De Martinitoren stond na de gevechten als door een wonder nog recht overeind.

De oorlog van oorlogschroniqueur Jan A. Niemeijer ut Groningen

De Martinitoren stond na de gevechten als door een wonder nog recht overeind. Foto Brouwer, Groninger Archieven/Oorlogs- en Verzetscentrum Groningen.

Oorlogschroniqueur Jan A. Niemeijer (86) uit Groningen heeft enkele boeken over Groningen, waaronder over de oorlog, op zijn naam staan. Nu vertelt hij over zijn eigen oorlog.

Voor de deur van ons huis lag een Duitse soldaat. Hij was dood. Zijn gezicht was ijselijk wit en van onder zijn groene uniform sijpelde bloed .

Het zijn de eerste regels in het boek Donkere stad dat Jan A. Niemeijer in 1970 speciaal voor de jeugd van Groningen schreef.

,,Ik kom uit een gezin van zeven kinderen en ik ben de een na oudste. We woonden aan de Turfsingel. Mijn vader zat in de verzekeringen. Zijn kantoor was op de Grote Markt. We werden niet uitgesproken streng opgevoed. We waren kerkelijk, lid van de gereformeerde kerk.

Mijn eerste herinnering aan de eerste oorlogsdag is dat we ’s morgens met zijn allen aan de ontbijttafel zaten. We stonden op het punt naar school te gaan. Er werd gebeld en een oom en tante stonden voor de deur. Ze waren allebei overstuur, dat herinner ik me nog heel duidelijk. ‘Weten jullie het al?’ vroegen ze. ‘Het is oorlog.’ Mijn tante huilde. Het maakte op mij als kind een grote indruk. Echt snappen deed je het natuurlijk niet, maar we begrepen wel dat er iets heel ernstigs was gebeurd. Een volwassene die huilde?

We zijn toch nog gewoon naar school gegaan. Dezelfde avond speelden we zoals zo vaak op het Martinikerkhof. Op de ramen van huizen en winkels was plakband geplakt. Mocht het glas stuk kapot raken, dan vlogen er geen scherven in het rond. Dezelfde dag nog reden Duitse militaire voertuigen de Grote Markt op en bleven op strategische punten staan. Mensen stonden wel te kijken, maar het was best rustig. De bezetting was begonnen.”

Steeds meer tekorten

Het gezin leeft zo goed en zo kwaad als het kan zijn leven tijdens de bezettingsjaren. ,,We leden geen honger, maar je merkte gewoon dat er steeds meer tekorten kwamen. De etalages en de schappen van de winkels raakten leeg. Veel voedsel was niet meer te krijgen en tal van producten zoals koffie, thee en zeep werden door surrogaten vervangen.’’

loading  

In Donkere stad schrijft hij: ‘Het brood dat je nog kon krijgen was heel grauw en het beleg bestond uit worteljam of een vreemd smakend oliesmeerseltje. Mijn moeder braadde groene erwten in de panen ze maakte ‘kekaigies’, een soort suikerballetjes, zodat we in ieder geval nog wat te knabbelen hadden.’

„Voor de bijna lege winkels stonden vaak rijen mensen. Als een winkelier weer wat voorraad gekregen had, ging dit nieuws als een lopend vuurtje rond. En voor dag en dauw stonden klanten te wachten. Soms urenlang. Als kind heb ik eens een hele poos bij een muziekwinkel gestaan waar ze een partijtje mondharmonica’s hadden gekregen. Stapje voor stapje schoof de lange rij op. Brutalen probeerden voor te dringen, maar ze werden door de anderen wel tot de orde geroepen. Na zeker twee uur te hebben gewacht stond ik in het portiek. Het doel was bijna bereikt! Reikhalzend probeerde ik al in de winkel te kijken. Op dat moment kwam de eigenaar naar buiten en zei: ‘Het spijt me heel erg, we zijn uitverkocht’.”

Lange fietstochten

Zijn vader reisde vaak naar het platteland om voedsel bij de boeren te halen. ,,Ik moest er ook op uit voor melk. Ik had twee emaillen kruikjes bij me waarmee ik naar een boer in Oosterhoogebrug fietste. Maar er waren op den duur zoveel kapers op de kust dat er niks meer te krijgen was. Tijdens de laatste oorlogswinter fietste ik of mijn broer helemaal naar Stitswerd, een tocht van 17 kilometer, waar een bevriende boer van mijn vader woonde. Daar konden we nog melk krijgen. Dat waren lange en barre fietstochten zo langs die kale Wolddijk. Landerijen waren onder water gezet om de opmars van de geallieerden te vertragen. Er was nog een smalle corridor waar je doorheen kon. En er was altijd de angst dat je melk bij terugkomst door een Nederlandse landwachter in beslag werd genomen.’’

Hij gaat niet meer naar school. ,,Ik zou in het laatste schooljaar naar de zesde klas gaan, maar het is er niet meer van gekomen. In onze school werden evacués uit Limburg opgevangen.’ Veel inwoners uit Limburg vluchtten eind 1944 vanwege de gevechten tussen de Duitsers en de geallieerden naar het Noorden. Ze moesten soms dagenlang lopen.

,,We kregen huiswerk mee, moest ik thuis sommetjes maken. Maar ik ging liever op strooptocht met mijn vriendjes. Gingen we hout zoeken en bomen omzagen, want er was ook geen brandstof meer. Op den duur waren alle bomen in de straten verdwenen. Het voelde erg beklemmend. Er was vaak geen elektriciteit en het werd donker in huis. We moesten het met van die kleine oliepitjes doen, heel spookachtig eigenlijk. Als jongetje van 11 vond ik dat heel bedreigend.’’

Iedereen moest naar huis

Het wordt druk in het huis aan de Turfsingel. ,,De moeder en een zus van mijn vader woonden ook in ons huis. En een oom en tante met drie kinderen die uit Utrecht waren gevlucht zaten ook bij ons toen de gevechten om de stad begonnen. We waren in totaal met veertien personen.’’

Vrijdag 13 april naderen Canadese tanks vanuit Eelderwolde de stad. ,,Ik en mijn broer Stefan waren nog ver van huis. Opeens reden er auto’s met luidsprekers door de straten. De gevechten begonnen en iedereen moest naar huis. Wie nog op straat was, zou worden doodgeschoten. Als je het niet deed, werd je doodgeschoten. Wij renden naar huis, de straten waren bijna helemaal leeg.

We gingen die avond nog gewoon naar bed, we legden matrassen beneden in de gang en in de kelder. Maar van slapen kwam niet veel. De hele nacht hoorde je het gieren van granaten. Ieeeeehieeeeeeeee. En dan een knal. Ik dacht: als er zo’n granaat op ons huis komt, dan overleven we het niet. Pas later begreep ik dat de geallieerden op de noordkant van de stad schoten om te voorkomen dat de Duitsers via die weg vluchtten. Die huilende granaten maakten ons bang.

Zaterdag waren er ook gevechten, maar daar hebben wij niet veel van gemerkt. We zagen wel dat hoog boven de stad een vliegtuigje rondcirkelde. Dat gaf aanwijzingen aan de artillerie waar ze op moesten schieten.

Zondag werd het pas echt beangstigend. Wat was ik bang. Overal hoorde je het geknetter van geweren en mitrailleurs. En dan die brand, die enorme brand die de binnenstad teisterde. We gingen heel even naar boven om te kijken. Levensgevaarlijk, maar we moesten het gewoon zien. Daar stonden we even op het balkon. Je snapte nauwelijks wat je zag. De stad brandde als een fakkel, huizenhoge huilende vlammen, zwarte rookwolken. Het was een … een inferno. En zo dichtbij. Zo dichtbij. Misschien kwam het nog wel dichterbij.’’

De bel van de voordeur rinkelt. ,,Ik was een kind, maar ik weet nog dat ik dacht: ‘wie is er zo krankzinnig om op dit moment bij ons aan te bellen? Er stonden twee Duitsers met getrokken wapens op straat. ‘Terroristen’, schreeuwden ze. Ze wilden het huis doorzoeken. Hebben ze ook gedaan, maar ze vonden niks en vertrokken weer. Het schieten ging intussen maar door. We zaten met zijn allen in de kelder, dicht tegen elkaar aangedrukt.

Het huis ontvluchten

„De volgende dag, waren de gevechten nog niet voorbij. Ons huis kwam ook in de vuurlinie terecht en we hoorden de kogels bij tientallen in de muren slaan. In de kelder hoorden we het glasgerinkel van de kapotgeschoten ramen. Wat moesten we doen? Blijven zitten of toch vluchten? Misschien werd het nog erger. Tot onze schrik ontdekten we dat de gordijnen in het benedenhuis in brand waren geraakt. De ouderen besloten dat we het huis moesten ontvluchten.

loading  

Mijn vader ging aan de achterkant van het huis kijken en zag dat er vlakbij een woning in brand stond. Zou het vuur ons ook bereiken? De gordijnen stonden intussen in brand. We moeten hier weg, besloten we. Mijn vader bond een witten kussensloop aan een stok. We moesten allemaal extra kleren aantrekken voor het geval we moesten vluchten en van elkaar gescheiden werden. Daar stonden we in de hal, mijn vader wilde net de deur opendoen. En toen zagen we door de ruitjes in de voordeur het rood-wit-blauw van de Nederlandse vlag die iemand aan zijn huis had gehangen. We deden de deur open en er reed net een auto van de Binnenlandse Strijdkrachten aan de overkant van het kanaal. Dit was het! We waren vrij!

Het eerste wat me opviel was dat in de lucht een fijn, rood stof zweefde. Dat kwam van de kapotgeschoten muren. En daarna zagen we al heel snel de dode Duitse soldaat liggen, vlak voor onze deur. Volgens mij was het een SS’er. Het bloed gutste uit zijn lichaam.’’

De eerste Canadese soldaten

We hadden niet veel tijd om erbij stil te staan. De Duitsers hadden de Maagdenbrug omhoog gedraaid de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten riepen naar ons: ‘Kan die brug niet naar beneden?’ Mijn broer Stefan en ik renden erheen. Het wiel waarmee de brug naar beneden gedraaid moest worden, was met een ketting vastgezet. Mijn broer rende terug naar huis, haalde een bijl sloeg het slot stuk. Daarna hebben we samen aan het wiel gedraaid waardoor de brug zakte. Toen-ie helemaal beneden was, reed de auto van de de Binnenlandse strijdkrachten er meteen overheen. Daarna zagen we de eerste Canadese soldaten. Kleine mannen met platte helmen en mitrailleurs in de handen. Een van hen bukte bij de dode Duitser, pakte hem zijn pistool af en ze renden weer verder.

Een garagehouder uit de buurt had een band van de BS omgedaan. Hij droeg een geweer en liep naar het huis van onze buren. Hij gooide de deur open en riep in het Duits dat ze eruit moesten komen. Even later kwamen vijf of zes Duitse soldaten met de handen omhoog naar buiten. Ze hadden van die lange soldatenjassen aan. Ik vond dat zo dapper van die man. De Duitsers waren vijf jaar lang oppermachtig geweest. En daar liepen ze nu met ongeschoren gezichten en de handen omhoog.

De Grote Markt was veranderd in een ruïne

Er stond vlak bij ons een pand in brand. Buurtgenoten probeerden te blussen. Ik mocht ook mee in de rij staan om emmertjes water uit het kanaal door te geven. Later liep ik naar de Grote Markt. Ik wilde heel graag weten hoe het er daar nu uitzag.

Toen ik door de Ebbingestraat liep en dichter bij de Grote Markt kwam zag ik dat winkelpanden over een grote lengte in de as waren gelegd. De straat was met grote brokken puin bedekt. Ik mocht niet verder, mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten hielden me tegen. Langs een sluiproute bereikte ik de Grote Markt toch. Wat ik zag, was verbijsterend. De Grote Markt was grotendeels veranderd in een ruïne. Tal van historische panden waren in vlammen opgegaan. Alleen de geblakerde muren stonden nog overeind. Ik liep er verdwaasd rond, hoe kon dit gebeuren. Maar plotseling viel mijn oog op de Martinitoren. Hij stond er nog, hij had de beschietingen en de immense vuurzee overleefd.’’

menu