IJzerwarenhandel Bennema aan de Oude Ebbingestraat in Groningen. Het sluipdoor-kruipdoorpand op de hoek van de Hardewikerstraat kwam vrijwel ongeschonden uit de oorlog. Het bood tot voor enkele jaren geleden onderdak aan een filiaal van Halfords.

Boek met tekeningen en verhalen schetst het geheime dagelijkse leven van onderduikers in stad Groningse ijzerwarenwinkel

IJzerwarenhandel Bennema aan de Oude Ebbingestraat in Groningen. Het sluipdoor-kruipdoorpand op de hoek van de Hardewikerstraat kwam vrijwel ongeschonden uit de oorlog. Het bood tot voor enkele jaren geleden onderdak aan een filiaal van Halfords. Fotograaf onbekend, Groninger Archieven.

Vannacht is het tachtig jaar geleden dat Duitse strijdkrachten Nederland binnenvielen. Binnen enkele dagen was de bezetting een feit. Daarmee begint ook het verhaal Onder de Pannen van Bert Bennema (1929-2015), een boek met tekeningen en verhalen over het dagelijks leven van onderduikers in de ijzerwarenwinkel van zijn vader aan de Oude Ebbingestraat in Groningen.

Op zijn sterfbed in 2015 hield Bert Bennema de eerste drukproeven van zijn boek Onder de pannen in handen. De verschijning van het boekwerk maakte hij helaas niet meer mee.

Bennema tekent tijdens de bezettingsjaren het dagelijks leven van de onderduikers, de tekeningen geeft hij later als cadeau aan zijn vader. Hij schrijft openhartig over de ontberingen en de spanningen tijdens de onderduiktijd, maar ook over gezelligheid en bridge.

De ijzerwarenzaak is al generaties lang in de familie. ‘Mijn overgrootvader is er als een soort stagiaire begonnen’, schrijft Bert Bennema in Onder de pannen . ‘Hij moest van onderaf beginnen, hij sliep aanvankelijk onder de toonbank in de winkel. Zo ging het toen. Maar hij heeft het goed gedaan; hij heeft de zaak kunnen overnemen en flink uitgebreid’.

Bennema’s vader Siebolt is 16 en zit nog op de Rijks-hbs wanneer de oprichter van het familiebedrijf overlijdt. Het is al een uitgemaakte zaak dat Siebolt hem zou opvolgen. Maar hij is, zo schrijft zijn zoon, niet erg geschikt als zakenman. ‘Hij had liever geschiedenis gestudeerd, heeft hij mij later eens verteld’.

(Tekst leest verder onder de foto)

loading

Met vooruitziende blik werden meteen onderduikverblijven ingericht

De ijzerwarenzaak is een merkwaardig kruipdoor-sluipdoor pand dat oorspronkelijk uit twee rijen laatmiddeleeuwse huisjes bestond. Zijn vader breidt uit, verbouwt en brengt allerlei veranderingen aan. Hij beschikt over een vooruitziende blik. ‘Al aan het begin van de oorlog had hij door een bevriende aannemer de onderduikverblijven laten inrichten’. (…) ‘Saillant detail is dat gedurende de hele oorlog het buurhuis was verhuurd aan NSB’ers!’

In de laatste oorlogswinter wonen er twaalf personen in het pand, onder wie onderduikers. Vader, moeder en broer Jan (21), die weigert in Duitsland te werken. Ook Bennema’s zus Ali en broer Siebolt wonen nog thuis. De zus van Bert Bennema’s moeder, tante Fien, woont er ook met haar man en twee kinderen. Verder wonen er de moeder van Siebolt Bennema sr, student Piet Koek, tante Em en een student die door Bennema discreet als R. wordt aangeduid. Hier is een reden voor.

R. kan het onderduikersleven niet aan. ‘Hij kreeg heimwee en zat er teruggetrokken bij, deed niet mee met de grappen en grollen en met de spelletjes’. Ze ontdekken dat R. stiekem brieven aan zijn ouders schrijft. ‘Vader heeft toen een pas geschreven brief opgevraagd en daarin stonden zaken over onze familie en de situatie die echt niet konden. Dus moest hij vertrekken’.

(Tekst leest door onder de illustratie)

 

loading

Met twaalf mensen op 4 bij 6 meter rond één kachel

De twaalf bewoners zitten vooral in de woonkamer. Hier eten ze, drinken ze samen koffie en thee, schillen ze aardappels, wassen ze hun kleren en hangen ze tabaksbladeren boven de enige kachel te drogen. ‘Er werd gelezen, gebridged, gepuzzeld, gestudeerd en huiswerk gemaakt, gehandwerkt en getekend. En dit alles met twaalf of dertien mensen in een ruimte van 4 bij 6 meter! Er was geen brandstof genoeg om meer vertrekken te verwarmen. De rest van het grote huis was in die strenge winter dan ook steenkoud’.

De kou, de voortdurende duisternis en vooral de voortdurende angst voor ontdekking, huiszoeking en verraad zijn slopend voor de zenuwen, helemaal voor mensen die op een kluitje leven. ‘Vooral vader en oom Gerard konden heftige ruzies met elkaar krijgen’.

Het klinkt gek, maar het was ook een gezellige tijd

Er is ook een andere kant. ‘Hoe gek het ook mag klinken, achteraf hebben we vaak tegen elkaar gezegd: ‘Het was toch ook een erg gezellige tijd’. En zo was het! Er werd erg veel samen gedaan: ’s ochtends koffie- en ’s middags theedrinken, ook de maaltijden waren gezamenlijk. ’s Avonds werden er veel spelletjes gespeeld en er werden lezingen gegeven. Ook de feestdagen werden gevierd (…) En heel belangrijk: er werd veel gelachen’.

Er wordt naar Radio Oranje geluisterd. En een keer wordt het Wilhelmus gespeeld. ‘Vader ging er bij staan maar heeft toen zijn hoofd enorm gestoten aan de hanenbalken’.

 

(Tekst leest door onder de illustratie)

loading

In het geheim wordt het onderduikersbestaan vastgelegd

Bennema begint in het najaar van 1944 met de tekeningen die het fundament vormen van Onder de pannen . Hij doet dit in het geheim, want hij wil het boek cadeau doen aan zijn vader. Aan schuilplekken in het huis geen gebrek. ‘Er was nog een moeilijkheid. Als de tekeningen bij een huiszoeking door Duitsers of ‘foute’ Nederlanders gevonden werden, dan was alles verraden’. Hij betrekt zijn moeder en broer Jan bij het complot. ‘Elke keer als er gebeld werd en de onderduikers weg moesten, gingen alle tekeningen in een map die Jan meenam naar de onderduikersverblijven’.

Hij tekent de dagindeling, de slaapzaal en legt de daghengsten vast, zoals de bewoners worden aangeduid die voor die dag de enorme hoeveelheid aardappelen moeten schillen. Dankzij ruilhandel met boeren slaagt Siebolt Bennema er altijd in voldoende voedsel op te halen. ‘Met schillen was je lang bezig, ook omdat aardappelen schaars waren en er dus dun geschild moest worden. Het was dan ook een uiterst vervelend en saai werkje, sommigen hadden er nachtmerries van’.

(Tekst leest door onder de illustratie)

loading

Slechts weinig familieleden, vrienden en kennissen zijn van de aanwezigheid van de onderduikers op de hoogte. Wanneer er bezoek komt, vertrekken de onderduikers zo snel mogelijk – zelfs met hun bord eten – naar de schuilplaats. ‘Dat kon heel akelig zijn, want het was er vaak bitter koud. In ‘de salon’ hingen daarom een paar oude maar warme jassen, mutsen en dassen. (…) Moeder en tante Fie ontvingen meestal het bezoek. Het was oppassen met wat je zei. Ik hoor bijvoorbeeld moeder nog zeggen: ‘Ik zei gisteren nog tegen Jan … .’ Moeder en tante Fie probeerden het bezoek zo gauw mogelijk de deur uit te krijgen. Dat ging niet altijd even gemakkelijk. Soms was er bezoek dat zeer spraakzaam was. Vooral Bep was berucht bij de onderduikers’.

Bennema schrijft over die ene razzia die maar net goed afloopt. De straat wordt afgezet en de onderduikers vluchten naar hun schuilplaats. Zijn moeder keert terug van boodschappen en kijkt vanaf een afstandje machteloos naar het kordon Duitse soldaten. Maar de ijzerwarenzaak wordt niet doorzocht.

Klem tussen hevige gevechten

Op 13 april 1945 begint de bevrijding van Groningen. De gevechten duren vier dagen. In de omgeving van de ijzerwarenzaak vinden felle gevechten plaats. De bewoners zien de stad branden en vrezen dat de ijzerwinkel niet langer veilig is. Maar ze bevinden zich tussen twee stukken geschut van de Duitsers. Ze kunnen geen kant op.

In de nacht van 15 april wordt er plots op de deur gebonsd. Duitse soldaten melden dat de Canadezen een gevechtspauze hebben ingelast zodat buurtbewoners kunnen vertrekken. Zijn ouders laden een bakfiets vol met dierbare en kostbare voorwerpen, zoals een schilderij van Jan van der Zee, fotoalbums en … de tekeningen van Bert Bennema. De bewoners lopen door een verwoeste stad, beelden die zich in het geheugen van de jonge Bennema branden.

(Tekst leest door onder de illustratie)

loading  

‘Het knallen van het brandende, kurkdroge hout was oorverdovend, alsof er met vele mitrailleurs tegelijk geschoten werd. En boven de straat hingen twee tramdraden die in sierlijke guirlandes in die rode massa verdwenen. (…) Het kruispunt lag vol met de koperen hulzen van de kanonskogels. Die hulzen moesten we opzij schoppen om de bakfiets een doorgang te geven. Het geluid van de rollende en stuiterende hulzen klonk luguber in de nacht’.

Een hele rij Duitse drollen van angstige Duitse soldaten

Ze logeren bij buren en keren de volgende dag terug. Het vuur heeft hun huis niet bereikt. Bennema ziet een geruïneerde stad. ‘Gevels met grote gaten, kapotgeschoten kanonnen en vele gesneuvelde Duitse soldaten. In de gang van het pakhuis lag een hele rij Duitse drollen, daar op een betrekkelijk veilige plek door angstige Duitse soldaten gedeponeerd’.

Hij beschrijft een onwerkelijke chaos. ‘Ik weet nog dat ik in een lange rij stond om emmertjes water door te geven om de resten van een brand te blussen. Meubels en andere spullen werden uit huizen gesleept die alsnog in brand dreigden te raken. Zo stond bijvoorbeeld ook de volledige inventaris van het kostuum-verhuurbedrijf Boomsma op straat: van middeleeuwse harnassen en prachtige renaissancekostuums tot hedendaagse Engelse politieagenten!’

Hij voorspelt een merkwaardige, ‘archeologische’ vondst als iemand ooit besluit de oude waterput bij de ijzerwarenzaak te onderzoeken. Zijn vader heeft daarin talloze, lege en zwaarbeschadigde brandkasten gekieperd die uit afgebrande huizen kwamen.

(Tekst leest door onder de illustratie)

loading

De rol van moeder Riemen

In het nawoord staat Bennema uitgebreid stil bij de rol van zijn moeder Riemen. Een sterke en lieve vrouw voor wie de zorg van zoveel personen een grote belasting was. De was die op de hand werd gedaan, de schoonmaak, het koken, het afwassen, de boodschappen en de voortdurende angst voor ontdekking. ‘Bij een van de slagers riep een klant die ze kende keihard door de overvolle winkel: ‘Goh, wat heb jij veel nodig, heb je misschien onderduikers?’

Bennema doet de tekeningen op 18 januari 1945 cadeau aan zijn vader die op deze dag jarig is. Later vertelt hij zijn eigen kinderen en kleinkinderen over wat hij meemaakte tijdens vijf jaar bezetting.

,,Schrijf het een keer op’’, zei zijn dochter Tineke. Dat deed hij.

menu