Tessa Kaufman vertelt over haar proefschrift over kinderen die slachtoffer zijn van chronisch (en dus ernstig of langdurig) pesten.

Hoe helpen we gepeste kinderen als een antipestprogramma niet werkt? Dat weet deze RUG-wetenschapper

Tessa Kaufman vertelt over haar proefschrift over kinderen die slachtoffer zijn van chronisch (en dus ernstig of langdurig) pesten. Foto: Corné Sparidaens

Antipestprogramma’s die effectief blijken, leiden ook tot nieuwe onvoorziene problemen. Kinderen die er niet door worden geholpen, hebben het daarna juist lastiger.

Voor chronische pestslachtoffers kan een antipestprogramma averechts uitpakken. Daarom onderzocht socioloog aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) Tessa Kaufman welke kinderen het meeste risico lopen om lange tijd gepest te worden en wat wij kunnen doen om die groep te helpen. Donderdagmiddag verdedigt zij haar proefschrift in het Academiegebouw van de RUG.

Fijne school paradox

In haar onderzoek gebruikte Kaufman gegevens van ruim 9.000 kinderen van tussen de 7 en 12 jaar oud in de eerste twee jaar na de uitvoering van het antipestprogramma KiVa. Wat bleek: 80 procent van de aanvankelijke slachtoffers werd na de lessen van het programma minder gepest. Dat is belangrijk, want degenen die niet door het programma geholpen werden (20% van de aanvankelijke slachtoffers van pesten), zijn vaak juist ongelukkiger dan voorheen.

Dat heeft te maken met de schijnbare tegenstelling (paradox) die ontstaat wanneer een school haar best doet pesten te voorkomen, legt Kaufman uit: „Hoe fijner en veiliger de school is, hoe moeilijker de kinderen die zich daar juist niet veilig en fijn voelen het hebben. Zij gaan hun problemen meer op zichzelf betrekken en verliezen lotgenoten die wel geholpen zijn door een antipestprogramma. Deze ‘fijne school paradox’ was een aanleiding om het onderzoek zo te benaderen.”

Somberder

Uit haar onderzoek bleek dat deze kinderen somberder en teruggetrokkener waren en ook thuis te maken hadden met een lastige situatie. „Als een kind op school gepest wordt, heeft dat effect op het gedrag thuis. Een kind kan somberder zijn of vervelend doen. Als ouders dan afwijzend zijn, kan een negatieve spiraal ontstaan. Aan de andere kant is het voor ouders niet eenduidig wat zij concreet moeten doen. Daarom is een van de stappen die we willen zetten met het programma om ouders ook goed te gaan informeren en ondersteuning te bieden”, vertelt Kaufman.

Maatwerk is volgens haar een belangrijk onderdeel van de structurele oplossing. Kaufman: „De focus ligt bij antipestprogramma’s vaak op de hele groep. Als dat niet werkt, kan individuele (psychologische) interventie kinderen helpen om positief over zichzelf en anderen te denken en om meer ‘te durven’ wat betreft contact leggen met leeftijdsgenoten.”

Met plezier naar school

Tijdens het onderzoek bleek ook dat lesbische, homoseksuele en biseksuele (LHB) jongeren veel het risico lopen langdurig gepest te worden. Dat geldt voor veel kinderen die afwijken van de norm, zegt Kaufman. „Er is in de preventieprogramma’s meer aandacht nodig voor de kwetsbare positie van minderheidsgroepen, zoals seksuele minderheden. En, hoewel ik het binnen dit onderzoek niet heb onderzocht, mogelijk ook voor etnische minderheden of jongeren met een handicap.”

De feedback van Kaufman op het programma moet leiden tot concrete verbeteringen. „Een betere monitor om gevallen te herkennen bijvoorbeeld”, zegt ze, „en handvatten voor scholen om de uitkomsten van monitoring daadwerkelijk te benutten. Hoe effectief huidige programma’s ook zijn, alle leerlingen hebben het recht om met plezier naar school te gaan en op een veilige en fijne manier op te groeien.’

menu