Dijkgraaf Bert Middel duikt in zijn jeugd in Groninger volksbuurt Oosterpark

Bert Middel, dijkgraaf van het waterschap Noorderzijlvest. Foto: Waterschap Noorderzijlvest

Stadjer en dijkgraaf Bert Middel schetst in een boek indringend zijn jeugd in het naoorlogse Groningen. Onverbloemd, soms ontluisterend, maar ook ontroerend.

Stegengeur - Leven in een volksbuurt is vooral onderhoudend door het beeld dat het boek geeft van het bestaan in een arbeiderswijk. Dijkgraaf Bert Middel (1952) van waterschap Noorderzijlvest, vooral bekend als PvdA-politicus, woonde tot zijn 6de in het Oosterpark in Groningen. Zijn vader had vast werk en stond op de loonlijst van een uitgever. Zijn moeder bestierde het huishouden.

,,Wij waren arbeidersmensen en toch ook weer niet. Onze vaders hadden vast werk, ze waren geschoolde of op zijn minst geoefende arbeiders. We staken keurig in de kleren en kwamen uit nette gezinnen.’’ Een grote tegenstelling met de armoedig geklede arbeiderskinderen ‘met hun grauwe arbeiderskoppen’.

Arbeiderskinderen

Zijn moeder, nooit verlegen om een oordeel, noemde de mannen met zo’n kommervol bestaan ‘sjappies’, hun vrouwen ‘sloven’ en de kinderen ‘slobbers’.

De arbeiderskinderen, waar Middel dus niet mee om ging, hadden zo hun eigen kenmerkende geur. ,,De geur die deze kinderen omringde, raakte ik nooit voorgoed kwijt. Ze stonken naar poep en pies en hadden luizen.’’ Het is een onderdeel van wat Middel verderop in het boek ‘stegengeur’ noemt. Eigenlijk de stank van de armoede.

Als hij 6 is verlaat het gezin het Oosterpark voor een ‘nettere’ straat elders in de stad. ,,Daarmee werden we voorgoed als snakkerds bestempeld. De buurt verlaten, en daarmee het grootste deel van je familie en kennissen, dat deed je niet.’’

Dwangarbeider

Middel verhaalt vermakelijk over hoe het gezin wordt opgestoten in de vaart der volkeren, net als vele Nederlanders in die jaren. Er komt een douche, een televisie en zelfs een telefoon. Niet dat die laatste veel werd gebruikt, dat vond zijn moeder te duur. ,,Gebeld worden was geen probleem, dat kostte niets en gebeurde ook niet zo vaak. In onze familie- en kennissenkring had namelijk vrijwel niemand een telefoon.’’

De vakanties waren aanvankelijk vooral dichtbij, later iets verder weg, bijvoorbeeld naar Ameland. In 1961 gaat het gezin op bezoek bij een Duitser die Middels vader had leren kennen als toen hij als dwangarbeider werkte in een Duitse vliegtuigfabriek tijdens de oorlog. Duitsers prijzen tijdens een visite ons propere land, waar ze in de oorlog gelegerd waren geweest. Middel krijgt tot zijn afgrijzen een korte leren broek cadeau.

Gatverdamme

Als in het gezelschap onvermijdelijk de oorlog ter sprake komt, geeft Middels moeder zijn vader een tik, hij moet zich gedeisd houden. Er komt dus geen weerwoord wanneer de Duitsers zeggen van geen kwaad geweten te hebben tijdens de Krieg . ,,Wir haben es nicht gewusst.’’

In de auto, weer op weg naar Groningen, barst zijn moeder los. ,,Gatverdamme, ze liegen dat ze barsten.’’ Ze wil nooit meer naar Duitsland. ,, Altied wat mit dij Moffen .’’

Herkenbaar voor velen zijn de inkijkjes in het gezinsleven van een werkende vader en een echtgenote die het huishouden bestiert. ,,Als mijn vader thuiskwam van zijn werk, vroeg mijn moeder vaak bij wijze van begroeting: Hest nog nijs ? Meestal had hij dat niet, of hij zei het niet. Nijs moest van mijn vader komen, zij was overdag thuis en had dus geen gain nijs . Zelf zei ze daarover: Ik moak ja nooit wat mit hier. ’’

Tegenwicht

Een grote klap voor het gezin Middel is de dood van dochter Liesbeth, die op 18-jarige leeftijd de diagnose leukemie krijgt. Ondanks haar ziekte begint ze nog aan een studie Engels. In 1968, het jaar van de Summer of Love, overlijdt Liesbeth Middel, op een ‘mooie dinsdagavond in mei’. ,,De dood in een gezin gaat nooit over. Dood blijft altijd.’’

Middel zelf gaat na de hbs aan de Rijksuniversiteit Groningen studeren, eerst economie, later sociologie. Hij zit niet stil; schaakt, beoefent judo, schildert enige tijd en valt vaak en veel op vrouwelijk schoon.

Al op 17-jarige leeftijd is hij lid van de PvdA geworden, terwijl dat eigenlijk helemaal niet mag. Als het landelijke partijbureau het ontdekt, is hij al 18. Hij wordt pardoes tweede-secretaris van de afdeling 3 in Groningen-Zuid. In de stadse-PvdA voeren Jacques Wallage en Max van den Berg het hoogste woord. Iedereen danst naar hun pijpen. ,,Er werd aandachtig naar Van den Berg geluisterd. Als hij niet praatte, lurkte hij aan een buitenissige pijp.’’

Middel treedt toe tot het bestuur en gaat later acties voor de partij organiseren, om tegenwicht te bieden aan de zeer actieve CPN.

Pedante kakkers

Een constante in het bestaan van ‘rechtgeaard republikein’ Middel is zijn grondige afkeer van religie, uiterlijk gedoe en opsmuk. Hij memoreert zijn latere aanwezigheid bij een nieuwjaarsreceptie van de koninklijk familie in het paleis op de Dam. Daar loopt hij zijn voormalig idool Anton Geesink tegen het lijf, de Utrechtse arbeidersjongen die zich middels judo wist te verheffen. Ook Geesink loopt er een beetje verloren rond. Tot ergernis van Middel wordt de judogigant gepiepeld door sportbobo’s.

,,Pedante kakkers die het nog niet eens verdienden in zijn schaduw te staan, maakten hem publiekelijk belachelijk. Opgeblazen arrogante en opgefokte plucheplakkers, dat waren ze. Niets meer of minder.’’

Stegengeur. Leven in een volksbuurt. Uitgeverij Bornmeer Noordboek. 272 pagina’s. Prijs 22,50.

menu