Ymkje Stienstra (midden) tijdens het koffie/covid-overleg op verpleegafdeling A2.

Embedded in de frontlinie van het UMCG #6: 'Ja, twee overnames. Een uit Dordrecht en een uit Leiderdorp'

Ymkje Stienstra (midden) tijdens het koffie/covid-overleg op verpleegafdeling A2. Foto: Corné Sparidaens

Dagblad van het Noorden loopt tijdens de tweede coronagolf mee in het UMCG in Groningen. Wat voor gevolgen heeft de coronacrisis voor patiënten en medewerkers? Vandaag aflevering 6: grillige opnames.

,,Ja… Ja… Nee, maar ik zie hier staan dat mevrouw een saturatie heeft van 99 procent. Zonder dat zij extra zuurstof krijgt.”

Met de vaste telefoon in de hand zit Ymkje Stienstra deze woensdagochtend in haar werkkamertje op de derde verdieping van de E-vleugel van het UMCG. Ze kijkt nogmaals naar het zuurstofgehalte in het bloed. Ja, 99 procent staat er.

Even daarvoor heeft ze zich voorgesteld als infectioloog uit Groningen en gevraagd of er een collega-arts in het ziekenhuis in Capelle aan den IJssel aan de lijn kan komen. ,,Ja, de patiënt staat op de lijst om overgenomen te worden door ons. Maar voor de zekerheid controleer ik of het echt wel nodig is.”

Op een van de twee grote computerschermen voor haar staat het mailtje met twee aanmeldingen van covidpatiënten van buiten. ,,Oh, oké. Die heb je net afgemeld? Nee, ik weet van niks, maar dan bel ik het LCPS even.”

Het is bijna net zo grillig als de ziekte zelf

Het Landelijk Coördinatiecentrum Patiënten Spreiding (LCPS) verdeelt de covidpatiënten van Nederland over de ziekenhuizen. Elke ochtend ontvangen Stienstra en haar collega’s telefonisch een overzicht van het LCPS, dat zich weer baseert op informatie van het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ), hoeveel patiënten zij moeten overnemen van buiten de eigen provincie.

Vijf minuten later krijgt Stienstra weer telefoon.

,,Allebei niet?” Even sluit de infectiespecialist van het UMCG haar ogen en zucht. ,,Zo heb je twee overnames. En zo heb je er geen.”

Het is bijna vaste prik. Wat je om tien uur in de ochtend denkt te weten, kan in de middag al heel anders zijn. Het is bijna net zo grillig als de ziekte zelf.

Onhandig, vindt Stienstra het vooral. Juist ook omdat veel van de patiënten uit het westen van het land pas ’s avonds of diep in de nacht aankomen in Groningen. ,,Je wilt als arts een covidpatiënt toch vrij snel zien. Iemand die stabiel lijkt in Dordrecht, kan er na een rit van 2,5 uur heel anders bij liggen.”

Nog geen vijf minuten later floept een bericht haar mailbox binnen. Er komen alsnog twee patiënten vanuit andere ziekenhuizen. Ze belt direct met de opnamecoördinator. ,,Ja, twee overnames. Een uit Dordrecht en een uit Leiderdorp. Ja, ik lees hier mijnheer Bloos, 46 jaar oud, met 5 liter zuurstof.”

Terwijl er aan de andere kant van de lijn wordt gesproken, krabbelt Stienstra wat aantekeningen. In nog geen kwartier ‘verliest’ Stienstra twee covidpatiënten, maar krijgt ze er ook twee bij.

,,Zullen we eentje naar A2 doen en eentje naar E4? Bloos naar E4? Prima.”

In de documentatielijst vullen zij en de zaalarts alvast de medische voorgeschiedenis van de twee patiënten in. Welke allergieën hebben ze? Welke medicatie? ,,Zodat de verpleging vanavond niet voor grote verrassingen komt te staan en om de collega’s in de avond en nacht tijd te besparen tijdens de opname.”

loading

‘Naar Groningen zie ik niet zitten’

Op dat moment ligt 247 kilometer verderop Jan Pascal Bloos in een kamer op de covidafdeling van het Albert Schweitzer Ziekenhuis in Dordrecht. Het is vol op de afdeling en Bloos hoort zijn overbuurman, een oudere man, tegen de arts zeggen dat hij niet naar Groningen wil. ,,Dat zie ik niet zitten. Ik voel me goed genoeg.”

De arts in Dordrecht belooft de waarden van Bloos’ overbuurman nog eens te controleren. En te gaan overleggen of de gang naar Groningen echt wel nodig is.

Bloos weet genoeg.

Dan wordt hij vast naar Groningen gebracht. Want Bloos – elf dagen geleden werd hij ziek, zo ziek – kan zeker nog niet naar huis. Zelfs vanochtend voelde hij zich niet goed.

Het is drie dagen geleden dat hij met zijn laatste krachten en radeloos in zijn autootje naar het ziekenhuis vlak bij zijn huis reed. Al de hele week had hij door de hevige koorts lopen ijlen.

,,Jullie moeten mij helpen. Ik kan… niet… meer”, zei hij angstig puffend aan de telefoon terwijl hij de auto voor de ingang van het Dordtse ziekenhuis parkeerde.

Dat was toen.

Nu moet er ruimte gemaakt worden voor nieuwe coronapatiënten in het Albert Schweitzer dat overspoeld wordt. Bloos heeft gezien hoe hectisch het is. Tijd voor de patiënten is er amper. Verpleegkundigen komen binnenstormen, geven medicatie en vertrekken weer.

Het is een gekkenhuis in de ziekenhuizen in Zuid-Holland.

Nog geen week geleden kondigde het Albert Schweitzer zelfs een noodgedwongen opnamestop aan. Met spoed werden patiënten uit Dordrecht overgeplaatst naar andere ziekenhuizen, zoals het UMCG.

Drenthe, Groningen en Friesland nemen de meeste Covid-19-patiënten over uit andere regio’s. Een kwart van de patiënten die buiten de regio worden overgeplaatst, gaan naar het Noorden. Tot nog toe 247 naar noordelijke covidverpleegafdelingen, waarvan 78 naar het UMCG, en 45 mensen naar de Drentse, Groningse en Friese intensive cares.

Bloos is een van de 247.

Groningen. Hij moet het even laten landen als de arts het tegen hem zegt. Nu ligt hij maar vijf minuutjes van zijn huis, zijn vriendin, zijn kinderen vandaan. Straks zit hij op ruim 2,5 uur rijden. Bloos weet dat hij er niks tegen kan doen en sluit zijn ogen.

Soms komen aangekondigde patiënten helemaal niet

Het is kwart over vijf ’s middags in Groningen als verpleegkundigen Leanne Boekholdt en Eef Aaten op afdeling E4 lopen.

Ze hebben nog geen telefoon gehad dat patiënt Bloos uit Dordrecht aanstaande is. Aaten verwacht hem ook nog niet. Ze weet dat de ambulances het liefst tijdens de avonddienst, na zeven uur ‘s avonds, patiënten afleveren. Want dan mogen ze tenminste 130 kilometer per uur rijden. En zijn er meer ambulances beschikbaar.

De afspraak is dat ambulancepersoneel belt als de patiënt ter hoogte van Zwolle is. Dan heeft de verpleegafdeling nog voldoende tijd om de boel op orde te maken.

Boekholdt en Aaten weten wel beter. Vaak komen die telefoontjes niet. Of ze komen alsnog zes uur later aan.

Infectioloog Stienstra had er ook al over. Soms komen aangekondigde patiënten helemaal niet. Dan zijn ze toch te instabiel om vervoerd te worden. Of al overleden voor de ambulance richting Groningen vertrekt.

Laatst was er op E4 nog een meneer uit Den Haag die om half twee ’s nachts binnen werd gebracht. Nog geen twaalf uur later mocht hij het ziekenhuis in Groningen per taxi alweer verlaten.

,,Krijg nou wat!”

Ineens ziet Boekholdt een ambulancebrancard bij de balie in de gang van E4 staan. Daarop ligt Jan Pascal Bloos uit Dordrecht. Niemand wist dat hij nu al zou komen. Ook de beveiliging in de kelder, waar de ambulances binnenkomen, was volledig verrast.

,,Mijnheer Bloos”, vraagt Boekholdt voorzichtig. De man knikt. Dat hij er al zou zijn, hadden ze graag willen weten. Dan had de verpleging al klaar kunnen staan in beschermende pakken. Toch jammer dat ze niet goed geïnformeerd zijn, schiet even door haar hoofd. Maar Boekholdt zegt dat maar niet hardop.

,,Zullen we u even naar uw kamer brengen, mijnheer Bloos?”

menu