Column Achter het behang #35: Iets voor jezelf doen

Illustratie: Infographics DvhN

Na zes weken op elkaars lip is het meivakantie en nog steeds blijven we thuis: de laatste loodjes tot de scholen opengaan. Verslaggever Maaike Borst schrijft dagelijks over haar gezin in coronatijd.

Ineens was hij verdwenen. Ik doezelde weg in de hangmat, de systeembeheerder stond onder de douche en ver weg in mijn sluimer hoorde ik de klink van het tuinhekje. Het duurde even voordat mijn uitgeputte brein het geluid en de mogelijke gevolgen aan elkaar verbond. Toen ik overeind schoot was het te laat.

Kleine broer was weg.

Het was de namiddag van een slepende zondag. Zo’n dag waarop je vol goede moed een bed voor je kind in elkaar zet dat niet blijkt te passen, je na veel gehannes besluit er een stuk af te zagen en dan nergens in huis de decoupeerzaag kunt vinden.

Zo’n dag waarop de kleuter-zeurstem zijn nagels in je achterhoofd heeft gezet. En als je dan in godsnaam maar met de bron ervan naar de speeltuin gaat, weigert hij halverwege verder te fietsen en beland je in een patstelling die je doorbreekt met de belofte van een ijsje - en hoe knus je daarna ook samen uit een roze bakje lepelt, je weet dat je volgende keer de klos bent.

In de hangmat dacht ik aan de twee weken meivakantie die voor ons liggen totdat de scholen weer beginnen. Kleine broer drentelde om me heen, mopperend dat zijn vriendje, zijn favoriete oppas, zijn grote broer én zijn opa en oma er niet waren. Bij de oppas, zei hij verwijtend, hoefde hij nooit zelf te bedenken wat hij ging doen.

Na zes weken thuis hangen was hij ons spuugzat en het gevoel was wederzijds. Totdat ik het tuinhekje hoorde. Ik rende de straat op, waar in een onbegrijpelijke shared-space-is-veiliger gedachte geen stoep is maar wel auto’s rijden, en zag hem nergens. Ik riep. Geen antwoord. Rende naar binnen. Riep. Geen antwoord. Stormde de trap op. Riep. Geen antwoord.

De systeembeheerder stak zijn hoofd uit de douche en dacht dat hij hem iets had horen zeggen over de buren. Ik belde aan en daar was hij. Schoentjes uitgedaan, wat te drinken gekregen van de buurvrouw, gezellig keuvelend met iemand die alle aandacht voor hem had.

Hij was gevlucht uit de quarantaine-verveling. Ik wist dat ik boos moest zijn, maar ik wist ook dat ik hem zeker zes keer had gezegd dat hij nu eindelijk eens iets voor zichzelf moest doen.

menu