Een rijksmonument van 270.000 vierkante meter

Nog even, dan is het natuurgebied Noordsche Veld tussen Peest en Zeijen een heus archeologisch rijksmonument. Een monument van 270.000 vierkante meter. Een bijzonder en duizenden jaar oud gebied met ‘celtic fields’ zonder kelten, een Romeinse legerplaats zonder Romeinen en een Duits vliegveld uit de Tweede Wereldoorlog dat geen vliegveld is. Op stap met landschapshistoricus Jori Wolf van Staatsbosbeheer en adviseur-archeologie Jos Stöver van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed door het land der grafheuvels.

Het Noordsche Veld leent zich, zoals het er nu bij ligt, uitstekend voor een onthaastende wandeling. Een alles doordringende stilte die slechts af en toe wordt verstoord door een al te enthousiaste veldleeuwerik. Maar ooit was het Noordsche Veld het toneel van een opmerkelijke bedrijvigheid. Er werd volop gespit, gewroet, geleefd en begraven. Het Noordsche Veld huisvest een wonderlijke mengelmoes aan culturen. De hunebedbouwers sjouwden er met veel te zware stenen, de bewoners van het ijzeren tijdperk verbouwden er hun tarwe en in navolging van hun voorouders uit het bronzen tijdperk begroeven ze hun doden in grafheuvels.

D5

Jori Wolf is landschapshistoricus bij Staatsbosbeheer, dat het natuurgebied sinds de jaren dertig in bezit heeft. Jos Stöver is de warme pleitbezorger die het Noordsche Veld namens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als archeologisch rijksmonument warm heeft aanbevolen bij de Raad van Cultuur. Naar verwachting komt er over enkele weken duidelijkheid. Ze staan bij D5, het hunebed op het Noordsche Veld dat een prachtig startpunt is voor een wandeling die verheldert waarom juist het Noordsche Veld in de top drie moet komen van archeologische rijksmonumenten van dit formaat.

Het wandelpad leidt naar een zee van zachtgele pijpenstro waaruit plukken donkere struikheide opduiken. De argeloze wandelaar banjert er onbekommerd doorheen, maar Wolf en Stöver herkennen onmiddellijk de contouren van de zogeheten ‘celtic fields’, duizenden jaren oude akkers van circa dertig bij veertig meter die vanwege hun vorm ook raatakkers worden genoemd. Wolf wijst ze aan en verhip, het landschap openbaart vierkantronde akkers met door aarden omheinde wallen.

Het is nogal wonderlijk waarom ze in de volksmond ook ‘celtic fields’ worden genoemd, daar er voor zover bekend nog nooit een kelt voet op het Noordsche Veld heeft gezet. De ruim 130 raatakkers stammen vooral uit de ijzertijd (800 - 12 voor Christus) en Engelse archeologen noemden de soortgelijke akkers die ze in Groot-Brittannië ontdekten ‘celtic fields’. Dat vonden hun Nederlandse collega’s destijds blijkbaar gepast exotisch klinken en de naam is blijven hangen, hoewel een Nederlandse bodemkundige, wellicht een bijenliefhebber, al in de jaren vijftig koos voor ‘raatakkers’. Stöver: ,,De boeren verbouwden er onder meer tarwe en boekweit.’’

loading  

De raatakkers zetten eeuwen later Johan Picardt (1600 - 1670) uit Coevorden, naar verluidt de eerste Drentse geschiedschrijver, op het verkeerde been. De nieuwsgierige predikant bestudeerde de inmiddels verlaten akkers eens goed en wist het zeker: hier bevonden zich ‘oude Heydensche Leger-plaetsen’, waarmee hij op nederzettingen doelde. Hij schreef:

Sommige leggen één, sommige twee, drie, vier duysent treden van malkanderen. Daer zijn eenige, die ick om-getreden hebbe, die wel vier duysent treden in den omme-ganck hebben. In een van dese heb ick een reys hier en daer in de aerde laten graven, om t’ondersoecken of men yet in de grondt soude vinden, en hebbe in ’t midden van een dezer perckjes gevonden een plaets, soo groot al een wagen-radt, bestraet en geplaveyt met kleyne keselingen; waer uyt ick gepresumeert heb, dat ‘et een vyer-stede of haert geweest zy waer op vyer gestoockt is geworden: waerom gelooflijck is, dat in een yegelijck perckjen voortijts een soodanigen haertstede geweest zy, leggende binnen een hutje.

Generaties na hem dachten het ook zeker te weten: hoezo akkers? Hier was sprake van een Romeinse legerplaats. Op een stokoude militaire kaart uit circa 1850 staat ‘Legerplaats der Romeinen’. Op andere kaarten ook ‘Voormalige Romeinsche Legerplaats’. Overigens niet helemaal onlogisch. Hoewel het Romeinse Rijk (12 voor Christus - 450 na Christus) ophield bij de Rijn, was er wel veel contact tussen de noorderlingen van destijds en de veroveraars uit het zuiden.

Klapekster

De wandeling leidt over een smal met schelpen doorspikkeld wandelpad. Wolf gebaart naar een driftig klapwiekend vogeltje. ,,Een klapekster. Erg zeldzaam. Het Noordsche Veld is een van de weinige plekken waar je ze nog ziet.’’

De fietsende echtparen die hier met hun uniforme rijwielen en outdoorkostuum over heen trappen, zijn zich er niet van bewust dat ze over de Koningsweg rijden. Want het pad was in de middeleeuwen onderdeel van een belangrijke route tussen Duitsland en Friesland en dat verdient een klinkende naam. Daar dankt het pad overigens ook zijn andere naam aan: Poepenpad. De weg werd ook veel door Duitse seizoensarbeiders gebruikt, die ook met ‘poepen’ werden aangeduid. naar het Duitse woord ‘bube’ voor ‘knaap’.

Links en rechts van het pad duiken grafheuvels als verstarde golven op. De grafheuvels zijn zo talrijk dat het erg verleidelijk is ze als doodnormaal te beschouwen. Grafheuvel? Goh. En doorsjouwen maar weer. Maar dat zijn ze allesbehalve. ,,Er ligt echt een zwerm van grafheuvels. Dat zie je ook elders, maar hier liggen er wel heel veel.’’

Onze eigen vallei der koningen zo gezegd, ware het niet dat er geen koningen liggen begraven. De grafheuvels stammen uit de bronstijd tot en met het begin van de ijzertijd. Het Noordsche Veld telde er ruim honderd. Een groep groteg rafheuvels, die op het hoogste deel van de zandrug ligt, draagt om redenen die niet helemaal duidelijk zijn de naam ‘De negen bargen’.

loading  

In sommige werden crematieresten neergelegd. Stöver: ,,In andere zijn personen bijgezet.’’ En ze boden in hun tijd een bijzonder schouwspel. Vooral het exemplaar dat met de ietwat curieuze benaming Tumulus No 75 wordt aangeduid. Deze grafheuvel huisvest vijf graven. Een mausoleum avant la lettre. Er liep een 35 meter lange toegangsweg naartoe die aan weerszijden met palen was afgezet. Rondom de doden werd druk geploegd, gezaaid en geoogst en graasden varkens, geiten, schapen en runderen.

Moderne archeologen staan niet te dringen om deze schatten naar boven te halen. Stöver: ,,De beste manier om deze archeologische objecten te bewaren is door ze ongestoord in de grond te laten.” Kortom: met je fikken van afblijven anders breek je de boel nog. ,,Over een poos is de techniek misschien zo vergevorderd dat er een ander opgravingsbeleid komt.’’

Met de graven van onze voorouders werd niet altijd zo fijnzinnig omgesprongen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog wilden de Duitsers in 1944 op het Noordsche Veld een schijnvliegveld compleet met houten vliegtuigen aanleggen. Dit vliegveld zou geallieerde bommenwerpers moeten verleiden hun lading op de houten toestellen te lossen, zodat het echte nabijgelegen militaire vliegveld zou worden gespaard.

Maar ja, ook een schijnvliegveld, dat 1400 meter lang en 350 meter breed moest worden, heeft voor de beste resultaten een rechte landingsbaan nodig. De conclusie luidde dat de grafheuvels daarvoor zouden moeten wijken. Toegegeven: niet allemaal, maar toch nog wel genoeg om een beetje archeoloog een hartverzakking te bezorgen. Dus daar kwam archeoloog Albert Egges van Giffen aangesneld, de ‘vader van de hunebedden’ die ook internationale faam zou verwerven met zijn blootlegging van de wierden, de eeuwenoude woonheuvels op het Groningse platteland. Van Giffen deed sinds begin vorige eeuw onderzoek op het Noordsche Veld. Hij belde, sprak en drong aan bij burgemeesters, Duitsers en uitvoerders. Met succes. Nou ja, deels. Het vliegveld kwam er nog steeds, maar hij kreeg wel de tijd de grafheuvels die moesten wijken te onderzoeken. Hij kreeg krap twee maanden om 21 grote en kleine grafheuvels te onderzoeken. Bijgestaan door vijftig gevangenen uit Veenhuizen ging hij aan de slag. Hij ontdekte en passant dat Duitse soldaten een aantal grafheuvels waren binnengedrongen. Vermoedelijk was archeologische nieuwsgierigheid niet hun drijfveer, maar hoopten ze er kostbare grafgiften te vinden. De grafheuvels markeerde hij met stenen, zodat hij ze later zou kunnen reconstrueren. Die stenen liggen er nog steeds.

Hoewel de oorlog al op zijn laatste benen liep, begonnen de Duitsers na het onderzoek toch met het egaliseren van het terrein. Het vliegveld is er uiteindelijk nooit gekomen.

Houtproductie

Stöver en Wolf bereiken de rand van de heide die door bos wordt begrensd. Wolf: ,,Die bomen zijn in de jaren veertig door Staatsbosbeheer geplant voor de houtproductie.’’ Een wit berkenboompje staat honderden meters voor de bomengrens op de heide, alsof het er als een vooruitgeschoven post is neergezet. De boom markeert het drielandenpunt uit de middeleeuwen. Hier kwamen de toenmalige boermarkegrenzen van Zeijen, Donderen en Peest samen. Wolf: ,,De schaapherders vertelden elkaar op deze plek de laatste nieuwtjes.’’

De boom is opmerkelijk jong gebleven. ,,Ze is ook niet dezelfde.’’

De wandeling gaat verder. Een groepje landgeiten baant zich een weg door het pijpenstro. Wolf: ,,Ideale dieren voor de begrazing. Ze eten echt alles.’’ De bonkige Schotse Hooglanders liepen hier met hetzelfde doel rond, maar ze zijn vandaag nergens te zien. ,,Nieuw beleid’’, legt Wolf uit. ,,Als je kijkt naar de historie van dit gebied dan passen ze hier eigenlijk niet. We krijgen er echte Drentse heideschapen en koeien voor terug.’’

loading  

De twee verlaten de heide, slaan links af en na enkele honderden meters weer links. De wandelroute heeft een carrévorm. Een kale eik staat wat afgezonderd van de boomgrens in het veld, de lege takken als bloedvaten naar de lucht gericht. Een vennetje links van het pad wekt de verbazing van Stöver. Hij wijst naar het lager gelegen beekdal dat rechts van hem ligt. ,,Je zou verwachten dat het water daar naartoe stroomt.’’

Ze verlaten de heide en lopen via de verharde weg weer terug richting het hunebed. Daar steken ze de weg over naar de Zeijer Strubben, ook onderdeel van het archeologisch monument. Wolf stapt zonder aarzelen over de paden. Ze wijst naar de bomen waarvan de stammen zich in alle bochten kronkelen, alsof ze zich aan een ongrijpbare macht willen ontworstelen. ,,Het is een van de oudste bossen van Drenthe. Vroeger liepen de boeren met hun schapen door dit bos. De dieren knaagden aan de jonge bomen. Daarom hebben de stammen zulke grillige vormen.’’

De Zeijer Strubben zijn het thuis van de Zweedse kornoelje. Wolf: ,,Dit plantje komt oorspronkelijk uit Scandinavië en het is in de ijstijd hier terechtgekomen. In Nederland groeit het alleen in de Zeijer Strubben.’’

De Zweedse kornoelje leverde nog een geestigheidje à la Do ist der Bahnhof van Kooten en Bie voor de annalen op, zoals op de website van Historisch Zeijen.nu staat beschreven.

‘...Een leuke anekdote speelt zich af in februari/maart 1981 als Henk Denkers van Staatsbosbeheer net in het boswachtershuis woont. Er staat in de zaterdagbijlage van De Drentse en Asser Courant een verhaal over de zeldzame Zweedse kornoelje die in de strubben voorkomt. Het is een vaste plant die ’s winters niet te zien is, maar veel mensen denken blijkbaar dat het een heester is, want de zondag daarop zijn tientallen bezoekers in de strubben op zoek naar de Zweedse kornoeljestruiken. Enkelen zijn gewapend met snoeizaag en snoeischaar en veel mensen komen bij Henk aan de deur want de boswachter weet vast wel waar ze staan. Hij stuurt ze naar een stukje bos waar vuilboom en Amerikaanse vogelkers (zogenaamde bospest) staat. Hij heeft ze daar lekker laten snoeien en verder maar niet wijzer gemaakt. Sommige mensen hebben de kofferbak vol met Amerikaanse vogelkers en gaan trots als een pauw huiswaarts…’

loading

In het bos staat ook een bijna vergeten monument dat is opgericht ter nagedachtenis aan verzetsstrijders Cornelia Johanna van den Berg-Van der Vlis (alias Annie Westland) en Lourens Touwen die hier op 8 september 1944 zijn gefusilleerd.

Wolf leidt ons naar een ronde, open plek in het bos dat door de bewuste Amerikaanse vogelkers is omsingeld. De bomen lichten bijna blauw op. ,,Staatsbosbeheer laat de natuur vooral haar eigen gang gaan, maar deze plek houden we bewust open.’’ Verscholen in de donkere struikheide die het midden van de cirkel markeren ligt de zeldzame Zweedse kornoelje te wachten om in mei/juni tot volle bloei te komen.

Ook in de strubben liggen grafheuvels, maar deze zijn beter ‘gecamoufleerd’ dan die op de heide. Eiken, hazelaars en beuken hebben hun wortels er diep in gegraven. Beschadigen die niet het o zo door archeologen gekoesterde bodemarchief? Wolf: ,,Ja, maar ze staan er al zo ontzettend lang en vertellen hun eigen verhaal over de middeleeuwen.’’

De wandeling zit erop. De raadselen zijn onthuld. Alle raadselen? Nee. Want waar zijn de sporen van de nederzettingen? Stöver: ,,We gaan er natuurlijk niet vanuit dat ze kilometers liepen om bij hun akkers te komen. Maar echte vondsten die wijzen op bewoning zijn er nog niet geweest.’’

Toch nog iets te ontraadselen. Mooi.

Archeologisch rijksmonument

loading  

Nederland telt circa 1500 archeologische rijksmonumenten. Deze zijn sinds de jaren zestig aangewezen. Het gaat om plekken in het landschap die waardevol zijn vanwege de sporen uit het verleden die er nog te vinden zijn. De status, die door het ministerie van OCW wordt toegekend, heeft als doel de monumenten te beschermen. Voorbeelden zijn het hunebed bij Borger en de grafheuvels in het Strubben-Kniphorsterbos tussen Anloo en Schiporg.

Het landschap vanuit de lucht gezien

loading

loading

loading  

Bij de totstandkoming van dit artikel werd mede gebruikgemaakt van het onderzoek uit 2015 dat toenmalig studente Rosalie Hingstman uit Roden van de Noordelijke Hogeschool Leeuwarden in opdracht van Staatsbosbeheer heeft gemaakt.

menu