Hoe ver kan de overheid gaan om ons te dwingen tot een gezonde leefstijl?

Het kabinet zint op vergaande maatregelen tegen het roken. De vraag is hoe ver de overheid kan gaan in het opleggen van regels en verboden om ons te dwingen tot een gezonde leefstijl? Lopen we straks allemaal als blakende modelburgers aan de leiband? Een verkenning.

Het aangekondigde rookverbod in de publieke ruimte in Groningen roept discussie op. Is het een gewenste stap in de richting van een gezondere samenleving? Of de betuttelende opmaat naar een wereld waarin we straks op de fiets collectief een helm dragen en op last van een boete niet meer hoesten in de nabijheid van een ander? En opschrikken van een loeiend alarm wanneer we tijdens de lunch in de bedrijfskantine te veel calorieën opscheppen? Krijgen we straks echt een ‘suikertaks’ en een ‘vettaks’?

Het recente rookverbod kan inderdaad een glijdende schaal in de hand werken, zegt Brigit Toebes, hoogleraar gezondheidsrecht in internationaal perspectief aan de Rijksuniversiteit Groningen. ,,We gaan steeds een stapje verder. Het begon met een rookverbod in cafés en restaurants, nu verplaatst het zich naar de straat.’’

Waar het heen gaat? Kijkend naar landen om ons heen, ziet Toebes hoe collectieve verboden steeds verder doordringen tot de private sfeer. ,,In Engeland en Italië mag je al niet meer roken in de auto wanneer er een kind aan boord is.’’ Of het hier zo ver zal komen, waagt Toebes te betwijfelen. Hoewel ze wel een voorzichtige trend ‘betuttelwaarts’ ziet, wijst ze erop dat zulke verboden nooit lukraak tot stand komen.

Toebes: ,,De vraag is altijd: is er draagvlak? Past het bij de samenleving? Je moet elke keer weer die confrontatie met de bevolking aan’’, zegt ze. Niet elke maatregel is bovendien bewezen effectief en zal goed landen in Nederlandse bodem. ,,Nederlanders zijn erg gesteld op hun bewegingsvrijheid en autonomie. Het is hier geen politiestaat.’’

Hoogleraar tabaksontmoediging Marc Willemsen van het Trimbos-instituut - het landelijk kennisinstituut voor geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en maatschappelijke zorg - erkent dat mensen in een land als Nederland vrij zijn om te doen en laten wat ze willen, mits ze anderen niet schaden. ,,Maar de overheid heeft wel een wettelijke zorgplicht. Ze moet burgers bescherming bieden en hun gezondheid bevorderen. Roken is nu eenmaal erg ongezond.’’

Gezien de kwetsbaarheid van kinderen pleit Toebes voor een ondergrens: rookverboden op plaatsen waar kinderen samenkomen. Schoolpleinen dus, en speelplaatsen en sportvelden.

 

Nee-derland

Fel tegenstander van enige regulering op dit vlak is politiek activist Jan Roos. Hij lanceerde dinsdag de campagne Nee-derland.nl. Met speen in de mond en onder de slogan ‘je bent mijn moeder niet’ zegt hij te strijden tegen de betutteling in Nederland, oftewel de strenge maatregelen tegen zaken als vet eten, stoepkrijten op straat, vuurwerk en roken. Later in de week bleek dat zijn ‘betuttelingscampagne’ financieel werd gesteund door de tabaksindustrie.

Het rookverbod in de publieke ruimte lijkt vooral toegesneden op het Universitair Medisch Centrum Groningen, denkt socioloog/psycholoog Hans Harbers. ,,Het UMCG wil het wel verbieden, maar is daartoe niet officieel bevoegd omdat het voorplein publieke ruimte is. Een particuliere eigenaar gaat daar niet over. De gemeente wel.’’

Toch is het maar de vraag of het juridisch standhoudt. Volgens Jan Brouwer, emeritus hoogleraar recht en samenleving, is dat geen uitgemaakte zaak. Gemeentelijke regelgeving mag nooit in strijd zijn met ‘hogere’ wetgeving. Als voorbeeld noemt hij de mislukte invoering van het sisverbod. De overheid wilde verbieden dat mannen op straat naar vrouwen fluiten of sissen. Een ontoelaatbare vorm van seksisme, zo was de gedachtegang. Brouwer: ,,De invoering van het sisverbod was onrechtmatig. Sissen is een uiting, die valt onder de vrijheid van meningsuiting. Je mag de vrijheid van meningsuiting beperken, maar niet op gemeentelijk niveau.’’

Hij trekt ook een parallel met het blowverbod. De gemeente Amsterdam had het Mercatorplein aangewezen als plek waar je niet mag blowen. ,,Daarvan zei de Raad van State als hoogste bestuursrechter dat het niet kan, omdat blowen in de openbare ruimte al is verboden in de Opiumwet. De gemeente Amsterdam beriep zich vervolgens op het belang van de openbare orde. De vraag is: heeft Groningen echt last van die rokers? Kan de gemeente dit zodanig framen dat er een openbare orde-belang mee is gediend?’’

 

10 euro

Het rookverbod komt niet uit lucht vallen. De eerste restricties op het roken deden in Nederland hun intrede in 1990 met de invoering van de Tabakswet. Vanaf dat moment gold een rookverbod in overheidsgebouwen, zorginstellingen en scholen. In 2004 waren bedrijven en vier jaar later de horeca aan de beurt. Vorig jaar werd roken taboe verklaard in wachtrijen bij pretparken en dierentuinen. En dit jaar viel het doek voor rookruimtes in de horeca. Het kabinet zint op nog meer maatregelen: alle rookhokken moeten weg. Door accijnsverhoging zou een pakje sigaretten binnen een paar jaar minstens 10 euro gaan kosten.

Bioloog Midas Dekkers, die in zijn laatste boek Volledige vergunning een ode schreef aan het uitstervende café, vindt het ‘bespottelijk’. Er is tegenwoordig een bijna religieuze gerichtheid op gezondheid, vindt hij. ,,Uit naam van de gezondheid mag je alles gebieden en verbieden. Gezondheid bestaat helemaal niet, evenmin als God. Het is een abstractie, een stip aan de horizon. Vroeger streefden mensen naar een beter bestaan na het aardse leven. Om dat te bereiken legden ze zich allerlei beperkingen op. Nu iedereen weet dat er helemaal geen leven na de dood is, zijn ze in gezondheid gaan geloven in de hoop het leven zo lang mogelijk te rekken.’’

Gezondheid is in zijn ogen relatief. Wie pech heeft krijgt een zeldzame ziekte of een ongeluk en sterft voortijdig. Hij vindt het merkwaardig dat onder gezondheid altijd lichamelijke gezondheid wordt verstaan, terwijl geestelijke gezondheid minstens zo belangrijk is voor het welzijn. ,,Ik weet natuurlijk ook wel dat roken en drinken lichamelijk niet zo gezond zijn, maar voor je geestelijke gezondheid kan het heel goed uitpakken dat je naar het café gaat om lekker in gezelschap te drinken en te roken. Daarvan kun je geestelijk enorm opkalefateren.’’

Hij krijgt bijval van Frank Hindriks, filosoof van beroep. ,,Gezondheid is belangrijk, maar het lijkt wel of er geen grenzen meer zijn en we gezondheid gebruiken om de vrijheid van het individu in te perken.’’ De meerderheid slikt het, maar het gaat ten koste van een minderheid. In dit geval rokers. ,,Een van de weinige minderheden in de samenleving die je kennelijk openlijk in de hoek mag zetten.’’

 

Tirannie van de meerderheid

Socioloog Jacob Dijkstra wijst op het gevaar dat steeds dezelfde groep mensen de dupe is van zulk soort vrijheidsbeperkende maatregelen. Dit kan leiden tot wat in de sociologie ‘de tirannie van de meerderheid’ heet. ,,Dezelfde minderheid moet minder moet roken, minder eten, meer bewegen. Deze groep is de dupe van goede bedoelingen. En zoals het spreekwoord luidt: The road to hell is paved with good intentions .’’ (tekst loopt door onder de illustratie)

Harbers constateert dat er een verschuiving gaande is van collectieve naar individuele verantwoordelijkheid. Hij noemt het voorbeeld van riolering die in de negentiende eeuw werd aangelegd. Dat was een collectieve voorziening ter bevordering van de hygiëne en de volksgezondheid. Tegenwoordig ligt de bal veel meer bij het individu. Met een gezonde leefstijl moet hij ziekte en verval zo lang mogelijk voor zich uit proberen te schuiven. Als het niet lukt, is het geen pech maar zijn eigen domme schuld.

Tegelijk maakt de overheid gebruik van wetten om de onderdanen in het gareel te houden. In meer eigentijdse vorm doet het rijk dat door ‘ nudging ’: het duwt het gedrag van mensen in een gewenste richting. Goed gedrag wordt beloond, slecht gedrag bestraft.

De regelgeving van de overheid heeft diverse legitimaties, verklaart Brouwer. Hij haalt daartoe de Amerikaanse rechtsfilosoof Joel Feinberg aan. Deze onderscheidt moralisme, paternalisme, het schadebeginsel en het daaraan verwante aanstootbeginsel.

In de praktijk speelt vaak een combinatie van deze vier. Het inperken van roken voor de ingang van een ziekenhuis is volgens Brouwer niet zozeer een uitdrukking van het schadebeginsel: dat een roker een ander echt schade berokkent. Veeleer is het een vorm van paternalisme – wij als overheid weten wat goed voor je is. Het wordt ook een beetje ingegeven door het aanstootbeginsel: het kan op die plek nogal confronterend overkomen.

 

Signaalfunctie

Dijkstra is van mening  dat er te weinig debat is over het effect van het beknotten van onze vrijheden. ,,We moeten ons beter afvragen wat onze vrijheden ons waard zijn. Misschien is de indirecte gezondheidsschade door roken op straat wel de prijs die we moeten betalen voor onze individuele vrijheid.’’

Volgens Dijkstra moeten de baten van het inperken van deze vrijheid steviger worden afgewogen tegen de schade die je anderen berokkent door op straat te roken. ,,Zeggen dat een baby zodra hij uit het ziekenhuis komt bij zijn eerste ademteug wellicht rook binnenkrijgt, is een stijlfiguur, geen argument.’’

Willemsen van het Trimbos-instituut beaamt dat het verbod op roken in de openbare ruimte vooral een ‘signaalfunctie’ heeft. ,,Het laat zien dat roken niet de norm is. Dat is vooral voor jongeren van belang. Indirect draagt het dus bij aan het terugdringen van roken.’’

Hindriks vindt het een zorgwekkende ontwikkeling dat de vrijheid van rokers en andere minderheden ‘onevenredig’ worden ingeperkt. Hij is van mening dat mensen alternatieven moeten worden aangereikt. „Je kunt een medewerker van een ziekenhuis geen 200 meter laten lopen naar een rookplek.’’

Ook vindt hij dat de nadruk op gezondheid neigt naar moralisme en weinig ruimte laat voor hen die wel houden van een sigaret of een vette hap. ,,Tijdens bijeenkomsten op de universiteit is de standaard lunchoptie tegenwoordig ‘veganistisch’. Hiermee leg je waarden op aan mensen die die niet altijd delen. Vroeger moest je aangeven wanneer je vegetarisch of veganistisch was. En een generatie geleden was je een slechte gastheer of -vrouw als je geen sigaretten in huis had.’’

 

Veranderende inzichten

Hoe we denken over wat goed en slecht voor ons is, is onderhevig aan veranderende inzichten, onderstreept Brouwer. Een mooi voorbeeld vindt hij de maatschappelijke houding jegens prostitutie. In de vorige eeuw viel prostitutie onder de ‘moralistische’ zedelijkheidswetgeving. ,,Het begrip zede is uit ons rechtstelsel verdwenen. Daarmee wordt gesuggereerd dat we niet langer moralistisch denken, maar dat is natuurlijk niet zo. Bij veel mensen speelt het nog steeds mee op de achtergrond.’’

De prostitutiewetgeving werd vanaf de jaren zestig en zeventig geliberaliseerd. ,,We vonden de wetgeving moralistisch en paternalistisch. Daarom is prostitutie rond het jaar 2000 uit het strafrecht gehaald. Inmiddels is de liberalisering weer teruggedrongen. Ditmaal doen tegenstanders een beroep op het schadebeginsel. Zo ziet de Zweedse overheid prostitutie als een vorm van geweld van mannen tegen vrouwen, kopers tegen aanbieders. ‘Vrijwillige’ prostitutie bestaat dan niet.

Maar keuzevrijheid is eveneens een groot goed in het Westen. Niet alle vrouwen die de prostitutie ingaan worden daartoe gedwongen, zeggen sommige vrouwelijke vertegenwoordigers van prostituees. En waarom zou je niet mogen roken, zuipen, bergbeklimmen, deltavliegen of autoracen? Ieder mens moet vrij zijn om te kiezen, ook al schaadt hij daarmee zichzelf (op de lange termijn). Als hij anderen geen nadeel berokkent, moet hij toch zijn gang kunnen gaan?

Harbers heeft niet zoveel boodschap aan het zogeheten autonome individu met zijn oneindige keuzevrijheid, die doorgewinterde liberalen hoog in het vaandel voeren. Iedereen is het middelpunt van een netwerk, bestaande uit familie, vrienden, collega’s en aanverwante, onstoffelijke zaken. ,,Niemand bestaat zonder zo’n netwerk. Daarom vind ik het zeer twijfelachtig als iemand vraagtekens plaatst bij verboden op grond van de individuele autonomie. Dan staat de keuzevrijheid van de een al snel tegenover die van een ander.’’

Hij zag het in een tv-reportage over het roken bij de ingang van het UMCG. Iemand vond dat hij daartoe het volste recht had. Een ander verkondigde dat mensen die zich daaraan storen maar een stukje moeten omlopen. ,,Ook dan geldt dat jij de keuzevrijheid van anderen aantast, omdat ze moeten omlopen voor jou’’, aldus Harbers.

,,Het lijkt wel’’, filosofeert Dijkstra hardop, ,,alsof we vinden dat we helemaal geen hinder meer mogen ondervinden van andermans gedrag. We ageren steeds tegen gedrag van een ander waar we niet om hebben gevraagd.’’ Terwijl juist dit samen delen van de ruimte, met alle gevolgen van dien, ons tot een samenleving maakt.

 

Steeds meer regels

Dat de overheid steeds meer regels invoert is ook niet onlogisch, meent Harbers. De wereld is anders dan honderd jaar geleden. Er zijn goede redenen om de helmplicht in te voeren of een verbod om je afval in de natuur te lozen. Het verkeer is nu eenmaal veel drukker geworden en we produceren veel meer afval.

Tegelijk zijn veel andere regels verdwenen. ,,We leven in een superliberaal land. We zijn veel vrijer dan in de jaren vijftig. Dat is ook te danken aan onze fantastische verzorgingsstaat. We hebben veel meer vrije tijd, waarin we kunnen doen en laten wat we willen. Je kunt niet volhouden dat we aan steeds meer regels worden onderworpen.’’

Veel traditionele regels waren producten van de hiërarchische standenmaatschappij. Harbers heeft liever te maken met disciplinering door de rechtsstaat, dan die door het dorpshoofd, de kasteelheer of de dominee. ,,Ik mag eens in de vier jaar stemmen. Dat is een vorm van collectieve zelfbeschikking, waar ik een groot voorstander van ben. De wet door en voor het volk. Dan heeft elke ingevoerde wet maatschappelijk draagvlak.’’

Dijkstra wijst erop dat steeds meer zaken die vroeger door burgers onderling werden geregeld nu onderdeel zijn van wetgeving of rechtspraak. Het is een paradoxaal gevolg van individualisering. Mensen leven steeds meer in hun eigen bubbel. Dat begint al van jongs af aan. ,,De privatisering van vermaak en consumptie is leuk, maar gaat wel ten koste van belangrijke vaardigheden. Er zijn steeds minder situaties waarin je met elkaar moet ‘onderhandelen’ over welk gedrag gewenst of ongewenst is. Vroeger moest je met het gezin nog debatteren over het afstemmen van de tv op het Journaal van acht uur of Tour of Duty . Nu kijkt iedereen wat hij wil op zijn eigen scherm.’’

Het gevolg, zegt Dijkstra, is dat we met zijn allen iets belangrijks verleren: rekening houden met het gedrag van anderen. „We gaan steeds meer op onze strepen staan. In het maatschappelijk verkeer kan dat, maar ik vind het een zorgelijke ontwikkeling dat we alles willen regelen via de overheid.’’

menu