Annemarie Nienhuis-Roebroek: ,,Je kunt dit werk niet vatten in een 40-urige werkweek.’’

Covergirl Annemarie van de eerste Boerinnenkalender en haar man Klaas over het boerenleven. ‘Ik wilde laten zien dat boerinnen niet meer in klederdracht lopen’

Annemarie Nienhuis-Roebroek: ,,Je kunt dit werk niet vatten in een 40-urige werkweek.’’ Foto: Kees van de Veen

Dagblad van het Noorden vertelde de afgelopen weken verhalen vanaf het boerenerf in Groningen en Drenthe. Vandaag de (voorlopig) laatste aflevering vanuit Uithuizen, over het boerenleven, de plattelandscultuur en het imago van de boeren. (En de boerinnenkalender.)

Twee buizerds vliegen op wanneer de auto van de Oude Dijk de Lauwersweg indraait. Op het erf van de eerste boerderij rechts staat een vrachtwagen met de achterkant van de trailer een halve meter de schuur in. De boer, Klaas Nienhuis (42), is ‘even druk’ met het inladen van de pallets met aardappelen.

,,Vergeleken met de oogsttijd is dit niks hoor, qua hectiek’’, zegt de boerin, Annemarie Nienhuis-Roebroek (38), vrouw van Klaas, directeur van drie basisscholen in de omgeving en politiek actief namens de VVD, verkiesbaar voor de lokale gemeenteraad en het waterschap.

Ze loopt de schuur in, het kantoor door en zwaait de keukendeur van het woonhuis open. ,,Let niet te veel op de rommel. We zitten midden in de verhuizing.’’

Covergirl

Op de tafel liggen twee kalenders. Eentje van vakblad De Boerderij, met Annemarie als miss November 2011, en het eerste exemplaar van de commerciële boerinnenkalender uit 2012, met Annemarie als allereerste covergirl. ,,Hier was ik meer mezelf’’, zegt ze, wijzend naar de tweede foto. Staand tegen een houten schuur, gehuld in een lang spijkeroverhemd met heel klein stukje van haar roze BH zichtbaar, de blonde haren los en grote ronde oorbellen in. Op de achtergrond een felgroen weiland, om duidelijk te maken dat het hier wel degelijk om ‘een boerin’ ging.

,,Mijn schoonmoeder kwam met een uitgeknipt oproepje van De Boerderij aanzetten. Zij hadden al zo’n kalender, voordat ‘de boerinnenkalender’ bestond. Is dat niet wat voor jou? En na een tijdje dacht ik: ja, misschien wel. Ik wilde wel laten zien dat boerinnen niet meer in klederdracht lopen op het platteland, wat toch een beetje de gedachte was achter die kalender. Het imago wat oppoetsen. Nooit gedacht dat het allemaal zo ver zou komen.’’

Ze was niet per se een typisch boerderijkind, vertelt ze. Maar ze werd hier geboren en groeide hier op. Op de boerderij in Uithuizen. ,,In alle rust en ruimte. Maar ik ben me daar vroeger nooit zo van bewust van geweest. Achteraf denk ik: ja, mijn vriendinnetje – ook van de boerderij – en ik waren wel bijna altijd op de boerderij. We hadden weinig weet van wat de kinderen verderop in het dorp deden. Als de aardappels naar binnen moesten stonden we aan de band kluiten te rapen. Even wat graan wegbrengen, dat deden wij ook zodra we op de trekker mochten. Ik weet het nog goed, in de oude John Deere. Ik moest dan met mijn hele gewicht op de koppeling staan, want ik was gewoon niet sterk genoeg om hem in te trappen.’’

Reuring van de stad

Als puber verlangde ze naar de reuring van de stad. ,,Groningen was groot genoeg, trouwens.’’ Op haar zeventiende ging ze Sociaal Pedagogische Hulpverlening studeren en op kamers. In weekeindes kwam ze thuis en werkte ze mee, maar een groot talent was ze niet (haar woorden).

,,Ik voelde altijd een enorme druk, er moest vanalles, op de boerderij.’’

Pas later realiseerde ze zich hoe mooi het leven op een boerderij eigenlijk kan zijn. ,,Nu zie ik ook de charme van dit leven. Nu zie ik dat boeren een way of life is. Het is niet alleen een vak. Alles is met elkaar verweven. Privé, werk, vrienden, alles loopt door elkaar. Boeren is je leven.’’

loading

Richard Paping, universitair hoofddocent economische en sociale geschiedenis aan de Rijksuniversiteit in Groningen, is gespecialiseerd in de regionale geschiedenis in Groningen en Drenthe.

Beide provincies zijn twee heel verschillende samenlevingen, maar komen overeen dat boeren altijd een groot deel van het (culturele en sociale) leven hebben bepaald. ,,En daarmee droegen ze ook de samenleving’’, zegt Paping. ,,Gemeenteraden waren hele rijen boeren. De voorzitter van de voetbalclub, dat was de notaris of de boer, een arbeider werd dat niet. Sinds de jaren zestig of zeventig hebben de boeren daar steeds minder tijd voor. Hun bedrijven zijn familiebedrijven geworden waar iedereen heel hard moet werken.’’

De boer van nu vindt steeds meer de rest van de maatschappij tegenover zich, ziet Paping. ,,Terwijl de boerensector eigenlijk de oude ruggengraat is waar de dorpssamenleving omheen is gebouwd. Pas met het algemeen kiesrecht is daar voor het eerst echt verandering in gekomen. En tegenwoordig kunnen boeren nauwelijks nog in hun bestaan voorzien, moet een partner buiten de boerderij gaan werken om bij te verdienen en beginnen boeren een nieuwe onderneming zoals een minicamping.’’

Opvolgers

Annemarie en Klaas, die is aangeschoven voor een kop koffie, zijn de opvolgers geworden van de boerderij in Uithuizen. Met de overname van het familiebedrijf Roebroek kunnen Annemarie en Klaas leven van het boerenbestaan, hoewel de boerin haar maatschappelijke carrière niet zomaar stop zal zetten. ,,Klaas heeft altijd achter mij gestaan en nu sta ik achter hem, maar de keuzes die we nog moeten maken zijn wel lastig.’’

Klaas zijn moeder komt de keuken binnenwandelen en loopt door naar boven. Er moet nog een babykamer worden aangekleed, boer en boerin zijn in verwachting. ,,Maar ik zet mijn maatschappelijke carrière niet zomaar stop’’, zegt Annemarie.

De aanstaande gezinsuitbreiding is wel een laatste zetje om naar de boerderij te verhuizen. ,,Je kunt dit werk niet vatten in een 40-urige week’’, zegt Annemarie. ,,Je hebt als boer een 80-urige werkweek, soms een 120-urige werkweek. Dat is prima als het ook je bestaan is, als je ook op de boerderij woont. ’s Avonds nog even een koeling aan of uitzetten, of de vrachtwagen die om half acht zou komen, maar om zeven uur al op het erf staat… dat is anders niet te doen, zelfs niet als je slechts twee kilometer verderop woont.’’

Klaas werkte jarenlang, naast het werk op de ouderlijke boerderij Nienhuis, voor het ministerie van Landbouw, maar geniet inmiddels van het volwaardige leven als boer. ,,Dat je in het voorjaar gaat zaaien en dan op een gegeven moment groen spul de grond uit ziet komen. Dat is toch machtig?’’ En dat de producten dan overal naartoe gaan, daar is-ie trots op.

Afgelopen zomer heeft-ie één keer de trekker uitgezet om in de slootwal te gaan zitten om te genieten van zijn met bloemzaad ingezaaide akkerranden. ,,Bijtjes, vlinders, andere insecten, prachtig. We zijn altijd aan het werk, maar voor zoiets moet je soms ook even tijd nemen.’’

Annemarie, met klem: ,,Eén keer deze zomer. Tien minuten.’’

Ze verbouwen pootaardappelen, bieten, graan, uien en wortels, hebben een vaste medewerker in dienst en een aantal parttimers. En pa Roebroek. ,,Hij heeft hier vijftig jaar geboerd’’, zegt Klaas. ,,Die man is een wandelende encyclopedie van dit gebied.’’

En kom daar nog eens om. Klaas merkt het in het dorp, op straat en op verjaardagen, waar steeds minder over het boerenbestaan wordt gesproken, omdat er steeds minder boeren zijn, mensen geen boeren meer in de familie hebben.

loading

Plattelandscultuur

Toch is met een simpel voorbeeld de plattelandscultuur te schetsen. Annemarie was betrokken bij zowel de organisatie van muziekfestival Eemspop in Uithuizen als van Kadepop in Groningen. ,,Dat laatste festival werd al gauw commercieel’’, zegt ze. ,,Hier in het dorp kan veel meer met gesloten beurzen. Boeren die de kisten leveren, een lokale loonwerker zorgt dat zand met een dumper naar het festivalterrein komt. In Groningen moesten we bedrijven inhuren.’’

Klaas zat wel in de bouwcommissie van Kadepop, maar die functioneert in een stad toch anders dan op het platteland. ,,In de stad heb je niet zomaar een heftruck om even iets te verplaatsen. Hier is het één telefoontje en je hebt er drie.’’

Maar, zegt Annemarie: ,,De cultuur verandert wel. Er komen meer stedelingen naar de dorpen en in de dorpen is steeds minder kennis van het boerenleven. Laatst in onze buurgemeente. Discussie over de pootaardappelteelt. Dat we hier in Noord-Groningen allemaal moeten gaan telen voor lokale consumptie. Kom op, als één boer voor lokale consumptie teelt kan de hele gemeente daar een jaar van eten. We zijn een exportland. Maar dan woon je dus op het platteland, zit je in het openbaar bestuur en heb je geen idee.’’

Imago van een boer

Nog een laatste keer over de kalender dan. ,,Het was echt heel leuk om te doen’’, zegt Annemarie. ,,Maar het verandert ons imago natuurlijk niks. En het hoort eigenlijk ook niet bij het imago van een boer om jezelf zo voorop te zetten. Een programma als Boer zoekt Vrouw, hoewel soms geromantiseerd, geeft veel meer een inkijkje in het boerenleven, denk ik.’’

,,Ik denk dat de kalender vooral in de boerenschuren, de kantines en de zuipketen hangt’’, zegt Klaas, desalniettemin trots op zijn vrouw. ,,Misschien moeten ze bij die kalender ook verhalen maken over het boerenbestaan.’’

menu