Een goochelaar om bij stil te staan

Nabestaanden van Ben Ali Libi en vele belangstellenden bij de onthulling van het monumentje. Foto Duncan Wijting

Jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar . Zes woorden sieren de zijmuur van bioscoop Pathé. Ze komen uit het gedicht Ben Ali Libi , over een Joodse goochelaar. Ze houden de herinnering aan hem levend.

Het is kil in de schaduwrijke Ruiterstraat, een zijstraatje van het Zuiderdiep in Groningen dat ooit behoorde tot de Joodse buurt. Een groep mensen luistert er naar een accordeonist die een lied zingt. Het is de vertolking van het gedicht Ben Ali Libi dat Willem Wilmink schreef over Michel Velleman die optrad als goochelaar onder het pseudoniem Ben Ali Libi.

Één regel

De aanwezigen luisteren. Een enkeling draagt een keppeltje. Ze blikken omhoog naar de zijmuur van de bioscoop waarop één regel uit Wilminks gedicht van verre valt te lezen. Jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar. Het hele gedicht (op televisie ooit voorgedragen door Joost Prinsen) staat ernaast klein afgedrukt.

Het is vrijdag, einde van de middag. Aan de onthulling van het monument is een kleine bijeenkomst in de synagoge voorafgegaan. Daar spraken dichter Kasper Peters en bibliothecaris Douwe van der Bijl over hun ontdekking dat Ben Ali Libi, de goochelaar uit het gelijknamige gedicht van hun held Wilmink, geboren was in Groningen. Ze besloten: die man verdient een monument in zijn geboortestad. Ze kregen van alle kanten steun.

Want Ben Ali Libi is een goochelaar die in 1943 vermoord is in vernietigingskamp Sobibór in Polen, nadat hij met zijn vrouw en hun dochter was opgepakt bij een razzia.

Missen

In de synagoge neemt de kleindochter van de goochelaar het woord. Katy Velleman heet ze, ze is 60 jaar. Ze leest een brief voor aan haar grootvader waarin ze uiteen zet hoezeer ze zich met hem verbonden voelt. ,,Via de verhalen van Jack, mijn vader die zo ongelooflijk gek op je was, maar die jou moest missen.’’

Later, in de schaduw bij het monument, vertelt ze wat er is gebeurd in juni 1943. Haar vader was ten tijde van de razzia met een vriendje aan het voetballen. Toen hij thuis kwam, waren zijn ouders en zijn zusje verdwenen. Hij vluchtte naar Frankrijk, keerde na de oorlog terug naar zijn ouderlijk huis, waar hij een familie trof die hem zei daar al dertig jaar te wonen. Ze zegt: ,,Mijn vader werd officier in het leger omdat zijn enige doel was zijn ouders te zoeken in de kampen. Hij had niets meer.’’

Ze vindt het monument van haar grootvader een juweel. ,,Het is ontroerend en prachtig en verdrietig.’’

menu