Hoe de brand bij Holland Casino bevelvoerder Richard Bouma verraste

Bevelvoerder Richard Bouma van de brandweer Groningen.

Om de brand in Holland Casino in Groningen te bedwingen worden 150 brandweermannen, 16 bluswagens en 5 hoogwerkers ingezet. Bevelhebber Richard Bouma blikt terug op die 27ste augustus.

Gadverjasses, denkt Richard Bouma als het alarm zondagochtend door de brandweerkazerne aan de Sontweg in Groningen schalt. Verder slapen, dat is wat de 48-jarige brandweerman wil. Vannacht, om een uur of vier, had het geluid hem ook al uit zijn slaap gerukt. Een woningbrandje aan de Westerbinnensingel was het geweest, niks spannends, maar het had hem en zijn collega’s wel dik een uur slaap gekost.

Het is zondag 27 augustus, twee minuten over zeven in de ochtend. De dienst van Bouma zit er bijna op. Nog een uurtje, dan heeft hij 24 uur gewerkt en kan hij naar huis. Maar nu nog niet. Nu ligt hij nog in zijn slaapkamer op de kazerne en nu klinkt er nog een schel alarm.

Bouma grijpt zijn pieper van het nachtkastje naast zijn bed. Het scherm van het zwarte apparaatje licht blauw op. ‘Automatisch brandalarm, 7:02 uur, Holland Casino, Gedempte Kattendiep’, leest hij. De spanning die bij elke melding door zijn lichaam kruipt, zakt weg. Een automatisch alarm, dat stelt niets voor. Een storing, een aangebrande tosti, iemand die onder een rookmelder een sigaret opsteekt, dat werk.

Een ervaren brandweerman

Routineus springt de brandweerman uit bed. Hij heeft 23 jaar ervaring, inmiddels staat hij als ploegchef voor een team van dertig man. Bouma graait zijn kleren van een stoel, trekt ze aan en stapt de gang op. Hier, in een lange hal met smalle kasten langs de muren, voor elk van de bijna negentig brandweerlieden één, treft hij zijn collega’s. Vijf mannen, net als hij allemaal net wakker. Via twee dikke metalen palen glijden ze naar beneden, naar de brandweerwagens.

loading

Anderhalve minuut nadat het alarm begon, slaat de brandweerauto rechtsaf de Sontweg op. Bouma zit als bevelvoerder rechtsvoor en praat via de mobilofoon met de meldkamer.

Het is inderdaad een automaatje, krijgt hij te horen.

Op zijn schoot ligt een plattegrond van de omgeving van het casino. Nooduitgangen, brandkranen, alles staat erop. De zes mannen testen hun portofoons, twee van hen binden een fles met ademlucht op hun rug. De sfeer is relaxed. Zo werkt dat bij zo’n automatisch alarm, dat voelt anders dan als je naar een huis vol mensen rijdt waar de vlammen uitslaan.

De stemming slaat om

Nog geen minuut later, de brandweerauto is bijna bij de binnenstad, slaat de stemming om. Er is daadwerkelijk brand, hoort Bouma uit de meldkamer.

„Jongens, er is echt brand”, roept hij naar achteren.

Adrenaline. Nu grijpt iedereen naar een ademluchtfles. De chauffeur wil de wagen volgens plan links van het casino parkeren, naast de oude muur in het steegje waar ook de personeelsingang zit.

„Niet doen!”, roept Bouma als hij ziet hoe een beveiliger druk naar hen zwaait. „Zet ‘m maar recht voor de deur neer.”

Al vanuit de wagen ziet Bouma vlammen, beneden, net achter de glazen entree van het casino. Hij stapt uit en kijkt om zich heen. Het is nu aan hem, als bevelvoerder van het eerste voertuig, om te beslissen wat er moet gebeuren. „Jongens, naar binnen, en neem een straal mee”, zegt hij tegen twee van de mannen. Ze grijpen een zwarte slang en verdwijnen door de ingang. Twee anderen helpen met het uitrollen van de slang, nummer vijf bedient de pomp.

Maak er maar een middelbrand van, zegt Bouma tegen de meldkamer, wat betekent dat er vanuit de kazerne in Vinkhuizen een tweede tankautospuit met nog eens zes man wordt opgeroepen. Ook bestelt hij een hoogwerker.

Dat moet genoeg zijn, denkt hij, daarmee redden we het wel. Hij keert zich tot de beveiliger, die hem vertelt dat er geen bezoekers meer in het casino zijn. Gelukkig. De man zegt dat hij de brand bij een bar achterin het pand ontdekte en dat hij het vuur tevergeefs probeerde te blussen. Trouwens, zegt de beveiligingsmedewerker dan, er is nog een tweede beveiliger aan het werk en zij is nog binnen.

Brokstukken uit het plafond

Terwijl Bouma die laatste zin tot zich door laat dringen, stormen de twee brandweermannen naar buiten. „Richard, we kunnen er niet meer zijn”, schreeuwen ze. „Het is veel te heet binnen en er vallen brokstukken uit het plafond.” De bevelvoerder draait zich om en ziet, op de plek waar hij net nog vlammen zag, één grote, dreigende kolom vol zwarte rook.

Hij schrikt. De snelheid waarmee de brand zich ontwikkelt, overvalt hem. Zo snel hoort het niet te gaan.

Hij realiseert zich: dit komt zo helemaal niet goed. Dacht hij zeven minuten geleden nog aan een zwartgeblakerde tosti, nu vreest hij voor het lot van de gebouwen rondom het casino.

Wat als hij niet kan voorkomen dat het vuur overslaat? Naar de huizen aan het Schuitendiep bijvoorbeeld, op zondagochtend natuurlijk vol slapende mensen, of naar de vele monumentale gebouwen in de buurt?

Opnieuw schaalt de bevelvoerder op. Met de beveiliger die nog ergens door het pand dwaalt in zijn achterhoofd, slaat hij de categorie grote brand over en maakt hij er direct een zeer grote brand van. De meldkamer roept daarop een derde en vierde tankautospuit op en bestelt bovendien een tweede hoogwerker.

loading

Beweging. Links.

Een vrouw slaat de hoek om en loopt voor de ingang van de parkeergarage langs naar hem toe. Bouma kijkt eens goed. Ze draagt een uniform. Jawel, het is de tweede beveiliger, veilig en wel. Zijn adem, die hij ongemerkt had ingehouden, blaast hij met kracht uit. Opluchting.

Blus maar van buitenaf, roept hij naar zijn mannen. Zelf begint hij aan een rondje om het pand. Het is aan hem om de wagens die zo arriveren op de beste plek te zetten. Onderweg komt hij aardig wat toeschouwers tegen. „Zet het hier maar af”, roept hij naar een agent.

Via de Poelestraat en Achter de Muur loopt Bouma terug naar de voorkant van het casino. Het is half acht en voor het eerst heeft hij een moment van rust. Het komt goed, denkt hij. Niet met het gokpaleis zelf, dat is verloren, maar met de extra manschappen moet het lukken om de omgeving van het casino te sparen.

Kort daarop verschijnen de extra wagens. Bouma wijst ze hun plek en draagt de leiding over de brand over aan de hoofdofficier van dienst.

Een oudere man in de parkeergarage

Opnieuw beweging. Opnieuw van links. Uit de parkeergarage komt een oudere man.

Wacht.

Wát?

Een oudere man. Uit de parkeergarage. De parkeergarage van het casino. Het casino dat in brand staat.

De man vertelt dat hij uit Duitsland komt. Hij bezocht gisteravond het casino, dronk na afloop een jenever aan de overkant bij literair café De Graanrepubliek, en besloot rond half vijf ‘s nachts in zijn auto te gaan slapen, alwaar hij net wakker werd.

Shit, denkt Bouma. Er zijn mensen die in hun auto slapen? Er zijn geen bezoekers meer, had de beveiliger hem toch verteld? Bovendien, in het begin was de parkeergarage nog goed begaanbaar. Iemand die binnen was, kon zo naar buiten lopen. Maar ja, als je slaapt...

We moeten de rest van de auto’s controleren, besluit Bouma. Als er één iemand is die in zijn auto slaapt, dan is er misschien ook wel een tweede die hetzelfde doet. Bouma roept vier van zijn mannen bij elkaar. Samen gaan ze naar parkeergarage. Een van hen breekt het metalen hek, stevig en op slot, open met een spreider. Het is donker binnen. Warm. Uit het plafond bungelen stroomkabels. Ook hier brandt het inmiddels.

Snel gaan de brandweerlieden aan het werk. Een stukje van een raam schoon boenen, zaklantaarn erop en kijken of er iemand in zit. Ruim twintig auto’s controleren ze. Bij een ervan staan de deuren wagenwijd open. Er liggen slaapspullen in. Dit moet de auto van de Duitser zijn, denkt Bouma. Mensen treffen ze niet aan. Aan het eind van de garage nemen ze de trap naar boven.

Daar komen ze hun collega’s uit Vinkhuizen tegen, die via de personeelsingang proberen de brandhaard te bereiken. De rook om hen heen is wit, stellen de brandweermannen tevreden vast. Zwarte rook ontstaat als er nog van alles brandt. Witte rook, oftewel waterdamp, is een teken dat het de goede kant op gaat.

Een nieuwe opdracht

 

Bouma en zijn mannen krijgen een nieuwe opdracht. Het ventilatiesysteem in het casino staat nog aan en pompt doorlopend nieuwe lucht naar binnen. Van al dat extra zuurstof wordt de brand steeds groter. Het systeem moet dus uit, oftewel de elektriciteit moet uitgeschakeld.

Dat lijkt een makkelijke klus. De meldkamer vraagt netbeheerder Enexis, en die stuurt iemand om ter plaatse de stroom uit te schakelen. Met een doffe zucht komen de ventilatoren even later tot rust.

Zoeoeoefffff...

Een seconde is het stil.

Dan klinkt er gepruttel. Het ventilatiesysteem begint opnieuw te draaien. Verbaasd kijken de mannen elkaar aan. Wat is dit nu?

Het noodaggregaat op het dak blijkt te zijn aangesprongen.

Fuck, denkt Bouma. Hoeveel ervaring je als brandweerman ook hebt, bij een flinke brand zijn er altijd dingen die je verrassen. Toch baalt hij ervan dat hij er niet zelf aan heeft gedacht. Hij had het kunnen weten. Een casino kan natuurlijk niet zonder noodstroomvoorziening. Immers, met al die bankbiljetten in een casino wil je niet dat de deuren opengaan als de stroom eens uitvalt.

Dan moeten ze het dak maar op, om daar het noodaggregaat uit te schakelen. Dat is bepaald geen gemakkelijke klus. De vestigingen van Holland Casino zijn bijzonder goed beveiligd. Een inbreker komt niet zomaar binnen. Een brandweerman dus ook niet.

Gewapend met het toegangspasje van een van de beveiligers en een stapel zwaar gereedschap, gaat Bouma met vier mannen via de personeelsingang naar boven. Onderweg komen ze geen vlammen tegen. Wel witte rook. Mooi, het is hier wel veilig, stelt Bouma vast. In een rijtje lopen ze verder.

loading

„Pas op!”, klinkt het door de portofoon van Bouma. Het is een van zijn collega’s die buiten staat. Waardoor het komt is onduidelijk, waarschuwt de brandweerman buiten, maar het vuur laait plots enorm op. „Er komt zwarte rook aan”, klinkt het dreigend.

Tijd om het noodaggregaatplan bij te stellen is er niet. De ruimte waar de mannen zich bevinden, is binnen een paar seconden volledig zwart. De brandweermannen grijpen elkaar stevig vast en lopen, terwijl ze elkaar al niet meer kunnen zien, hand in hand terug naar waar ze vandaan komen. Niks niet het dak op voor dat aggregaat, hup, naar buiten, nu! Vier trappen steggelen ze samen af, nog altijd hand in hand.

Buiten halen ze opgelucht adem. „Oké”, zegt Bouma. „Dat doen we niet nog eens.”

Brandweermannen gooien ramen in

De vijf lopen van de personeelsingang terug naar de voorkant van het casino. Het is er nog drukker dan het er al was. Meer publiek, meer politie, ambulances.

loading

Bouma ziet hoe zijn collega’s de ramen in de voorgevel ingooien. Binnen is het nu zo heet dat de zwarte rook wel eens zou kunnen ontbranden. Exploderen misschien zelfs. Door de ramen kapot te maken, kan de rook en de hitte ontsnappen. Althans, dat is de theorie. In de praktijk helpt het nauwelijks.

De hoofdofficier van dienst praat hem bij. Terwijl Bouma met zijn mannen door het casino sloop, was het ook buiten bijzonder spannend geweest. De aanwezige diesel in het casino had de hoofdofficier zorgen gebaard. Twee tanks van elk enkele honderden liters staan er binnen, bedoeld als brandstof voor het noodaggregaat. En ook op het dak bevindt zich nog wat van het spul. De twee tanks staan beneden, linksvoor, in een hoek waar gelukkig geen brandt woedt. Maar voor de zekerheid had de hoofdofficier massaal versterking uit Drenthe opgeroepen. Mocht er toch iets misgaan, dan had hij alle hulp hard nodig gehad.

Het grootste gevaar is nu wel geweken, vertelt de hoofdofficier aan Bouma. Het casino is weliswaar nog lang niet uitgebrand, maar de omgeving is nu veilig.

Mooi, denkt Bouma. Hij roept zijn mensen bij elkaar. Achttien brandweerlieden, allen een dag eerder al om acht uur ‘s ochtends begonnen. „Het is mooi geweest”, zegt hij tegen ze.

loading

Rond twaalf uur ‘s middags arriveert er een brandweerbusje met achttien nieuwe mensen. Bouma en zijn club rijden met het busje terug naar de kazernes.

Douchen

Douchen, dat willen ze. Lang en warm douchen. Gewoon, staan onder een harde straal, niets hoeven, niets zeggen, terwijl je gedachten alle kanten opvliegen. Terwijl hun collega’s zich op het Gedempte Kattendiep, nauwelijks een kilometer verderop, klaarmaken om het sein brand meester te geven, praten de jongens van Bouma nog even met elkaar na. Het is twee uur ‘s middags, zeven uur nadat de eerste melding kwam, en ze zijn kapot. Moe en hongerig.

Het is tijd om naar huis te gaan.

menu