De medewerkers in het UMCG. Een serie portretten van Kees van de Veen.

Als het mondkapje af mag: deze 22 zorgmedewerkers vertellen over hun uitputtende coronadienst in het UMCG

De medewerkers in het UMCG. Een serie portretten van Kees van de Veen.

Het was spannend, is emotioneel soms zwaar, maar goed te doen. Werken met mensen die besmet zijn met het corona-virus laat niemand in het Universitair Medisch Centrum Groningen echter onberoerd. Fotograaf Kees van de Veen en verslaggevers Arnoud Bodde en Bas van Sluis vingen medewerkers op na afloop van hun dienst.

loading

1. Lisanne Hut-Mossel (31 jaar) uit Groningen, verpleegkundige Covid-afdeling A1 (normaal infectieziekten)

„Patiënten die echt heel snel overlijden hebben toch wel de meeste indruk op mij gemaakt. De eerste op deze afdeling weet ik nog goed. Die ging binnen vijf minuten. Ik had haar uit bed gehaald om op de bedrand te zitten en wat te eten. Tussen haar benauwd zijn in lukte het haar wel. Ik dacht toen nog: misschien krabbelt ze wel weer op. Vijf minuten later belde ze op om te zeggen dat ze zo benauwd was. Toen ik aankwam, zag ik het direct en heb de arts erbij geroepen.

Aan het bed hebben we besloten om een beetje morfine te geven, maar ik had de spuit nog niet of ze was al weg. Gewoon weggegleden. Echt enorm snel. Terwijl ik erbij stond. Ze is 64 jaar geworden. Dat is niet oud. Ik kan het allemaal wel beredeneren maar het voelt niet goed. Op zo’n moment kun je dan niks doen. Alsof het puur het lot is dat beslist: red je het of niet.”

loading

2. Robin Jansen (27 jaar) uit Groningen, ic-verpleegkundige

„We hadden een patiënt van wie we dachten dat die aan het opknappen was. Dus we wilden de beademingsbuis verwijderen, detubatie heet dat. Daar had iedereen wel een goed gevoel bij. De cijfertjes leken goed. We halen die beademingsbuis eruit en binnen acht uur is die patiënt helemaal, zoals wij dat noemen, ingekacheld. Hij moest dus weer geïntubeerd worden en het was zo erg dat hij ook gelijk weer op de buik moest liggen. Dan ben je er echt slecht aan toe. Soms verslechteren patiënten gewoon in enkele minuten.

Mijn vriendin is ook verpleegkundige en thuis kan ik vertellen wat ik heb meegemaakt. Dat is een goede uitlaatklep en is soms ook echt wel nodig. Vooral wanneer er jongere mensen bij betrokken zijn.

Onze patiënten mochten tot vorige week geen bezoek ontvangen dus er is heel veel geskyped en er hangen veel foto’s bij de bedden.

Een jonge vader bijvoorbeeld, in slaap en beademd, met kleine kinderen op de foto bij zijn bed. En terwijl ze met elkaar aan het skypen zijn, vraagt een van de kinderen: wordt papa nog wel wakker? En dan wil je zo graag ja zeggen. Maar je zegt eerlijk: We hopen het wel, maar weten het niet. Dat zijn van die momenten die erin hakken bij mij.”

loading

3. Ethel Metz (45) uit Eelderwolde, intensivist ic

„Ik voer via FaceTime of de telefoon heel zware gesprekken. Normaal zit je dicht bij elkaar. Dan kun je een zakdoekje geven. Of even een arm om de schouder slaan. Nu we dit via de telefoon moeten doen is dat emotioneel nog zwaarder. Af en toe neem ik het werk ook echt wel mee naar huis. We zien hier in het UMCG toch veel relatief jonge mensen overlijden. Dat was voor de corona-uitbraak ook al zo. In het team hebben we dan echt steun aan elkaar. Natuurlijk, de dood hoort bij het leven, maar er zijn gewoon momenten dat het je echt, echt, raakt.

Zoals bij een meneer bij wie we de behandeling moesten stoppen. Zijn zoon kon nog net langskomen om afscheid te nemen. Maar zijn vrouw lag ook op een Covid-afdeling en die moest via FaceTime bij het afscheid zijn. In een normale situatie verplaatsen we zo’n patiënt naar een kamertje apart. Maar dat kon nu niet. Je wilt niet dat er een virusverspreiding is. En dan ligt iemand, op zo’n intiem moment, op zaal met een gordijntje dicht.

Onmenselijk, vind ik. We kunnen mensen vaak niet beter maken, maar we proberen het afscheid zo goed mogelijk te maken, zodat mensen verder kunnen. Tuurlijk, gezien de situatie hebben we wel alles gedaan wat we konden. Maar zelf had ik daar moeite mee. Ja, dan vloeit er bij mij ook wel een traan. De volgende dag was ik vrij en heb ik alle kinderen uit de buurt geschminkt. In allerlei beesten die ze wilden worden. Even de zinnen verzetten.

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet alleen kommer en kwel. We zijn hier ook vrolijk en wat we doen, dat doen we met hart en ziel. Er gaat misschien wel 17 procent dood van onze patiënten, maar 83 procent wordt beter, doordat we ze behandelen. Die mensen waren anders waarschijnlijk overleden.”

loading

4. Bathzeba Picarima (35) uit Groningen, zorgassistent ic

„Hoe mijn dag was? Die verliep wel kalm. Ik liep met een rustig gevoel de ic af. Ook omdat er twee patiënten terug naar de verpleegafdeling zijn gegaan. Dat geeft rust. In mijn hoofd, in mijn lijf.

Deze crisis begon heel erg hectisch, omdat niemand wist wat ons te wachten stond. Daarna, toen iedereen zijn draai had gevonden, werd het rustiger. Nu weet iedereen hoe het gaat.

Ik stap straks op mijn fiets en rijd in een kwartiertje naar huis. Koptelefoon op, standje doof. Om even nergens aan te denken. En dan kom ik op een stuk waar ik toch bijna niemand tegenkom en zing ik heel hard mee. Ha. Ja, als ik toch iemand tegen kom, pech gehad. Whatever. Ik zet mijn playlist aan en hoor wel wat er komt.

Wanneer ik thuiskom eet ik wat en ga ik naar bed. Maar dan slaap ik wel goed. In het begin van de crisis had ik er wat moeite mee, maar nu ik in dit ritme zit, gaat het wel.”

loading

5. Brigitte Beuks (57) uit Groningen, ic-verpleegkundige

„Ik werk al sinds 1991 als ic-verpleegkundige, maar zoiets als dit heb ik nog nooit meegemaakt. Misschien had de vuurwerkramp van Enschede of de brand in dat café in Volendam toen ook zo’n impact op iedereen. Toen lagen er ook in een klap veel mensen op de intensive care.

Mensen die bij ons op de afdeling liggen, zijn echt heel erg ziek. Zulke zieke mensen zien we normaal gesproken maar een paar keer per jaar. Nu ligt er gewoon een hele rij.

Ik merk wel dat ik na twee maanden werken in deze crisis wel moe word. Of vermoeider. Ik werk nu ook meer dan ik gewend ben, maar voel me ook gezegend. Want dit is niet te vergelijken met Brabant. En al helemaal niet met Italië en Spanje. Ja, ik voel me moe. Maar dan denk ik: ach, waar hebben we het over. Dat gaat ook wel weer over.”

loading

6. Diana Huizinga (32) uit Groningen, instructeur schoonmaak

„De zondag dat het bericht kwam dat zes medewerkers van het UMCG ook besmet waren, was wel een hectische dag. Ik zou een halve dag werken, maar ik ben nog een paar uur gebleven, voor mentale ondersteuning. Er hing een onrustige sfeer in het ziekenhuis.

Bij schoonmaken kan iedereen zich wel iets voorstellen, maar ons werk is iets ingewikkelder. Als wij ons werk niet goed doen, kunnen mensen ziek worden. Er zijn echt heel strenge protocollen waaraan we ons moeten houden. Het is niet alleen vuil weghalen, het is ook desinfecterend schoonmaken. Micro-organismen onschadelijk maken. En die zie je niet.

Mijn collega Rachelle en ik geven instructies aan nieuwe medewerkers, zijn voor vragen voor onze collega’s bereikbaar, ‘wat is al schoon, wat moet nog gebeuren?’ En daarnaast maken we zelf ook veel schoon. Het is een drukke functie, zeker op de corona-afdelingen. Ik heb laatst na een heel weekend desinfecteren met chloor mijn leidinggevende gebeld en gezegd, ik moet even één dag van de corona-afdelingen af, want ik was helemaal leeg. Helemaal kapot.

Aan patiënten die net van de ic af komen zie ik wel dat ze ver weg zijn en lang moeten herstellen. Als ik vertel dat ik kom schoonmaken, knikken ze even en dommelen ze weer weg. Met sommigen praat je meer. Laatst een man uit het Zuiden die hier al wat langer lag en van alles wilde weten over Groningen. Maar ik heb ook met een patiënt gesproken die het eng vond om vanuit hier weer terug te gaan naar huis, naar het Zuiden, besmet gebied, zeg maar. Dat heeft wel indruk gemaakt. Die werd wakker in Groningen en durfde niet meer terug.”

loading

7. Lianne Hidding (29) uit Winschoten, verpleegkundige op de spoedeisende hulp

„Bij ons op de spoed liep het ons geen moment over de schoenen. We werken als collega’s echt als een team en iedereen is bereid om extra te werken.

Als een patiënt ja zegt op de vraag of-ie niest of hoest of kortademig is of koorts heeft, dan wordt hij of zij door ons als Covid-verdacht gezien. En dan moet een patiënt in isolatie. Dat betekent voor ons ook dat wij ons in volledige beschermende bepakking moeten hijsen. Dat is wel zwaar hoor. Steeds maar aan- en uitkleden.

De Spoedeisende hulp is echt een tussenstation. Ze gaan van ons naar de verpleegafdeling. Of naar huis. Of naar de intensive care. Wij zien patiënten maar een aantal uren. Ik ben soms wel benieuwd: had deze persoon nou wel of geen corona? En hoe loopt dat af? Je wilt toch weten of het goed is afgelopen. Maar wij leren daar wel goed mee omgaan.”

loading

8. Esmée Koster (23 jaar) uit Groningen, verpleegkundige Covid-afdeling A1 (normaal infectieziekten)

„Stel jezelf eens voor dat je weken in het ziekenhuis ligt en er mag niemand langskomen om je te bezoeken. Dat is superschrijnend. Gelukkig kunnen we nog beeldbellen. Ik hou dan vaak de telefoon vast en dan merk ik gewoon bij zo’n emotioneel moment dat het ook echt wat met mij doet. Dan sta ik ook met tranen in de ogen er naast. Echt wel pittig. Zelfs na twee maanden.

Ik slaap wel minder goed dan normaal. Ik denk over van alles na. Mijn ouders zijn in principe gezond. Maar hier liggen veel mensen die eerst ook heel gezond waren. En toch hebben ze op de intensive care gelegen. Dan denk ik wel: goh ja, dat kan ook gebeuren bij mijn ouders. Of mijn vrienden. Daar denk ik dan nog wel aan. Dat houd je soms wakker.”

loading

9. Astrid van der Velde (52) uit Hoogezand, zorgassistent ic

„Ik kom net uit een late dienst. Van drie tot half twaalf. Zwaar. Dat is het iedere keer. Uitkleden, aankleden, uitkleden, aankleden. En dat masker op. Dat maakt het ademen heel zwaar. Maar je gaat gewoon door, want het is je werk.

Als ik in de auto naar huis rijd gaat heel hard de muziek aan. Mijn hoofd moet leeg. En dat lukt niet altijd. Dan kom ik thuis, praat ik tegen mijn hondje. Ik heb ook weleens slapeloze nachten.

Wat voor muziek? Wat er maar op is. Als het maar hard is. Automatisch rijd je dan ook wat harder. Dat is om iets kwijt te raken, denk ik. Emoties een beetje los te laten. En als je zo wat meedeint met de muziek gaat dat wel een beetje. Want ik raak alles niet kwijt in dat kleine stukje lopen van de afdeling naar de auto.

Wat voor emoties? Frustratie, denk ik. Heel veel. Ik huil wel in mezelf. Dat ik denk: daar gaat weer iemand. En als er dan iemand teruggaat naar de zaal, naar de verpleegafdeling, ja, daar doe je het voor. En al die kaartjes die we hier krijgen. Prachtig. Dat vind ik echt heel mooi. Van onbekende mensen, van kinderen. Ik lees ze graag.

Hoe lang ik dit volhoud? Tot we er bij neervallen, denk ik. Ja. Zo is het. Je bent er voor de patiënt. Daar op de deur staat dat je naar de psycholoog kan, maar nee, daar ga ik niet heen. Ik los dingen liever zelf op. De ene keer gaat het goed en de andere keer wordt het me te veel en dan trek ik me terug. Gewoon even alleen, even in het kantoortje. Dan gaan al die radertjes werken en vloeien er weleens tranen. Maar ik wil andere mensen daar eigenlijk niet mee lastig vallen. Ik ben wel een binnenvetter, ja. En als het te lang duurt, dan barst de bom een keer. Maar we komen er wel doorheen.”

loading

10. Franka Bril (27) uit Wagenborgen, ic-verpleegkundige

„Aan het begin van de dienst is er nog een psycholoog langs geweest om aan te geven dat ze bereikbaar en beschikbaar zijn voor ons. Bijvoorbeeld bij slapeloosheid en vermoeidheid. Ik ben vermoeid. En prikkelbaar. Ik heb weinig geduld voor mijn omgeving. Eigenlijk merk ik dat op alle gebieden ... nou ja, poke the bear . Ik grom heel gauw nu.

Ik heb wel last van het crisisrooster. Drie dagen werken overdag. Een dag vrij. Twee of drie late diensten. Een dag vrij. Twee nachtdiensten. En dan een of twee dagen vrij. Dat betekent dat je ’s ochtends om half acht uit de dienst komt. Die dag heb je dan vrij, maar slaap je overdag. En dan heb je alweer een dagdienst. En ik kan dat niet. Zo snel schakelen. Normaal werk ik zeven dagen achter elkaar, maar daarna ben ik dan twee, drie soms vier dagen vrij. Om even bij te tanken. En dat bijtankmoment is korter geworden.

Soms zijn er blije momenten. Soms verdrietig. Jonge kinderen die hun papa of mama al heel lang niet gezien hebben en alleen via Skype even naar ze kunnen kijken. Met de smeekbede dat ze hopen dat het goedkomt. Daar sta je dan bij. Dan zou ik zo graag willen zeggen dat het goed komt.

En ze zijn zo lang zo ziek, veel langer dan normaal. Wekenlang 40 graden koorts. Veel op de buik liggen. Ik ben ook echt wel bang voor mijn ouders. En zij zijn ook bang voor mij. Ze wonen een dorpje verderop. Het is bij ons echt hashtag anderhalve meter. Ik moet er niet aan denken dat mijn ouders hier komen te liggen.

Laatst hadden we een jongen van 29 jaar met Covid-19 aan de hart-longmachine liggen. Slechts twee jaar ouder dan ik. Hij had nog nooit wat gehad. Ik weet niet eens of hij het wel gered heeft.”

loading

11. Anna Völke (28) uit Groningen, sinds februari ic-verpleegkundige

„Ik krijg het wel direct voor de kiezen ja. Ik ga vaak ontspannen naar het werk. Maar soms voel ik wel de spanning: wat tref ik vandaag aan?

Mijn patiënt was een beetje wakker. Dus haar narcose was heel laag en dan kan ze globaal wat antwoord geven. Ja knikken. Nee schudden. Maar in de loop van de ochtend werd ze steeds slechter. Haar zuurstofgehalte in het bloed ging heel snel omlaag. Dus we hebben haar weer dieper in slaap gebracht en op de buik gedraaid. Dat was echt heel spannend. Want het moest heel snel gebeuren.

Het werk achtervolgt je gewoon. Overal gaat het over Covid. Ik kom er niet meer los van. Mijn vriend begrijpt het gelukkig. Hij heeft zelf ook op de ic gewerkt.

Veel mensen hebben geen idee wat hier gebeurt. Als mensen buiten dan geen afstand houden, ja, dan raakt me dat wel. Dan word ik soms boos. Begrijp me niet verkeerd: ik heb er ook behoefte aan om een terrasje te pakken, maar toch krijg ik een knoop in mijn maag als ik eraan denk.”

loading

12. Jaap Haas (61 jaar) uit Ruischerbrug, Groningen, senior-verpleegkundige Covid-afdeling A1 (normaal thorax-chirugie)

„Mensen komen inmiddels wat beter terug van de intensive care. We hebben al aardig wat mensen naar huis kunnen laten gaan. Of naar een revalidatiecentrum. Dat doet goed. Dat mensen ook echt wel kunnen opknappen.”

Omdat ik al wat langer in het vak zit, heb ik wel geleerd om de knop om te kunnen draaien. Oké, Jaap, dit is gebeurd. Bijvoorbeeld als er iemand is overleden. Ik kan dat relativeren. Dat is puur ervaring. Veel van de Covidpatiënten zijn ver van hun huis. Ik heb nu een mevrouw uit Rotterdam die behoefte heeft aan sociaal contact. Aan een praatje. Daar ga ik dan geregeld even bij zitten. Ook dat is verpleging.”

loading

13. Marije Smit (45) uit Groningen, intensivist ic

„Toen ik las over een Chinese arts die was overleden aan Covid-19 en later ook nog een prominente Italiaanse arts heb ik het nieuws uitgezet, want ik wilde het even niet weten. Op een gegeven moment vroeg mijn oudste of er in het UMCG mensen waren overleden aan Covid. Zonder er bij na te denken heb ik ja gezegd. Mijn dochtertje haakte opeens geschrokken aan. Ze wilde weten of er bij ons ook dokters waren overleden. Ik heb uitgelegd dat alleen zieke mensen overlijden en dokters niet.

In het begin was het spannend. Na weken van voorbereidingen zijn we op een zaterdag met drie ic-ambulanceteams de hele dag op en neer naar Brabant gereden om patiënten op te halen. Bij ons in het UMCG was het nog rustig terwijl het in Brabant al enorm druk was. Het was fijn om eindelijk iets te kunnen doen. Waarom spannend? Je hebt nog geen ervaring met het ziektebeeld en je draagt speciale kleding en een mondkapje om jezelf te beschermen.

Nu zijn we het gewend. We hebben met de intensivisten een tijd gewerkt in 12-uursdiensten waarbij er geen verschil was tussen weekdagen en weekend. Ik raakte zelf de tijd een beetje kwijt. Ik heb een mevrouw die net wakker werd naar eer en geweten verteld dat ze in het UMCG lag en dat het vrijdag was. Gelukkig stond er een collega naast me die zei: ‘Nee, het is vandaag donderdag’. Hard werken vind ik prima, maar ik stel er ook prijs op om mijn gezin geregeld te zien. Inmiddels is er wat meer ruimte voor vrije dagen tussendoor.

Ik ben blij dat de kinderen weer naar school mogen en ook dat ze weer mogen sporten. Van die eerste stap geloof ik wel dat het veilig kan. Maar als je dan op het nieuws hoort over een trein van Weesp naar Amsterdam die overvol zit en dat niemand wil uitstappen totdat de politie komt. Ja, dan maak ik me wel zorgen.”

loading

14. Stijntje Bouma (35 jaar) uit Niekerk, verpleegkundige Covid-afdeling A1 (werkt normaal gesproken op de afdeling longziekten)

„De buitenwereld heeft nog steeds geen idee. Het thuisfront vindt het wel echt spannend dat ik deze kant opging. Want je staat toch echt wel dicht bij de vuurhaard. O jee, als jij het dan maar niet krijgt, zeiden de kinderen. ‘Mama, straks word je ook ziek’. Maar, ik ben een nuchter persoon. Heb ook gezegd: ik ben hier in het ziekenhuis het beste beschermd. Ik loop meer risico in de supermarkt, denk ik.

Je bent in het ziekenhuis ook bewuster bezig. Je kleedt je aan in het beschermende pak. Je desinfecteert om de haverklap. En door er thuis veel en goed over te praten staat het thuisfront hier ook achter. Mijn ouders, zestigers, staan voor mij klaar, door op de kinderen te passen als mijn man ook werkt. Zij zeggen ook wel: zo lang jij kunt klaarstaan voor de Covidpatiënten, willen wij voor jou klaarstaan.

Waar ik nog weleens aan moet denken is de patiënt die op sterven lag en via videobellen, via WhatsApp, nog even heeft gezwaaid naar zijn familie. Drie kwartier later was hij overleden. Dat was wel… dat was mijn eerste dag hier. Deze man had er bewust voor gekozen om niet naar de ic te gaan, maar zijn familie had dat wel graag gewild. Dus dat was wel… ja… dat ik dacht: jeetje, als dit week in week uit zo gaat dan wordt het wel heftig. Het is alleen de eerste twee weken zo gegaan. Dat ze echt onder mijn handen doodgingen. Normaal gesproken overlijden er ook wel patiënten tijdens het werk. Maar niet zo, op deze manier en in deze setting.”

loading

15. Lotte van de Kerke (24) uit Groningen, ic-verpleegkundige in opleiding

„Wat ik allemaal ben tegengekomen en heb gezien had ik niet verwacht. Zo ben ik echt verbaasd over hoe ziek de mensen zijn. Bij ons op de afdeling is het nu een lange rij met mensen met alleen maar Covid-19. Dat is niet wat je gewend bent. Allemaal hetzelfde ziektebeeld.

Al in de opleiding tot verpleegkundige heb ik geleerd dat je nare dingen die je tijdens je werk hebt gezien moet hebben losgelaten op het moment dat je voor je huis van de fiets stapt.”

loading

16. Florie Westerhof (24 jaar) uit Groningen, verpleegkundige Covid-afdeling A1 (normaal D3, longziekten)

„Zwaar? Nee. Natuurlijk, er zijn wel schrijnende situaties. Mensen die hier opeens wakker worden na de overplaatsing. Ik heb mensen wel eens gevraagd: bent u überhaupt weleens in Groningen geweest? Nee, nog nooit.

Dus dan probeer je uit te leggen: dat is de Martinitoren en dat is het Forum. En kom in betere tijden nog maar een keertje terug want het is een heel leuke stad. Het is natuurlijk wel bizar dat mensen hier zo wakker worden. Zo ver van hun familie vandaan. Dat grijpt je wel aan.”

loading

17.  Anja Schenkel (28 jaar) uit Bad Nieuweschans, planner en coördinator op de corona-poli

„Als ik zie dat we meer gebruik maken van beeldbellen, denk ik: dat kunnen we in de toekomst ook doen. En collega’s kunnen best wel een keer een dag thuiswerken. Deze crisis heeft voor ons werk ook wel nieuwe inzichten opgeleverd.

Als ik vrij ben is het onderwerp corona even klaar. Ik kijk persconferenties en daarmee houdt het ook wel op. Ik heb ook geen idee wat we bij ons de komende weken moeten verwachten.

Dit is wel veel confronterender dan ons normale werk in het ziekenhuis. Soms wordt tegen patiënten die worden weggebracht naar een afdeling en hun partner gezegd: ‘U moet dadelijk afscheid nemen.’ En dan weet je niet of ze elkaar überhaupt weer gaan zien.

Je wordt er wel nuchterder in met elkaar. In het begin was er heel veel stress, omdat je niet wist wat komen ging. De verwachting was dat we heel veel patiënten en besmette mensen zouden ontvangen en dat iedereen bij ons veel meer zou moeten gaan werken. Maar die drukte is uitgebleven.

Tuurlijk, we zijn blij dat we weinig patiënten hebben, dat is een goed teken. En we hebben het onderling goed, ondanks dat we allemaal van andere afdelingen komen.”

loading

18. Britt Dijk (23) uit Groningen, werkt op de afdeling neurologie (en meldde zich vrijwillig voor de corona-afdeling)

„Het is een natuurlijke drang dat ik hier wil zorgen voor patiënten, er wil zijn voor patiënten. maar het is vooral ook dat ik meer kennis en ervaring wilde opdoen. Nu ik nog zo jong ben wil ik zoveel mogelijk vlieguren maken.

Die videogesprekken zijn wel heftig. Ik merk dat mensen ook waarde hechten aan het weten van onze naam enzo. Ze willen ons toch ook even zien. Patiënten doen dat ook. Die draaien de camera om en laten ons zien. ‘Kijk, dit is Britt’. Dat was even wennen, maar ik snap het wel. Alles verloopt anders. Contact tussen familie en verpleging, contact tussen familie en patiënt. Maar het is niet zo dat de gesprekken veel zwaarder zijn. We moeten wat meer een beroep doen op onze flexibiliteit en dat gaat prima.

Er zijn wel patiënten die ik een beetje dicht bij me houd, ook als ze al weer uit het ziekenhuis zijn. Ik pieker niet, maar ik denk thuis nog weleens na over mijn werk, over sommige patiënten. Ook als ze al weer thuis zijn. Ik denk dat dat ook te maken heeft met mijn leeftijd. Ik werk nog niet zo lang als andere verpleegkundigen, dus veel dingen zijn voor mij een eerste keer. Ik verbind de patiënten nog aan die eerste ervaringen.”

loading

19. Anne-Fleur van der Horst-Nieuwenburg (32) uit Groningen, verpleegkundige op de spoedeisende hulp

„Ik voel me veilig hier. Het risico op besmetting is in de supermarkt misschien zelfs wel groter dan bij ons op de afdeling.

Op de SEH is het altijd hollen of stilstaan. We krijgen normaal ook wel vaak patiënten die koorts hebben of kortademig zijn. Maar die vangen we nu in isolatie op, want we weten niet of de kortademigheid door de Covid komt of niet. Op de spoedeisende hulp moeten we continu ons beschermende pak aan- en uittrekken omdat we niet zeker weten of een patiënt Covid-19 heeft. Maar ook alle reanimaties, trauma’s en het intuberen gebeuren nu in beschermende kleding, want die patiënten kunnen op dat moment niet vertellen of ze besmet zijn met corona. Het blijft altijd boven de markt hangen of het om een Covid-patiënt gaat of niet.

We merken op de SEH dat de hoeveelheid patiënten wel lager ligt dan normaal. Veel mensen melden zich niet, omdat ze angstig zijn, denk ik. Bang dat ze het coronavirus oplopen in het ziekenhuis. De complexiteit van de zorg is wel groter. Maar zo erg als in Brabant is het niet. En ik hoop ook echt niet dat wij die situatie hier nog krijgen.”

loading

20. Guido Verhoeff (46) uit Drachten, ic-verpleegkundige

„Normaal gesproken heb je bij ons op de ic oncologische patiënten, hartproblemen, trauma’s, allemaal heel zieke mensen. Maar als je nu kijkt, is het allemaal hetzelfde. Het is de kwantiteit die dit anders maakt.

En normaal gesproken hebben we mensen snel van de ic af. We hebben nu veel meer geduld nodig. Maar dit virus is echt wel een stok tussen de spaken van de gezondheidszorg. Kijk, normaal liggen hier allemaal andere mensen. Die worden nu niet geholpen. En dat is een beetje de schaduwzijde van dit virus. Dus ik ben heel erg blij dat we de andere zorg nu ook gaan opstarten.

Toen het in Brabant zo misging hebben we hier echt zitten wachten op de tsunami, maar gelukkig is die niet gekomen. Heel Nederland stond al te klappen en wij hadden hier nog nauwelijks coronapatiënten. Dus zijn we mensen naar hier gaan halen om de rest van het land te ontlasten.

Dat applaus voelde wel een beetje ongemakkelijk. Maar het is waardering, dus ik ga daar niet zuur of cynisch over doen. Maar ik heb weleens gedacht: ik ben benieuwd of het nog zo is als we het weer over onze cao gaan hebben. Veel verpleegkundigen hebben wel het idee dat de waardering die we nu in de maatschappij zien niet is terug te zien in onze maandelijkse beloning.

We hebben vanwege de crisis veel extra personeel naar de ic gehaald, mensen die zulke heftige dingen niet gewend zijn. We vragen wel veel aan elkaar: ‘Hoe gaat het? Trek je ’t nog?’ Maar ik verwacht op korte termijn dat collega’s wel last krijgen. Wat dat betreft is het goed dat er psychologen op onze afdeling beschikbaar zijn.”

loading

21. Aafke Nijhof (52) uit Groningen, ic-verpleegkundige

„De heftigheid van het ziektebeeld maakt nog steeds indruk. Wat emotioneel zwaar is, is dat de familie niet op bezoek mag komen. Op de ic leer je je patiënt via de familie kennen.

Er overlijden natuurlijk best wel wat mensen op onze afdeling. En het is grillig. Ik heb patiënten gehad van wie ik twee weken lang het idee had dat ze ieder moment zouden sterven en die komen er bovenop. Terwijl er ook mensen liggen van wie ik totaal niet had verwacht dat die opeens zouden inkachelen. Zakken volledig onderuit en gaan soms dood. Dat is zo heftig.

We hebben als collega’s veel steun aan elkaar. Na afloop van de dienst gaan we nog even bij elkaar zitten. Dat werkt goed.

En na een dienst heb ik standaard een afspraak met de bank en Netflix. Ik werk vijf dagen en dan ben ik drie dagen vrij. De eerste vrije dag moet ik echt bijtanken. Als ik niet werk, fiets en wandel ik veel en ik mag ook graag in de tuin bezig zijn.”

loading

22. Joeri Smit (31) uit Groningen, in opleiding tot oogarts, werkt tijdelijk als zaalarts op verpleegafdeling Covid

„Soms willen mensen niet meer naar de ic, soms heeft het medisch gezien geen meerwaarde. Dan pas je palliatieve zorg toe op de afdeling. En dat kan heel indringend zijn. Soms willen mensen een middeltje waardoor de dood sneller komt. Maar dat mag niet, dat is een ander traject.

Je moet altijd eerlijk blijven en bespreken wat wel en niet mogelijk is. Voor de patiënt zorgen doe je elke dag, maar soms zit er een disbalans in wat de verwachting is van de familie en de verwachting van de dokter. Dat is lastig.

Ik ben hier een typische zaaldokter. Ik ben de hele dag op de afdeling, loop ’s ochtends visite, dus ik ga langs alle patiënten. Dan vraag ik hoe het gaat en de verpleegkundige vertelt of er nog bijzonderheden zijn. Ik bekijk de vitale gegevens van de patiënt, doe lichamelijk en eventueel aanvullend onderzoek en dan maken we een plan. Voor die dag, maar ook voor de langere termijn.

We proberen zo vroeg mogelijk de vinger op de juiste plek te leggen. Maar het kan met Covid soms heel snel gaan. Mensen komen ’s middags binnen terwijl er nog niet veel aan de hand lijkt en kunnen dan ‘s avonds soms al naar de ic gaan om geïntubeerd te worden.

Wat ik niet had verwacht is dat mensen zo verzwakt van de intensive care terugkomen. En hoeveel ze daar psychisch last van hebben en verward zijn. Dat had ik zeker niet verwacht. Maar daar gaan we als team zo goed mogelijk mee om.”

menu