Het koffertje met daarin de rijksbegroting en miljoenennota in de Tweede Kamer op Prinsjesdag.

Het is bijna Prinsjesdag: Neem de cijferbrij met een korreltje zout, de gemiddelde Nederlander heeft er weinig aan

Het koffertje met daarin de rijksbegroting en miljoenennota in de Tweede Kamer op Prinsjesdag. Foto: ANP/Bart Maat

Prinsjesdag is een cijferfestival. Tot achter de komma worden voorspellingen gedaan. Handig voor de politiek, maar de gemiddelde Nederlander heeft er doorgaans weinig aan.

A ls de uitgelekte Prinsjesdagstukken ons één ding leren, is dat 2021 geen jubeljaar wordt. De werkloosheid stijgt naar 5,9 procent, de staatsschuld schiet omhoog naar 62,0 procent en de koopkracht neemt in doorsnee met 0,8 procent toe.

Dat zijn althans de percentages die de rekenmeesters van het Centraal Planbureau (CPB) ons voorschotelen in de Macro Economische Verkenning (MEV), de financiële bijsluiter van de Miljoenennota.

Akelig precies

De cijfers zijn zo akelig precies dat ze in steen gebeiteld lijken, maar ook aan de Haagse Bezuidenhoutseweg nummer 30, het onderkomen van het CPB, staat nog altijd geen glazen bol. Het instituut zelf waarschuwt vaak als eerste dat de MEV geen exacte voorspelling van de toekomst is.

Wat het CPB doet, is op basis van talrijke gegevens en computermodellen een zo goed mogelijke schatting maken van het jaar dat voor ons ligt. En daarbij is slechts één ding zeker: die schatting komt (bijna) nooit uit.

2019 was geen uitzondering op die regel. Op de Prinsjesdag ervoor had koning Willem-Alexander in zijn troonrede het land nog een economisch groeicijfer van 2,6 procent in het vooruitzicht gesteld. Het begrotingsoverschot zou uitkomen op 1 procent en de werkloosheid zou dalen ‘naar een historisch laag niveau van 3,5 procent’, sprak de koning in de Ridderzaal.

Voorspellingen

Inmiddels weten we wat van die voorspellingen is uitgekomen. De economische groei bedroeg in 2019 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 1,8 procent, een derde minder dan het CPB had geraamd. Het begrotingsoverschot kwam met 1,5 procent juist hoger uit, bijna 5 miljard euro meer. Alleen het werkloosheidscijfer bleek het CPB precies goed te hebben voorzien.

M isschien wel het moeilijkst te voorspellen zijn de koopkrachtcijfers. In 2019 zat het CPB nog aardig goed: de geschatte stijging van 1,5 procent lag dicht bij het gerealiseerde cijfer van 1,3 procent. Maar in de jaren ervoor kleunden de rekenmeesters soms stevig mis.

In 2014 kwam de gevreesde daling van 0,5 procent niet uit. In plaats daarvan was sprake van een toename, met 1,9 procent. En ook in 2016 bleek de doorsnee koopkrachtstijging van 3,0 procent achteraf ruim twee keer zo groot als het voorspelde plusje van 1,4 procent.

Lonen

Het is nu eenmaal moeilijk om te voorspellen hoe de lonen zich ontwikkelen, welke producten goedkoper of juist duurder worden en hoeveel automobilisten precies kwijt zullen zijn aan de pomp.

Een veelgehoorde klacht is dat mensen zich vaak niet zeggen te herkennen in de koopkrachtcijfers. En dat is ook niet zo raar: het gaat hierbij steevast om gemiddelden, terwijl er tussen huishoudens grote verschillen bestaan. Het is daarom goed om individuele claims als ‘zoveel gaat u er het komende jaar op vooruit’ met een korreltje zout te nemen.

D at de politiek de CPB-cijfers doorgaans wel bloedserieus neemt, komt omdat er achter die ramingen wel degelijk politieke keuzes schuilgaan, die gevolgen hebben voor groepen mensen in de samenleving. Wie bijvoorbeeld de arbeidskorting verhoogt, zoals dit kabinet doet, kiest ervoor om werkenden meer te laten profiteren dan gepensioneerden of werklozen. Zo’n keuze heeft ook gevolgen voor het koopkrachtbeeld van deze groepen.

Een partij die dat vervolgens oneerlijk vindt, kan voorstellen die maatregel terug te draaien en bijvoorbeeld de uitkeringen extra te verhogen. Zo kunnen partijen ten opzichte van elkaar het verschil markeren, maar de burgers merken dat lang niet altijd in de portemonnee.

menu