Schrijver Ynskje Penning uit Haren schrijft triologie over de oorlog van haar vader

Deze Nederlandse jongemannen worden bij de Royal Air Force in Groot-Brittannië opgeleid tot piloot.

In de trilogie Overleven van schrijver Ynskje Penning (70) uit Haren staat de oorlog van haar vader centraal. De drie delen vertellen de ervaringen van zeven Nederlandse mariniers tijdens de Tweede Wereldoorlog, waaronder die van Frans van Staalduinen, haar vader.

De Tweede Wereldoorlog, Ynskje Penning kan er lang en boeiend over vertellen. Over gevechten in de jungle, geheime vliegvelden van de geallieerden op Groenland en zeeslagen in de Koraalzee. Maar in het gezin waarin Ynskje Penning opgroeide, was het ‘O-woord’ taboe.

„Dat kwam eigenlijk door mijn moeder. In haar familie werd er niet over gesproken. Die had nogal wat meegemaakt, maar ik weet er dus niet alles van. Een van haar broers verbrak twintig jaar geleden het contact met een andere broer omdat hij over de oorlog begon te praten. Later hoorde ik dat de oom die er niet over wilde praten tijdens de oorlog vanwege zijn werk in het verzet in de gevangenis van Scheveningen zat.”

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Haar moeder zweeg het onderwerp dood. „Zij vond dat het leven gewoon verder ging. Mijn vader had als marinier van alles meegemaakt, maar hij mocht er dus van haar niks over zeggen. Bovendien moest hij van de marine tot zijn dood zwijgen over de geheime missies die hij had uitgevoerd. Hij vertelde wel anekdotes en dan gebeurde het wel eens dat hij zich versprak waardoor een tipje van de sluier werd opgelicht. Zo vertelde hij eens dat hij in zijn zwemvest in de Atlantische Oceaan dobberde terwijl hij schepen achter de horizon zag verdwijnen. Maar als ik dan vroeg hoe hij in het water was terechtgekomen, dan antwoordde hij dat het tijdens een oefening was gebeurd.”

Ze schudt haar hoofd. „Maar het schip waarop hij zat, was getorpedeerd en hij lag in het water te wachten totdat hij werd opgepikt. Hoe ik daar achter kwam? Niet door hem. Ik moest veel lezen, zelf verbanden leggen. Overleven is dan ook een combinatie van fictie en non-fictie.”

Mobilisatie

Enkele feiten: Frank van Staalduinen, die in het boek Frank van Yzerbergen heet, is in 1930 marinier derde klas. In de herfst van 1939 wordt hij op Aruba gedetacheerd. Hij en zes andere mariniers, onder wie zijn beste vriend Jan van Stokeren, zwaaien af op 1 september 1939. Frank wil met zijn verloofde, die nog in Groningen woont, een suikerplantage in Suriname beginnen. Van Stokeren begint een nieuw leven als verkoper van muziekinstrumenten in de zaak van zijn schoonvader.

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Maar vier dagen voor hun afzwaaien wordt de mobilisatie uitgeroepen. Ze blijven nog zeker tot een half jaar na de overgave van Duitsland en Japan in uniform. Van Stokeren, kortweg Stook genoemd, eindigt als een van de meest gedecoreerde mariniers ooit. En zijn vriend?

Frans van Staalduinen zwijgt. Maar nu is zijn verhaal dan toch eindelijk bekend. Althans, zoals Penning dit ziet. Een verhaal dat begon met de dodenherdenking van 1966. Want dan spreekt haar vader voor het eerst over de oorlog. Over zijn oorlog. Penning schrijft:

 

‘….Mijn moeder had zich een tijdje geleden versproken, waardoor ik iets te weten kwam over het tragische lot van mijn pake. In mijn geschiedenisboek stond als een schokkend bewijs van nazimisdaden, een foto van een enorme berg schoenen, zo groot als een flinke boerenschuur. Verbijsterd had ik de foto aan mijn ouders laten zien. ‘Moet je horen wat erbij staat!’

De geallieerden ontdekken het vernietigingskamp Neuengamme waar negentigduizend gevangenen zijn vermoord.

Mijn moeder had met groot onbehagen naar de foto gekeken. ‘Daar liggen ook de pantoffels van jouw pake bij!’ Geschrokken van haar eigen uitspraak was ze achteruit gedeinsd, had haar lippen stijf op elkaar geklemd, alsof deze bekentenis geheel tegen haar wil in uit haar mond was ontsnapt. ‘ (…)

Mijn moeder werd boos. ‘Wij zaten hier diep in de ellende. Jij was ver weg, veilig opgeborgen op het vredige Aruba. Jij hebt van de hele oorlog niets gemerkt, niets meegemaakt. Helemaal niets!’ Mijn moeders stem sloeg over van emotie. (…)

‘Je hebt me zelf verteld, dat je op Aruba onder een parasol zat met je benen in de zon en genoot van een goed glas whisky, terwijl mijn complete familie opgerold, aangeschoten en opgesloten werd in concentratiekampen. Trouwens ook jouw eigen familie. Niemand wist of ze nog leefden. Alles zijn we kwijtgeraakt! Alles! Niets hadden we meer!’ (…)

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Mijn vader ging rechtop zitten. ‘Dan wordt het hoog tijd dat jij je mening bijstelt. Ik heb de hele Tweede Wereldoorlog geheime post gevaren over de Atlantische Oceaan. Ik heb de Slag op de Atlantische Oceaan van het begin tot het eind meegemaakt. Bijna zes jaar lang. Ik ben enkele keren getorpedeerd geweest. Ik heb in vrijwel alle landen rond de Atlantische Oceaan missies moeten uitvoeren, vanaf de poolgebieden tot in de jungle van Afrika. Ik kan je verzekeren dat het een godsmirakels wonder is dat ik nog leef! En dan zeg jij dat ik niets van de oorlog weet en dat ik niets heb meegemaakt!’

Ik keek mijn vader geschokt aan. Dit was geheel nieuw voor mij. Mijn moeder zou daar toch meer over moeten weten. Ik wist dat ze in een blikken sigarendoosje in de linnenkast achter slot en grendel zorgvuldig de medailles van mijn vader bewaarde .’

Zwijgplicht

De hiaten in de verhalen van haar vader blijven knagen. Rond haar 25ste besluit ze om ze op te schrijven. Ze gaat grondig te werk en maakt vragenlijsten die ze aan haar vader voorlegt. „Hij begon dan ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer te schuiven. Een echt antwoord kreeg ik niet. Pas veel later begreep ik dat mariniers zwijgplicht hebben tot hun dood.”

Ze geeft haar pogingen – voorlopig – op. Haar vader overlijdt in 1982 op 74-jarige leeftijd. „Hij had de moed opgegeven en had er geen zin meer in.”

Ongeveer tien jaar geleden pikt ze de draad weer op. Ze schrijft: ‘Ik vond het een noodzaak, een plicht. Het was een verzuim dat rechtgezet en uit de vergetelheid gerukt behoorde te worden. Na dit besluit stond mijn hele leven inderdaad in het teken van de Tweede Wereld Oorlog. Alle reizen die ik maakte, alles wat ik las, vooral ’s nachts, wat ik uitzocht en schreef zeven dagen in de week… Het werd een fascinatie, een hartstocht, een intense belevenis van ongehoorde orde. Ook dit keer heb ik een paar keer op het punt gestaan met het hele project te stoppen. Het greep me te veel aan, het pakte me bij de strot. Het betrof mijn familie, mijn vader, van wie ik veel hield en op wie ik buitengewoon was gesteld. Nadat ik zijn naam in Frank van Yzerbergen veranderde, kon ik de nodige afstand nemen.’

Ze reisde van Spitsbergen naar Java, van Halifax in Canada naar Europa. „Mijn vader vertelde anekdotes over Eskimo's in Groenland, nijlpaarden in Afrika en de Queen Elizabeth. Zo kwam ik erachter dat hij ook nog voor de marine vliegtuigen naar Groenland had gevlogen, op missie in Afrika zat en veel met het troepentransportschip de Queen Elizabeth heeft gereisd.”

(Tekst leest door onder de foto)

loading

Ze zwierf over de slagvelden van Europa, dook onder in archieven, slenterde door musea en las, las en las. „Ik denk dat ik wel honderden boeken heb gelezen.” Het boek is dan ook doorspekt met vele kleine weetjes voor de fijnproever. Een voorbeeld:

 

Op 9 april 1941, precies een jaar na de Duitse inval in Denemarken, ondertekenen de Deense ambassadeur Henrik Kaufmann en de Amerikaanse regering in Washington een overeenkomst. Het verdrag houdt in dat Groenland zolang de oorlog duurt een Amerikaans protectoraat is. De Amerikanen mogen ongelimiteerd gebruik maken van Groenland om havens en vliegvelden aan te leggen en troepen te stationeren. Na de oorlog moet Groenland schoon opgeleverd worden. Ambassadeur Kaufmann is van mening dat de Deense koning dit zo gewild zou hebben. Groenland wordt weer bevoorraad, nu door de USA. De USA Coast Guard krijgt de leiding over de defensie van Groenland en begint in juni 1941 onder de naam U.S. Greenland Patrol onder leiding van ‘Iceberg’ Smith met patrouilleren, konvooien assisteren, reddingsacties ondernemen en de bouw van Duitse weerstations voorkomen.

De Groenlandse gouverneur Brun is bang voor nieuwe Duitse infiltratiepogingen op de lange, koude, ontoegankelijk en nauwelijks bewoonde oostkust. Brun richt een militaire eenheid op van zo’n 15 personen (later uitgebreid tot zo’n 75 man). Het zijn voornamelijk Deense en Noorse pelsjagers aangevuld met Inuit, die allen de verlaten eenzaamheid in de arctische wildernis kennen en kunnen reizen met weinig bagage en voorraden. Ze opereren onder de naam: The Greenland Sledge Patroll (ook wel The Sirius Patroll genoemd). Deze sledebrigade wordt voorzien van radio-installaties en geweren. De pelsjagers krijgen de opdracht tijdens hun maandenlange hondensledenpatrouilles eventuele ongeregeldheden onmiddellijk via de radio te melden, zodat de USA in actie kan komen. Het hoofdkwartier van de hondenslede brigade wordt Eskimones, een voormalige trappershut. In de zomer van 1941 wordt de hut door de bemanning van een Coast Guard kotter uitgebreid en aangepast en voor een jaar bevoorraad .’

Inzicht

Penning leerde niet alleen over haar vader en de oorlog. Ze kreeg ook inzicht in de gevolgen van de oorlog voor de soldaten. „De verschrikkingen waar ze mee te maken krijgen, de trauma’s, het onbegrip van de maatschappij. Dat zo’n commando als Marco Kroon doorslaat begrijp ik wel.”

Haar vader heeft moeite na de oorlog zijn rust te vinden. „Later begreep ik dat hij mede vanwege zijn werk voor geheime diensten bang was dat hij door een dienst van een ander land zou worden omgelegd. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar hij verkeerde eigenlijk zes jaar lang in levensgevaar.”

In 1953 meldt hij zich voor een missie naar Nieuw-Guinea. „Hij zat daar ontzettend geïsoleerd. Toen hij terugkwam, was hij een stuk rustiger.”

Ze heeft tientallen boeken op haar naam staan. „Ik denk een stuk of zeventig. Maar ik denk dat ik eerst al die boeken heb moeten schrijven zodat ik eindelijk dit boek kon schrijven.”

De foto's in dit artikel zijn afkomstig uit de privécollectie van Ynskje Penning en de collectie NIMH.

menu