Groningen krijgt een vereniging waarin alle vrijwillige opruimers, feestgevers, verzorgers en etenkokers elkaar helpen

In de participatiesamenleving doen wij burgers alles zelf wel. Klinkt mooi, maar vrijwilligers hebben het soms zwaar. In Groningen wordt gewerkt aan een vereniging voor burgerinitiatieven, die samenwerken en overleggen met de overheid gemakkelijker moet maken.

Ze stonden al vóór tienen te wachten voor de deur van Travertijnstraat 12 in Vinkhuizen. Ze zijn jong, oud, wit, donker, alleen of gezellig met de buren. Ze dragen grote tassen en neuzen door de rekken, kasten en bakken. Aan de vrijwilligers, herkenbaar aan zwart shirt met wit opschrift, vragen ze: „Is Gea er ook? Waar is Gea?”

Gea Topelen-Wilkens (54) is er, natuurlijk, want dit is Gea’s Weggeefwinkel. Sinds april dit jaar is ze drie ochtenden per week open voor iedereen die zin heeft om langs te komen, een bak koffie te drinken en spullen uit te zoeken. Gratis. Topelen-Wilkens doet het allemaal voor Groningers die het niet zo breed hebben. Hun glunderende gezichten zijn beloning genoeg.

Allemaal burgerinitiatieven

Dit noemen organisatieadviseur Peter Bootsma en ondernemer Conny Eldering (beide 60) nou een burgerinitiatief. Maar er valt veel meer in die categorie. Ruim je bijvoorbeeld wel eens zwerfvuil op in je buurt? Da’s een burgerinitiatief. Gaan jij en je buren beurtelings op bezoek bij de oude, eenzame dame in je straat? Telt ook. Organiseer je het jaarlijkse wijkfeest, run je een groente- en fruitpluktuin, regel je zonnepanelen voor je wijk? Allemaal burgerinitiatieven.

Daarvan zijn er veel in de stad. Hoeveel? „Dat weet eigenlijk niemand”, zegt Bootsma, die voorzitter is van de vereniging Noorden Duurzaam. „Onze beste schatting is: iets tussen de 100 en de 1000. Een definitie is er ook nog niet echt.”

In allebei die dingen gaan hij en Eldering verandering brengen, want ze hebben een ambitieus plan. In samenwerking met de Hanzehogeschool, Noorden Duurzaam en studentvrijwilligersbureau WIJS inventariseren ze alle burgerinitiatieven in Groningen, van klein tot groot, van ijverige eenling tot keurig georganiseerde stichting. Om ze daarna allemaal samen te brengen in een - ja, waarin eigenlijk? Ze noemen het voorlopig maar een brancheorganisatie.

‘Het speelveld is ongelijk en er is geen afstemming’

„Zoiets als wat wij voor ogen hebben, bestaat zover wij weten nog nergens”, weet Bootsma. Eldering: „Eerst wilden we het ‘coöperatie’ noemen, maar dat klopt eigenlijk niet met wat we willen. Een coöperatie heeft een economische component, dat je allemaal samen iets produceert en winst behaalt.” Dat is niet zozeer de bedoeling; Eldering en Bootsma willen vooral zorgen dat verschillende vrijwilligersorganisaties gemakkelijker met elkaar kunnen samenwerken, en dat ze indien gewenst een spreekbuis hebben richting de lokale overheid.

Ergo: een brancheorganisatie. Dat kunnen alle Groningse vrijwilligers best gebruiken, denken ze. „Het speelveld is ongelijk, en er is geen afstemming”, zegt Eldering, zelf betrokken bij de nodige burgerinitiatieven in De Hoogte. Met name Mijn Gereedschapskist is Elderings kindje; een stichting waar Stadjers tegen een kleine contributie (en voor Stadjerspashouders gratis) gereedschap kunnen lenen.

Hij ziet dat andere organisaties in de stad soortgelijke initiatieven opstarten. Grotere organisaties, soms, met meer geld, die nu in feite met hem concurreren. Een ongelijk speelveld, geen afstemming - dat bedoelt hij dus. „Maar het gaat ook over: spreek je de taal van de beleidsmakers of niet?”

Een buurtcommissie uit een rijke buitenwijk, met mondige, hoogopgeleide leden met een uitgebreid netwerk, krijgt zomaar van alles gedaan bij de gemeente. Veel gemakkelijker dan, bijvoorbeeld, een vijftiger in Vinkhuizen die gewoon wat armlastige buurtgenoten blij wil maken.

Zelfs uit Gea’s Weggeefwinkel wordt gestolen

Begrijp het niet verkeerd: Gea Topelen-Wilkens is de Weggeefwinkel begonnen omdat ze het leuk vond en dat vindt ze nog steeds. „In een supermarkt loopt iedereen chagrijnig rond. Hier komen ze met een big smile binnen en met een nog grotere smile gaan ze weer weg.” Topelen-Wilkens grijnst er zelf breed bij. „Ja, dat vind ik heerlijk.”

Maar er zijn ook zorgen. Om ruimte, bijvoorbeeld. Eigenlijk wordt haar pand aan de Travertijnstraat te klein voor de enorme hoeveelheden spullen en klanten die de Weggeefwinkel krijgt. Topelen-Wilkens zoekt driftig naar een ander onderkomen. Idealiter eentje dat ze gratis kan gebruiken; een Weggeefwinkel heeft natuurlijk geen inkomsten. Of ze voor subsidie in aanmerking zou komen? Dat weet ze eigenlijk niet. „Geen idee wat voor potjes er bestaan.”

Alles bij elkaar kost de Weggeefwinkel meer werk dan ze vooraf gedacht had. Het loopt meer storm dan ze verwacht had, ook, zowel met klanten als met spullenbrengers. „Aanhangers vol krijg ik binnen, prachtige spullen, soms nog gloednieuw. Ik probeer alles te bekijken voor het in de winkel terecht komt, maar op drukke momenten lukt dat niet altijd.”

Een groep vrijwilligers helpt Topelen-Wilkens met het runnen van de winkel. Ze noteren de klantnummers en de artikelen die meegenomen worden; iedere bezoeker mag tien voorwerpen per week, en vijftien kledingstukken. Je hebt ze ertussen die een loopje proberen te nemen met die regel. Ja, zelfs uit een Weggeefwinkel wordt gestolen.

Topelen-Wilkens vindt het hartstikke leuk wat ze doet, begrijp haar niet verkeerd. Maar soms niet. „Soms zit ik met de handen in het haar”, bekent ze.

Participatiesamenleving: ‘ruimte geven’ of ‘laten liggen’?

Veel burgerinitiatieven die vol goede moed beginnen, weet Peter Bootsma, sneuvelen binnen korte tijd. „Het is een kwetsbare groep”, zegt hij. „Vrijwilligers die hun eigen tijd en hun eigen geld ergens instoppen, soms om iets op te pakken wat de overheid laat liggen.”

Want dat doet de overheid, laten liggen, sinds koning Willem-Alexander in z’n eerste troonrede in 2013 aankondigde dat Nederland geen verzorgingsstaat meer is, maar een participatiesamenleving. Overigens heet het meestal geen ‘laten liggen’, maar ‘loslaten’, of ‘ruimte geven’, of ‘dienstbaar zijn aan initiatieven van anderen.’

„Op zichzelf is het niet nieuw, dat burgers allerlei eigen initiatieven ontplooien”, zegt de Groningse publicist Annemarie Kok. „Nederlanders zijn van oudsher heel maatschappelijk actief.” Wat wél nieuw is: „In de verzorgingsstaat nam de overheid nog de eindverantwoordelijkheid op zich voor sociale zaken. Sinds 2013 is de tendens: jullie, burgers, zijn zó hoog opgeleid en connected dat jullie best voor jezelf en elkaar kunnen zorgen.”

Dat, vindt Kok, is echt wel een paar stappen te ver. „Je neemt ten eerste aan dat mensen zelf de zorg voor elkaar op zich kunnen en willen nemen, en ten tweede dat dat goed zou zijn voor de samenleving. Daar heb ik mijn twijfels bij. De verantwoordelijkheid raakt scheef verdeeld. Natuurlijk wíl iedereen heel graag zichzelf kunnen redden. De vraag is: op wie kun je terugvallen als je dat niet kunt?”

Meer samenwerking tussen vrijwilligers geen slecht idee

Die verantwoordelijkheid zou niet in eerste instantie bij gewone burgers moeten liggen, stelt Kok. „Als mensen het leuk vinden om iets zelf te organiseren en het legt geen al te groot beslag op hun tijd, dan moeten ze dat vooral doen. Maar niet alles wat een burgerinitiatief is, is automatisch geweldig. Dingen die echt de publieke zaak betreffen, waar tegenstrijdige belangen mee gemoeid zijn en belastinggeld - daar zou de politiek voorop moeten gaan.”

Anders bestaat de kans dat de samenleving er niet meer, maar juist minder democratisch op wordt. Dat het burgerinitiatief met de grootste mond, het beste netwerk, de dikste portemonnee of de hoogste opleiding de dienst uitmaakt. Wat dat betreft is wat meer samenwerking, solidariteit en uitwisseling tussen verschillende vrijwilligers misschien geen slecht idee, denkt Kok.

Gea Topelen-Wilkens ziet het ook wel zitten. „Samenwerken? Ja, dat lijkt me wel wat. Op kleine schaal doe ik het trouwens al met The Free Café.” Die organisatie, die enkele avonden per week gratis maaltijden verzorgd met eten dat anders weggegooid zou worden, deelt het pand aan de Travertijnstraat met haar. Zo nu en dan kan ze producten van hen overnemen. „Brood, bijvoorbeeld. Dat geef ik dan weer aan mijn klanten mee.”

Een spreekbuis, een prikbord en een café

Peter Bootsma en Conny Eldering schatten in dat de meeste burgerinitiatieven er net zo over denken. Hoe hun brancheorganisatie precies wordt ingericht, weten ze nog niet. Eerst ronden de Hanzestudenten hun inventarisatie af. Daarna, komend voorjaar, werken ze de structuur van de vereniging verder uit. Een website is er al wel: burgerinitiatievengroningen.nl .

„Het moet eigenlijk drie functies krijgen”, vat Bootsma samen: „Een spreekbuis, om vragen en perspectieven te verwoorden richting de gemeente; een prikbord, om elkaar te informeren, en een café, om elkaar te ontmoeten.” In elk geval mag het de vrijwilligers geen geld kosten, en zo weinig mogelijk tijd. Die hebben ze hard genoeg nodig voor de feesten, zonnepanelen, gratis maaltijden, gereedschapskisten en weggeefwinkels.

menu