niet aan te kunnen. Hadden ze zich niet beter moeten voorbereiden?

„We werken hard aan personeelsuitbreiding. Maar in een crisis als deze waarin de cijfers exponentieel kunnen toenemen, loop je in die korte periode ook tegen een grens aan. Je bent afhankelijk van het aantal handen aan het bed. Het opleiden van ic-verpleegkundigen kost vier jaar.”

Welke fouten heeft u zelf tijdens de crisis gemaakt?

„Aan het begin heb ik geroepen dat er voor de ziekenhuizen voldoende beschermingsmateriaal was, zoals mondkapjes. Daarbij ging ik echter uit van de situatie in het Erasmus MC en had ik het niet nagevraagd bij andere regio’s, waar wel problemen waren. Ik had daar veel alerter op moeten zijn.”

Heeft u er vertrouwen in dat 2021 een beter jaar wordt?

„Ik hoop het ontzettend, allereerst natuurlijk vanwege de coronaslachtoffers. Voorlopig kunnen onze vier studerende zoons ook nooit tegelijk thuiskomen. Ik heb bovendien uit mijn tijd als internist een vriendenclub opgebouwd waarmee we ieder jaar in februari gaan eten. Dat deden we tot 2021 al 35 jaar lang! Natuurlijk mis ik dat. Ik had laatst met mijn vier broers een videogesprek, waarin we heerlijk aan het ouwehoeren waren, zonder de vrouwen, als mannen onder elkaar. Dat was heel gezellig, maar je zou dat zo graag live willen doen.”

Sommige mensen opperen dat u gezien uw uitspraken over de maatregelen solliciteert naar een politieke carrière na deze crisis.

Kuipers lacht. „De kans dat ik minister word, is buitengewoon klein. Ik wil de komende jaren hier in het Erasmus MC blijven. We hebben weer zulke mooie uitdagingen, bijvoorbeeld met het opzetten van een ’Pandemic & Disaster Preparedness Center’, waarmee we beter voorbereid zijn op toekomstige rampsituaties.”

Dus u sluit uit dat u ooit nog de politiek in gaat?

„In het leven kun je niets uitsluiten.”

Je kunt deze onderwerpen volgen
Extra
Coronavirus