Roel Wolthuis van Werf Wolthuis. FOTO DUNCAN WIJTING

Een leven lang op de helling

Roel Wolthuis van Werf Wolthuis. FOTO DUNCAN WIJTING

Zijn baard is de droom van elke hipster. Maar Roel Wolthuis (1940) is niet van het moderne. Hij bewaakt de oude tijd. Op de werf in Sappemeer die zijn naam draagt, is de klok lang geleden gestopt met tikken.

Hij wijst op een draaibank, op een staande boor, een zaagmachine. Van een veel te recent bouwjaar: ,,Maar ja, de jongens vinden dat wel mooi. Kunnen ze een beetje prutsen.'' Roel Wolthuis loopt liever door naar de hoogbejaarde knipschaar en ponsmachine. Knikt naar mallen en ander gereedschap waarmee op Werf Wolthuis sinds mensenheugenis schepen gerepareerd worden: ,,Dat is wel origineel.''

Hij groeide er op, woonde en werkte er zijn hele leven en bedong, bij de verkoop, dat hij tot zijn dood in het bijbehorende huis mag blijven wonen: ,,Of mijn vrouw Mattie en ik moeten zelf anders willen. Maar ik zie me niet op een flat zitten. Geld is belangrijk, maar wat ik belangrijker vond was dat de werf behouden bleef. Dat is geregeld.''

Van werf tot museum

Werf Wolthuis is de enige overgebleven, oudste, ambachtelijke werf in de Veenkoloniën. Inmiddels een Rijksmonument. De werkplaats stamt uit omstreeks 1890 en heeft een ingebouwd kantoor. De machines zijn even oud, de hellingschuur is van 1800 en de dwarshelling van 1921. Er is sindsdien weinig veranderd. Schepen worden er niet meer gerepareerd. Het is nu een museum, waar rondleidingen worden verzorgd. Door de ‘jongens', die af en toe ook in de werkplaats ‘prutsen'.

Het officiële adres is Noorderstraat 308, maar volgens de archieven heette het Stadsplaats no. 15 in Sappemeer, op de hoek van het Heerendiep (Winschoterdiep) en het Borgercompagniesterdiep, waar in ieder geval sinds 1691 een werf staat. Of de toenmalige pachter, Feijte Feites, zelf schepen maakte is niet bekend, wel dat Jan Oomkes er tussen 1705 en 1739 schnabben en tasken voor het vervoer van turf bouwde.

De werf kende verschillende eigenaren, van Andries Jans, Berent Willems en Compagnie, Klaas Jan Mulder, Albert Thiessens, Roelf Feddes Berg, diens zonen en daarna de broers J.A. en H.A. Smit. De opstallen kwamen in 1922 in handen van de familie Wolthuis. Geen, zoals op de website is te lezen, ‘nieuwkomers in de scheepsbouw'.

Familiebedrijf

Albert en zijn zoons Lucas, Harm en Menso hadden al tientallen jaren een werf in Kleinemeer en tot 1922 een aan het Kieldiep. Nadat pa zich terugtrok namen Harm en Menso het over en in 1935, op een moment dat het niet heel goed ging, kocht Lucas, de opa van Roel, het weer van zijn broers. De naam veranderde in L. Wolthuis en Zonen.

Daarna ging het over naar Lucas' zoon Albert en diens zoon, Roel, loopt er sinds zijn jongste jeugd: ,,Na de lagere school ging ik naar de ambachtsschool aan de Houtmanstraat in Hoogezand. Op mijn twaalfde hielp ik mijn vader al. De slingerpons bedienen, platen kloppen. Onderhoud is simpel werk. Gaandeweg leerde ik het vak. Meer dan dat. Ik kon niet zo goed rekenen, maar mijn vader bracht me dat bij. Uitrekenen wat karweien kostten, prijsopgaven. Daar kwam je snel achter.''

'Goed werk afleveren, dan kun je bestaan'

Roel Wolthuis werd in 1978 officieel eigenaar. Het geslacht Wolthuis bouwde geen schepen. Onderhoud werd er gepleegd en later, eind jaren vijftig, gingen ze ook vaartuigen verlengen: ,,Een beste flikkerij. We deden een stuk of 25, tot het in de jaren zestig in een keer gedaan was. Motoren repareren was een stap te ver. Dat deed Gorter voor ons.''

Wat hem is bijgebleven is de les van zijn vader: denk erom, goed werk afleveren. Dan kun je bestaan. Bij geknoei komt niemand terug: ,,Geen rotte klinken gebruiken, niet over roest heen teren, eerst schoonmaken, dat soort dingen. Op zeker moment hoorde ik van een schipper dat in Amsterdam werd gezegd dat Werf Wolthuis goed werk verrichtte. Een schip verlengen kostte hier 1800 gulden, elders deden ze het voor 1600, maar het advies luidde: ga naar Sappemeer. Nog geen twee jaar later vroeg ik 2000 gulden. Mijn vader zei: nu ben je verkeerd bezig, nu komt er niemand meer. Ik heb het nog nooit zo druk gehad.''

Hij was de middelste in het gezin van vijf kinderen en de enige die interesse had in het werk: ,,Ik ben geen student. Ik wilde niet naar school, ik wilde gewoon op de helling, met ijzer werken, met schepen. Op zeker moment kun je dan niet meer zonder. Met mensen omgaan vond ik leuk, het contact met de schippers. Je was zo vrij als een vogeltje. Hard werken, ja, dat vond ik prettig.''

Moeilijke tijd

In deze regio was de werf toen al een unicum. Nieuwbouw was er genoeg, reparatie weinig. De dichtstbijzijnde vergelijkbare bedrijven waren in Delfzijl en Stadskanaal. Wat de locatie in Sappemeer als voordeel had was dat het op de route lag tussen de stad Groningen en Duitsland.

Toen Roel Wolthuis eigenaar werd, had hij de tijd tegen. De verbinding met het Winschoterdiep werd steeds slechter bevaarbaar. De gemeente Hoogezand-Sappemeer wilde dat deel van het Oude Winschoterdiep dempen. In 1984 verloor de werf definitief de verbinding met open vaarwater. Het Borgercompagniesterdiep bleef open, vooral als afwateringskanaal voor de landerijen en de kassen, maar de deur ging in 1985 definitief dicht.

Wolthuis bleef er wonen en toog aan de slag bij anderen. Onder meer bij Niestern Sander: ,,Dat was helemaal niks. Ik werkte te hard. Er moesten drie platen klaarliggen, had ik er tien klaar. Moest ik beloven het rustig aan te doen. Ga maar een beetje op de werf rondkijken, hoorde ik dan. Hield ik niet lang vol. Zeecontainers repareren, heb ik ook gedaan. En aanhangwagens maken, Of onderstellen voor olietrailers voor boeren. Kantellorry's voor scheepswerf Pattje, maakte ik ook. O ja, en ik heb voetbalclub HS '88 opgericht.''

Groninger Monumentenfonds

Wolthuis heeft zich na de sluiting altijd sterk gemaakt voor behoud van de unieke locatie. Hij werd vanaf 2000 bijgestaan door Historische Scheepswerf Hoogezand-Sappemeer. In 2006 is de werf verkocht aan het Groninger Monumentenfonds. Daarmee werd het voortbestaan van de werf als museum gewaarborgd.

Wat de stichting onder meer beoogt is een nieuwe verbinding met het Winschoterdiep, middels de aan de andere kant van de Noorderstraat gelegen haven. Hoever het daarmee staat, weet Wolthuis niet: ,,Zou mooi zijn. Dan kun je de helling verhuren aan jonge schippers die hun boot zelf repareren. Alles is hier. Dan verdien je een paar centen en dan kun je dit op de been houden.''

Wolthuis zelf doet geen rondleidingen meer: ,,Nee, die jongens kunnen dat net zo goed. Ik vind het best zo. Mijn vrouw en ik zijn veel weg met de camper. Van Noorwegen naar Spanje en van IJsland tot Portugal, heel Europa door. Nee, ik heb zelf nooit een opvolger gehad. Mijn zoon Albert zei altijd: ,Wat moet ik met die ouwe rommel?'''

menu