De tuintafel van Jacques Hermus. Vooraan de pindaplant. (Links en rechts kikkererwten, erachter witte boon, kievitsboon en siererwt (latyrys).

Pindakaas, pindarotsjes, pindasaus: experimenteer met pinda's in je moestuin

De tuintafel van Jacques Hermus. Vooraan de pindaplant. (Links en rechts kikkererwten, erachter witte boon, kievitsboon en siererwt (latyrys).

Pindakaas, pindarotsjes, pindasaus, doppinda’s: de peulvrucht uit Zuid-Amerika is de hele wereld over gereisd en heeft ons gezonde lekkernijen opgeleverd.

Het zijn experimenteertijden in onze tuin. Achter glas zaaien we voor, in de ommuurde achtertuin harden we af en in de grote tuin planten we uit. Dat is niks nieuws. Maar nu hebben we tijd en zon genoeg om los te komen van de voorspelbare groenten.

Uit de afdeling peulvruchten – jazeker, u weet het, in deze en andere tijden een bron van gezond voedsel – staan de tuinbonen al in de volle grond, neigen de erwten daartoe en kiemen de bruine bonen en kievitsbonen al mooi in hun natte watjes.

Experimenteren met pinda's

Dit jaar hebben we wat van hun familieleden in de grond gestopt. Keker- of kikkererwten en pinda’s. Pardon, pinda's? Ja pinda’s, ook wel aardnoten, apennootjes of olienootjes genoemd. En nee, het zijn geen noten, maar peulvruchten. Dat herken je als je ze in jonge staat blaadjes ziet vormen: het konden zomaar erwtenplantjes zijn.

De pinda-plant groeit eerst zoals het een peulvrucht betaamt: in de hoogte, met ronde blaadjes en daarna mooie gele bloemetjes.

De bloeitijd is maar kort, soms maar een halve dag, en dan moeten de bloemen bevrucht zijn. Als dat lukt, groeit er uit het verdorde bloemetje een lange steel die in plaats van omhoog groeit langzaam naar beneden buigt. Om zich vervolgens in de grond te boren en een paar centimeter ondergronds zijn peulen te vormen.

Twee tot drie pinda's per peul

Elke peul bevat zo’n twee tot drie pinda’s, maar als je behoorlijk wat bloemstelen hebt, wordt het een mooie grote kluit met pindapeulen.

Duurt wel even.

Van uitzaaien – stop gewoon een biologische niet-gebrande pindapeul (de dop met pinda’s dus) of pinda met vlies in de grond – tot oogst ben je wel vier tot vijf maanden kwijt. Voor een succesvolle oogst moet er wel op zijn minst een subtropisch microklimaat worden gecreëerd. Zoals een kas, een mooi plekje in de serre of tegen de zuidelijke muur van een afgesloten stadstuin.

loading

De pinda komt uit Zuid-Amerika

De pinda komt namelijk uit warme streken. Niet uit het Oosten, waar ze een heerlijke satésaus ervan maken, maar uit Zuid-Amerika. Uit Peru om precies te zijn, waar de plant al vóór de tijd van de Inca’s door de inheemse bevolking werd gecultiveerd.

De Spaanse en Portugese veroveraars van Zuid-Amerika onderkenden al snel het belang van de pinda als voedingsmiddel en namen hem mee naar hun andere ‘koloniën’ in de subtropen, zoals West- en Oost-Afrika, Maleisië of de Filipijnen.

Een reis via Afrika naar Noord-Amerika

Via een omweg – Afrika – kwam de pinda weer terug in Amerika, maar dan het noordelijke continent. In de zuidelijke staten van de VS kwam de pindateelt tot enorme groei.

De beroemdste pindateler van het land was ongetwijfeld Jimmy Carter, president tussen 1976 en 1980. Carter’s familie bestierde al generaties een pindaplantage in Georgia. De Verenigde Staten is nog steeds de grootste exporteur van pinda’s ter wereld, hoewel er in India en China meer pinda’s worden geteeld. Maar in die landen houden ze de pinda’s vooral voor de eigen keuken.

Een hoge voedingswaarde

Dat de pinda zo snel populair werd na de ‘ontdekking’ door de Spanjaarden en Portugezen, veel sneller dan bijvoorbeeld de aardappel en de tomaat die door hen tegelijkertijd uit Zuid-Amerika werden meegenomen, heeft alles te maken met de hoge voedingswaarde van de peulvrucht.

De pinda bevat wel tot 50 procent vette olie en zo’n 30 procent proteïnen. In China verving de pinda daarom al snel de sojaboon als belangrijkste bron voor keukenolie, omdat er twee keer zoveel vet in zit, het grootste deel als onverzadigde of ‘gezonde’ vetten. Het vet is eenvoudig te winnen door de verse ‘noten’ uit te persen.

Afrikaanse gerechten

Het duurde wel een poosje voordat wij in het westen pindaolie, of arachideolie (naar de Latijnse pindanaam Arachis hypogaea ), in de keuken gingen gebruiken. Deels had dat te maken met de wijze van gebruik in Azië en Afrika: de olie werd nauwelijks gefilterd waardoor er een kleverige vloeistof met een notige smaak ontstond. Prima voor een Afrikaanse regionaal gerecht, maar Europeanen wilden de olie breder gebruiken.

Eenmaal geraffineerd kon de dan gefilterde en geurloze oliearachideolie als prima alternatief gebruikt worden voor de dure olijfolie. Pas rond halverwege de negentiende eeuw kwam er een geïndustrialiseerde productie van arachideolie op gang.

Toen ging het snel.

In India explodeerde de pindateelt voor de ‘thuismarkt’ van kolonisator Engeland, en het aantal pindaplantages in Nederlands-Indië steeg ook exponentieel. Ze waren toeleverancier van de Nederlandsche Oliefabriek (NOF) - het latere Calvé -, opgericht in 1883 in Delft.

De pinda als snack

De pinda zoals wij die nu als snack eten is een stuk jonger. Het zijn de Amerikanen, onze snacksters bij uitstek, die er verantwoordelijk voor zijn. Oorspronkelijk werden de pinda’s als die van de Carter-plantage in de negentiende eeuw gebruikt als veevoer. In die zuidelijke staten werden eind negentiende eeuw echter ook pindarassen als de ‘Virginia’ ontwikkeld voor menselijke consumptie.

Nog steeds worden in die streken de nog niet helemaal rijpe of ‘groene’ pinda’s in de schil gekookt, volgens oud recept in licht gezouten water. Een beetje als de edamame , de jonge sojabonen in de peul. Vaak wordt er een pittig cajun-kruid bij gebruikt.

De meest gegeten pinda is echter de geroosterde of gebrande, al dan niet gezouten variant. Daarbij wordt de peul eerst geblancheerd, zodat de vliesjes loslaten. Pas daarna worden ze geroosterd. Om zo uit de hand te snacken, verwerkt in pindakoeken, pindarotsjes en andere lekkernijen.

loading

Pindakaas: géén Nederlandse traditie?

Pindakaas bijvoorbeeld, door velen beschouwd als een echte Nederlandse traktatie. Helaas pindakaas: het smeersel zoals wij dat kennen is in 1884 ‘uitgevonden’ door de Canadees Marcellus Gilmore Edson uit Montreal. Zijn peanut butter , ‘pindaboter’, bestond uit geroosterde pinda’s, olie, suiker en zout en zou een enorm succes worden.

Tegenwoordig bestaat de helft van de pindaconsumptie in Noord-Amerika uit peanut-butter , liefst op een boterham geserveerd met jam, de zogenoemde PB&J-sandwich . Volgens schattingen eet een Amerikaans kind gemiddeld vijftienhonderd boterhammetjes met pindakaas en jam voordat hij of zij de highschool verlaat. Kom daar maar eens om in Nederland, waar pas in 1948 de eerste ‘pindacrème’ door Calvé werd geproduceerd.

Een Duitse zendeling in Suriname

Dat wij het goedje overigens geen pindaboter noemen, zoals in de meeste andere talen het geval is, komt omdat boter een beschermde term is voor boter gemaakt van melk.

De term ‘pindakaas’ hebben we vermoedelijk uit Suriname. Daar stelde een Duitse zendeling in 1783 een woordenlijst op van het Sranantongo en vertaalde daarin het woord pienda dokunu – een mengsel van gemalen pinda’s met onder meer rietsuiker - als Pinda-Käse . Waarschijnlijk een letterlijke vertaling van het daar gebruikte lokale Nederlands-Surinaamse woord pindakaas. Duitsers zouden zelf later het woord erdnussbutter gebruiken. Maar ze eten er beduidend minder van dan wij.

De naam pinda: een bijzonder woord

Eigenlijk is het een bijzonder woord, pinda. Waar Duitsers het woord erdnuss (aardnoot) gebruiken, de Engelsen nog iets peulvruchterigs bedenken als peanut (erwt-noot) en het Franse woord cacahuètes via via is terug te leiden tot het oorspronkelijke Azteekse woord tlalcacahuatl , hebben wij een heel andersoortig woord.

‘Pinda’ komt uit het sranantongo , het Surinaams, en is een verbastering van het West-Afrikaanse woord mpinda . Voor de Afrikaanse slaven die naar West-Indië werden gevoerd leek de aardnoot op een kleine kalebassoort uit de eigen streek, de mpinda of mbinda . Vandaar.

Pinda als scheldnaam

Nog opmerkelijker is het gebruik van het woord ‘pinda’ voor mensen van Indische afkomst. Dat is al lange tijd een scheldwoord. Tussen de beide wereldoorlogen waren liepen er in Nederlandse steden Chinese straatverkopers rond met bakken met pindakoekjes en andere pindalekkernijen. Uit die tijd stamt het kinderscheldrijmpje ‘inda pinda poepchinees’. Toen Indiërs naar ons land kwamen kregen ze vanwege hun kleur dezelfde scheldnaam toebedeeld.

Later zijn sommige mensen van Indische afkomt het scheldwoord als geuzennaam gaan gebruiken. Vorig najaar verscheen het glossy-tijdschrift Pinda* (losjes gemodelleerd naar de Linda.) met een keur aan mensen met Indische wortels. Niet iedere Nederlander van Indische afkomst was overigens blij met die ‘geuzennaam’, die voor hen een nare koloniale bijsmaak heeft.

menu