Van der Bij in Soedan.

Groningse historica reist dwars door het moeras in het spoor van een 19de eeuwse ontdekkingsreiziger

Van der Bij in Soedan.

Fleur van der Bij reisde negen jaar geleden in het voetspoor van een negentiende-eeuwse ontdekkingsreiziger door Afrika en zag zich daar geconfronteerd met een gebeurtenis uit haar jeugd. Ze schreef er een indrukwekkend boek over: De Nijl in mij . Gesprek onder een Gronings zolderraam met uitzicht. Over zwemmen naar het donker en de waarheid van waanzin.

Haar kamer is 17 vierkante meter groot. Een bed in de hoek, een werktafel onder een groot kantelraam, twee ingelijste foto’s aan de wand; een boven haar bureau, een naast de boekenkast. Buiten ligt de stad aan je voeten, de torens van Groningen. De wolken raken de Olle Grieze, meeuwen cirkelen boven het Zuiderdiep.

A room with a view . Zo beschrijft bewoonster Fleur van der Bij deze zolderruimte die ze in 2012 voor het eerst betrad. Het staat te lezen in de epiloog van haar vorige week gepresenteerde debuut De Nijl in mij ; een op de werkelijkheid gebaseerd boek over haar reis in het kielzog van de negentiende-eeuwse Nederlandse ontdekkingsreiziger Juan Maria Schuver. Een reis die haar een spiegel voorhield die in scherven uiteen zou spatten.

Niet dat je die scherven nog bespeurt.

De 36-jarige schrijfster zelf zit, rosblond en stralend, op de stoel waarop ze zich op oudejaarsavond 2012 een nieuw jaar en een nieuw avontuur in schreef. ,,Ik was alleen die avond, bewust, ik wilde reflectie. Ik had mezelf een brief geschreven over waarom ik dit boek wilde maken. Voor de momenten dat het niet zou gaan. En toen ben ik gewoon begonnen.’’

Gewoon? Gewoon is dit verhaal geenszins.

Het begon allemaal, zoals zoveel dingen, met een fascinatie. Die ontstond in 2006. Als geschiedenisstudente moest ze een onderwerp bedenken voor haar eindscriptie en ze stuitte via het biografische woordenboek online op Juan Maria Schuver, zoon van een vermogende koffie- en theehandelaar te Amsterdam, die leefde tussen 1852 en 1883.

,,Ik dacht: okeeee? Is er een Nederlandse Livingstone geweest? Ja dus! Ik klikte op zijn naam en ik zag een foto van een strak kijkende man met een geweer en een zwaard in zo’n ontdekkingsreizigerspak. En toen werd er ook nog eens melding gemaakt van het feit dat hij in 1883 was verdwenen in Zuid- Soedan, niemand wist wat er met hem was gebeurd. In zijn laatste brief aan zijn oom schreef hij…’’

Ze citeert uit het hoofd, de zin is in haar hoofd geslepen: ,,Zij dit mijn laatste woord, geloof niet dat eerzucht om naam te maken mij naar mijn noodlot stuurde, iets edelers, iets diepers, wat ik niet schrijven mag, dat is mijn drijfveer.’’

,,En ik dacht: waauw. Ik vond het groots en meeslepend en ik had direct vragen, ik dacht: met deze man hou ik het wel een hele scriptie lang vol.’’ Ze lacht. ,,Maar uiteindelijk werd het elf jaar.’’

Boek

Nog tijdens het schrijven aan haar scriptie zocht ze contact met Frank Westerman, de Drentse schrijver wiens werk ze bewondert. ,,Hij gaf een lezing in Hoogezand en ik klampte hem na afloop aan. We zijn toen een biertje gaan drinken in de sporthal, haha, er was niks anders open in de buurt, en toen heb ik hem verteld dat ik meer met dit onderwerp wilde. Hij was de eerste die zei: ‘Je moet een boek over Schuver schrijven’.’’

Vanaf dat moment raakte alles in een stroomversnelling: Westerman meldde haar aan bij zijn toenmalige uitgeverij Atlas, die geïnteresseerd bleek, waarop de schrijfster in wording contact zocht met Jan Pronk, voormalig minister van ontwikkelingssamenwerking, die vanwege zijn kritiek op de Soedanese regering tot persona non grata was verklaard.

,,Ik dacht, als er iemand weet hoe je er moet komen en vooral hoe je er moet blijven, is hij het.’’ Pronk onderwierp de kersverse, maar naïeve historica aan kritische vragen. Of ze wel eens in Afrika was geweest? Nee? Of ze Arabisch sprak? Nee? Maar dit tóch graag wilde doen? Ja? Dan moest ze zich voorbereiden. Het land in kwestie eens bezoeken. Arabisch leren.

Aanbevelingsbrief

Een jaar later stond ze voor hem. Voorbereid, en nog steeds enthousiast. Hij gaf haar een aanbevelingsbrief voor de Verenigde Naties mee. Het was eind 2008. En ze ging. Met een rugzak, een tent, een beha vol geld en zin in ontdekken. Op naar de Nijl, op naar het spoor van Schuvers door Ethiopië en Soedan, op naar de plek waar hij voor het laatst was gezien: Meshra-el-Rek.

De Nijl in mij beschrijft haar tocht langs die rivier. Hoe ze gidsen huurde en dan haar donkere stem opzette om gezag uit te stralen. De gesprekken met mensen die ze ontmoette. Vreemd-intieme gesprekken, over een onderwerp dat ze had weggestopt.

,,In Afrika’’, zegt ze ,,word je onvermijdelijk geconfronteerd met de dood.’’

Ze wijst naar de foto boven haar bureau. Daar staat een rossige Friezin breed lachend tot over haar knieën in troebel rivierwater, omringd door gewapende, melancholiek kijkende Soedanese jongens.

,,Dit was het kantelmoment van de reis’’, zegt ze nadenkend. ,,Het was helemaal op het einde, het moment dat ik dacht: voor wie doe ik dit eigenlijk echt? Dit is een zijtak van de Nijl. Daar tussen het riet zwommen krokodillen, in de verte zag je de rookpluimen van Meshra-el-Rek. Door dit moeras moest ik om bij mijn einddoel te komen. Erin, en er weer uit.’’

Profetische woorden.

Je reisde alleen door Soedan. Dat is momenteel bepaald niet de meest vreedzame plek op aarde. Ook in 2009 was het al geen rustig gebied. Toen je daar was, brak in Zuid-Soedan een stammenoorlog uit. Waren je ouders niet ongerust?

,,Nee. Je moet weten: door Noord-Soedan kun je heel veilig reizen, ook als vrouw alleen. Mensen zorgden onderweg juist heel goed voor me. Ze voelden zich gevleid dat zo’n blanke dame nou eens niet langs kwam om ontwikkelingshulp te geven, maar om iets van hen te weten te komen.’’

Je ouders hadden al een dochter verloren. Ylse. Op zeker moment sluipt jouw overleden zusje in dit boek. Wat gebeurde er tijdens de reis?

Ze schraapt haar keel. ,,Ik logeerde bij mijn gids en praatte ’s nachts met zijn zus Fatima. Zij vertelde me over haar broer, die in de oorlog was gesneuveld. En toen vertelde ik ineens mijn eigen verhaal over mijn zusje. Later ook aan Majok, een jongen met wie ik een romance had, die als kindsoldaat mensen had gedood. Het ging helemaal niet zo goed tussen ons, maar in die gesprekken vonden we elkaar. Dat is blijkbaar iets universeels. Verdriet, het onvermogen om erover te praten, dat verdwijnt als je ver van huis bent.’’

Tweelingzielzusje

Ze staat op en pakt een roze boekje uit de boekenkast. Zo’n boekje dat schoolmeisjes aan hun allerbeste vriendinnen geven om erin te schrijven wat hun hobby's zijn, wat hun lievelingskleur is en wat ze het liefst zouden willen in hun hele leven. Ylse was 8 jaar, toen ze erin schreef.

Wat ze het liefste wilde in haar hele leven?

Een tweelingzielzusje van Fleur zijn.

Naast de boekenkast hangt die andere foto: twee meisjes, een blond, een roodharig, lopen naast elkaar op een herfstige bosweg. Dennen werpen slagschaduwen over het pad, op de voorgrond is het een wirwar van ontelbare gele en bruine blaadjes. Fleur en Ylse van der Bij, respectievelijk 15 en 12 jaar oud, tweelingzielzusjes.

Ylse werd op een dinsdagochtend in 1996 door een automobilist doodgereden.

In het een na laatste hoofdstuk beschrijft ze wat er gebeurde. Hoe haar oma zei: ‘Flink zijn. Niet huilen nu.’ Hoe ze in het ziekenhuis naast het bed stond. Hoe ze met een pyrietsteentje – ze moest iets meenemen voor haar zusje, iets, iets – over haar eigen wang streek en daarna over de wang van haar dode zusje.

Hoe daarna het leven zijn gang hernam. En ze er nooit meer over praatte.

Waarom niet?

,,Ik woonde in Tjalleberd, we hebben het over 1996, een klein dorp in Friesland. Nu lees je wel eens als er zoiets gebeurt dat de leerlingen worden opgevangen door slachtofferhulp. Dat was er toen helemaal niet. Het was zelfs zo dat mijn zusje op dinsdag stierf, op zaterdag werd begraven en op maandag ging ik weer naar school.’’

Geen mentor die met je praatte?

,,Niemand. Ik moest proefwerken inhalen en mijn hoofd zat zo vol van alles wat er gebeurd was, dat ik op zeker moment een proefwerk wiskunde niet af kon krijgen. Maar ik kreeg geen extra tijd omdat de docent dat dan niet eerlijk vond tegenover de andere kinderen. Er was niet alleen geen steun, er was ook totaal geen begrip. Men had geen idee.’’

Ik vond dat ik gewoon door moest gaan en dat deed ik dan ook, twintig jaar lang

,,Het is toch zo, dat als een kind overlijdt, de meeste aandacht naar de ouders gaat. Die hebben een kind verloren. Maar kinderen verliezen ook een klein beetje hun ouders, die zijn helemaal met zichzelf bezig. Dus ik stond er alleen voor. Ik was het oudste kind en omdat iedereen er zo mee omging had ik ook helemaal niet het idee dat ik er iets anders van moest vinden. Ik vond dat ik gewoon door moest gaan en dat deed ik dan ook, twintig jaar lang. Ik deed het op slot. En ik presteerde ook wel goed op school, haalde goede cijfers. Niemand wist dat ik soms onderhandelde met de dood. Dan pakte ik die foto van Ylse en mij en dacht: als ik al die herfstblaadjes tel en ik heb het goed, mag ze dan weer levend worden? Dat was mijn eenzaamheid. Maar niemand wist dat, niemand zag dat.’’

Tot het zich als een boemerang tegen je keerde.

,,Ja. Maar het overkwam me. Tijdens mijn reis door Afrika merkte ik dat ik steeds fanatieker werd en ik voelde intussen wel dat er iets anders naar beneden aan het donderen was. Maar ik zag het als gedrevenheid.’’

In De Nijl in mij beschrijft ze hoe ze uiteindelijk in Meshra-el-Rek arriveert, dat de gids schreeuwt dat ze daar weg moesten want er is toch echt een oorlog gaande, maar dat ze verder wil, verder, en dat dat zo uitzonderlijk belangrijk voor haar wordt dat ze wil blijven. Het is het punt waarop de lezer denkt: zeg mevrouw van der Bij, dit wordt te raar, hoor.

Ze lacht. ,,Ja, dat was ook zo.’’

Survival guilt

Eenmaal thuis, in Amsterdam, werd de onrust alleen maar groter. Ze associeerde de piramidevormige theezakjes met de piramides in Soedan. ,,Ik dacht, er is een code voor de vrede verborgen in die zakjes, en die moet ik kraken! Ik liep door volkstuinen en zag dat als het paradijs. Ik leed aan een soort survival guilt, denk ik achteraf. Ik kon niks voor Soedan doen. Ik kon niks voor mijn zusje doen. En dat uitte zich in een soort godinnenpsychose waarin ik iedereen wilde redden. Uiteindelijk schuilt in elke vorm van waanzin een zekere waarheid.’’

De doktoren constateerden een bipolaire stoornis. Een tweekoppig monster, zo zegt ze zelf, dat ze uiteindelijk, na jaren therapie onder controle kreeg als een hondje dat gaat liggen als je ‘af’ zegt.

,,Ik ben opgegroeid te midden van sloten die in de winter bevroren en ik wist: als je door het ijs zakt, moet je nooit naar het licht zwemmen maar naar het donker, want daar is het wak. Zo ongeveer verliep ook het herstelproces.’’

Goeie plek

Ze kijkt rond. ,,Deze kamer markeert het moment dat het weer beter met me ging. Ik stond hier en dacht: dit is een goeie plek, dit is m’n oude studentenstad. Toen heb ik besloten om hier te gaan wonen, om terug te keren in de maatschappij en om, aangemoedigd door mijn artsen, toch dat boek te schrijven. Begeleid door Frank Westerman.’’

Vijf jaar lang werkte ze aan het boek. ,,Ik was op het punt gekomen dat ik het verhaal heel erg graag wilde vertellen. Niet alleen het verhaal van Schuver, maar ook dat van mijn zusje. Ik weet nog dat ik staarde naar de kaart van Afrika die ik op de muur had geplakt. Dat ik de Nijl zag en dacht: dit is het! Ik heb met Schuver de fysieke Nijl gevolgd. Maar Ylse, dat is de Nijl in mij. Ik had de vorm: we volgen de rivier tot het hart van de waanzin.’’

Stilte. Een duif klapwiekt langs het raam. Aan de muur hangt een werkrooster; ze is begonnen aan een tweede boek. Ze kijkt om zich heen; 17 vierkante meter met uitzicht op de wereld. ,,Dit is mijn kleine universum’’, zegt ze. ,,Hier ben ik beter geworden. En ik ben hier ontzettend gelukkig.’’

menu