Het contact tussen mensen ging dit jaar noodgedwongen op de schop. In plaats van het oude normaal kwam er een nieuw normaal. Maar er zijn nog zoveel meer manieren om de wereld te ordenen. Dat iets zo is, wil niet zeggen dat het niet anders kan zijn.

Een paar jaar geleden maakte ik een netwerkdiagram van de seksuele contacten tussen mijn vrienden. Ik ben ervan op de hoogte dat dat niet normaal is. Veel mensen hebben dat tegen mij gezegd. Maar misschien kunt u – even – denken als een kunstenaar. Ze knippen vogeltjes van verdriet, gieten ervaringen in een lied. Het concrete wordt abstract en tenslotte weer tastbaar, hoorbaar, zichtbaar. Het heeft iets magisch hoe kunstenaars met de elementen van de wereld kunnen spelen zonder ze te veroordelen.

Filosofen (maar ook wiskundigen) proberen op soortgelijke wijze zichzelf en de waarneembare werkelijkheid te ontstijgen. De dingen ogen anders daar. Je kunt de regels beschouwen zonder eraan deel te nemen, dieper doordringen in een probleem zonder te worden geplaagd door belangen.

Huidige ordening is ook maar een ordening

En het mooiste: je ziet ontelbare manieren om de wereld te ordenen. Dat de huidige ordening ook maar een ordening is. Alsof je even bij God op visite bent. En als je dan met de oneindigheid in je broekzak terugkeert naar, ik zeg maar wat, Emmermeer, dan is wat daar normaal is niet meer zo heilig. Je neemt de abstractie mee – ‘normaal’ is iets waar de meeste mensen zich nu aan houden. En dat iets zo is, betekent niet dat het niet anders kan zijn.

U zult daar dit jaar ongetwijfeld wat van hebben meegekregen. Het contact tussen mensen ging noodgedwongen, kunstmatig op de schop. Het is wat. Ik weet niet eens waar te beginnen. We kunnen het beter over iets anders hebben. Ik leerde laatst iets van een chemicus over ijzer. Wist u dat één ijzeratoom geen elektronen kan doorgeven? Zo’n atoom vertoont pas de eigenschappen van ijzer wanneer er een aantal atomen ijzer bij elkaar zit. Pas samen, in combinatie, beginnen ze zich als ijzer te gedragen.

Sociale dieren als losse atomen

Daar zitten we dan, sociale dieren, als losse atomen in onze huisjes, pogend een kneep in de schouder van iemand die dat nodig heeft te verbaliseren. Hoe gewillig onze geest ook is, saamhorigheid zonder nabijheid is een ander samenzijn. Het doet me denken aan de hoge gebouwen in Amsterdam, met gure tochtgaten ertussen. Zonder de dichtheid van een menigte gaat er warmte verloren.

We kunnen onszelf niet knuffelen – geknuffeld worden is een toestand die anderen voor ons mogelijk maken. Dat is een kwetsbaar gegeven, anderen nodig hebben om jezelf te kunnen zijn. Tegelijkertijd vind ik dat het mooiste wat mensen kunnen: onderop durven liggen zonder te panikeren.

Elke week steekt dezelfde leerling zijn hoofd mijn lokaal in, roept: ,,Wat is normaal?’’, en verdwijnt weer . Het is de beste vraag van het jaar. Maar nog mooier is dat hij hier al twee jaar geleden mee begon. Toen alles nog ‘normaal’ was.

De menselijke rede is verschrikkelijk handig

Toen ik hem nog in de klas had, vertelde ik over de menselijke rede, wat een verschrikkelijk handig apparaat dat is. Altijd als we logisch denken, categoriseren en sorteren, gebruiken we dat vermogen. We kunnen de fragmentarische werkelijkheid ermee tot een coherent geheel smeden. Doordat we in staat zijn een ordening aan te brengen in wat we zien, kunnen we vat krijgen op de chaotische complexiteit van onze ervaringen.

,,Wat nu normaal is’’, zei ik, ,,zijn ordeningen waaraan we zo gewend zijn geraakt dat we ze als feiten zijn gaan beschouwen.’’ Hij vond het een uitleg van niks. Juist doordat iedereen hetzelfde normaal vond kreeg hij het gevoel altijd dwars of afwijkend te zijn als hij zich zou toestaan zichzelf te zijn. Ik bedacht dat hij wel eens gelijk kon hebben. Voordat ons eigen denken begint, zijn we al gesitueerd in een bouwwerk van sociaal verkeer met een bepaalde normatieve cadans.

Enerzijds geeft het veiligheid om te weten wat ‘gewoon’ is, op dezelfde manier dat je ervan kunt uitgaan dat mensen over het algemeen de waarheid spreken. Door die zekerheid kunnen we soms liegen: liegen heeft alleen bestaansmogelijkheid in een wereld waarin eerlijkheid de norm is. Anderzijds maakt zo’n construct mensen een beetje karakterloos en dociel. In het dagelijks leven lijken we vaker regels van communicatie te volgen dan dat we daadwerkelijk met elkaar communiceren . Ik benadruk beide, omdat ik niet kan kiezen. Contact maken lijkt verworden tot een instrument van het bestaan. Niet (meer?) tot doel an sich .

Geruisloos meeglijden

Er behoort een heleboel: we horen naar elkaars verjaardag te gaan, doen mee aan de opdracht van een workshop (ook als we eigenlijk niet willen), noemen onze naam bij het voorstelrondje. Maar ook op microniveau volgen we een vorm, een gedragscode. Zo functioneren we; zo doen we het goed. Maar zo bezien zijn we net machines. Als je de stroom te pakken hebt, de formules kent, glij je geruisloos mee. Maar lang niet iedereen heeft dat mechanisme onder de knie.

Zodra ik iets formeels moet doen – iets wat hoort en wat iedereen doet – voelt het alsof er iets wezenlijks uit het contact sijpelt. Ik kan niet bij een tv-opname een grapje herhalen, maar dan even opnieuw, en beter gearticuleerd . Een grap in het verleden kan niet zonder kleerscheuren worden meegesmokkeld naar de toekomst.

Ik kan niet voor een camera praten alsof de mensen er wél zijn, en intussen doen alsof de programmamakers in dezelfde ruimte er níet zijn. Het voelt schijnheilig, het voelt nep. Maar toch voelt het alsof het probleem bij mij ligt: het wordt eigenlijk van me verwacht. Voelt niemand hetzelfde? Ben ik dan een drukfout? Aan het waken tussen de dromers, of, zo je wilt, aan het dromen tussen de levenden?

Waarom voelt contact zo vaak niet ‘echt’?

Waarom voelt contact zo vaak niet ‘echt’? Met die vraag naar de wezenlijkheid van contact zit ik al een tijdje. Wanneer zijn we nu werkelijk met anderen verbonden? Wat maakt een contact betekenisvol? Wanneer zijn we nog werkelijk intiem? Zo kwam ik op dat diagram. Daarbij moet ik u vertellen dat ik in een lange verkering zat en de rest niet.

Iedereen in de achtbaan, behalve die vrouw die op de tassen past, met een verregende suikerspin. Dat toeschouwen maakt je opmerkzaam, zelfs als je dat wat er gebeurt zou willen vergeten. En op den duur is er zoveel materiaal opgeslagen in dezelfde hersenhaven waar bijvoorbeeld ook het kofschip ligt, dat ik dat op een saaie zondag op een bult heb gegooid en overzichtelijk ben gaan maken.

Plechtig maar potsierlijk

Ik verbond iedereen die ooit met elkaar in intiem contact verkeerde met een lijn, ‘discreet’ aangeduid met initialen, tot er een uitgebreid netwerkschema ontstond. Een plechtige maar potsierlijke representatie, vond ik, vastbesloten het aan niemand te laten zien. Maar ook reuze-inzichtelijk.

Ik ontdekte een paar centrale kantelpunten, een soort zonnen met hun eigen stelsel aan mensen die op hetzelfde hart vielen. Aangetrokken door zo’n zon draaiden de gegadigden er als planeten omheen, met hier en daar een onderlinge flirt. Het is tenslotte best eenzaam als de zon geen keuze kan maken.

Zo zat ik een tijdje te stoethaspelen met mijn eigen uit het vlees getrokken logica. De grootste vondst: een keten waarin iemand zichzelf – via een reeks van zes tussenstappen – zijn eigen soa kon terugbezorgen.

Seksplattegrond, niet zo sjiek

Hoe het gekomen is weet ik niet meer, maar iemand kreeg weet van het diagram, en zo hecht als het netwerk was liep ook het vuurtje. Iedereen wilde op bezoek komen om zichzelf te lokaliseren. Een enkeling was verbolgen. De seksplattegrond van Sanne ten Wolde waar ze zelf niet opstaat, dat is natuurlijk niet zo sjiek, dacht ik. Maar het was erger: ik had een kostbare verbinding gereduceerd tot een kluit corresponderende contacten van dezelfde soort.

Ik had meteen spijt. Ik begreep het. Er is iets in de liefde dat je hysterisch wil doen hoeden, als een ei op hoog vuur. Aan de intimiteit van een contact kan een gewicht hangen dat haast stoffelijk aanvoelt. Gewichtigheid als dichotomie: soms zwaar, als lood, maar vaak ook belangrijk, betekenisvol. Hoe dan ook vult het ruimte, en deze ruimte was niet van mij.

Van andermans liefdesrelaties afblijven

De soa-ladder kreeg iets grimmigs, en bleek bovendien onwaar. Terwijl de dingen meestal netjes om de beurt gebeurden, sijpelde die chronologie er in mijn kader uit. In mijn diagram was geen ruimte voor tijd, maar evenmin voor liefde, lust of pijn. Want hoe deel je hartstocht netjes in? Hoe prop je iets in een vakje dat per definitie al over de plinten klotst? Er is geen meta-perspectief dat ordelijk kan maken wat niet rationeel te organiseren is.

Naast dat ik met mijn tengels van andermans liefdesrelaties af moest blijven, leerde dit seksdiagram me hoe lelijk we erop kunnen staan dankzij de ordening die wordt aangebracht. Ook onware dingen kunnen invloedrijk zijn, ‘normaal’ worden, wanneer we zo gewend raken aan een kader dat we die indeling als feit gaan beschouwen. Niet iedereen komt met dezelfde bril even fraai uit de bus.

Dystopisch karakter

Het is begrijpelijk dat als een ordening functioneert, we hem niet gelijk opheffen als het ons leven gemakkelijker maakt, maar zodra onze eigen concepten de beweeglijkheid van mensen gevangen houden, moeten we proberen te genezen van onze liefde voor ruwe eenvoud. Het leven krijgt een dystopisch karakter wanneer we de afstand tussen het denken en de werkelijkheid miskennen. Daarom moeten we ons redelijk vermogen steeds opnieuw blijven gebruiken.

Verwarring toelaten is geen teken van zwakte – het is het diepe besef dat de wereld ingewikkeld en veelzijdig is.

Sanne ten Wolde (Emmen, 1990) is filosoof en docent filosofie. Ze woont in Groningen.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen