Ik Wacht (afl 39): Jan en Liefke Munneke uit Krewerd

De oude ‘zomerkamer’ in de boerderij van Jan en Liefke Munneke is al twee jaar kantine voor het bouwpersoneel, maar een definitieve oplossing voor hun aardbevingsschade is nog altijd niet in zicht. Foto Jan Zeeman

Een jaar na de aardbeving in Zeerijp wachten nog veel Groningers op een oplossing voor de schade aan hun huis. Ik wacht is een serie over mensen die het wachten zat zijn. Vandaag aflevering 39: Jan en Liefke Munneke uit Krewerd.

‘De gedupeerde is het verdienmodel’

Na vier jaar strijd dachten ze dat het eind in zicht was. Nog even een paar maanden doorbijten dan zou hun afbrokkelende boerderij bij Krewerd weer veilig zijn. Maar twee jaar verder staan de meubels nog altijd in de opslag en wonen Jan en Liefke Munneke nog steeds in een huurflatje in Appingedam. Verder van huis dan ooit, lijkt het bijna.

Ze doen hun relaas in de ‘zomerkamer’ van hun boerderij ’t Noorn, die nu al twee jaar dienst doet als kantine voor het bouwpersoneel. Hoewel: het laatste halfjaar is er maar bitter weinig gebouwd. De specietroffels zijn opgeborgen, erf en huis zijn afgegrendeld met hekken en permanente camerabewaking.

Eindeloze oefening in geduld

De Munnekes staan in de wacht. Alwéér. Hun leven is een eindeloze oefening in geduld sinds ze in 2012 de eerste schade ontdekten. ,,Na de klap van Huizinge,’’ zegt Liefke. Met elke nieuwe beving zagen ze de boerderij waar zij opgroeide en die al sinds 1909 in haar familie is, verder wegkruimelen. In 2013 was het verval zo ernstig dat ze de hele boel zelf maar in de stutten zetten.

De NAM kwam in 2014 met een eerste plan. De boerderij zou vanaf de buitenkant worden gesteund met permanente stalen stutten op de zwakste plek. Het plan strandde bij de welstandscommissie waarna het nog twee jaar zou duren voor er alsnog een akkoord lag. In januari 2017 ging de aannemer van start. Vier maanden zou het duren, maar toen de bouwvak kwam was de klus nog niet half geklaard. Pas in januari 2018 keerden de bouwlui terug, opnieuw tot de bouwvak. Inmiddels is de aan barrels getrilde keukenmuur vervangen en de schuur deels versterkt met stalen balken.

En daar stokt het. Want juist het ingewikkeldste vraagstuk moet nu nog worden opgelost. Wrang genoeg is het al verrichtte herstel- en versterkingswerk daarbij alleen maar een extra complicerende factor. De crux zit hem in de constructie. In 1937 werd het voorhuis van de klassieke Hogelandster kop-hals-rompboerderij vervangen door een woning in Amsterdamse School-stijl. Die krijgt nu bij elke nieuwe beving een ‘optater’ van de monumentale schuur. Die rust op houten zuilen en trilt dus mee met de bodem.

Het huis kukelt langzaam voorover

Stukje bij beetje tikt de schuur het huis verder uit het lood. ,,Het kukelt langzaam voorover’’, schetst Liefke. Herstel is complex en een oplossing voor de bevingsgevoelige constructie is zo mogelijk nog ingewikkelder. Om het huis te beschermen tegen de bewegingen van de schuur zou er tussen beide een buffer moeten komen van enkele centimers breed. Juist de nieuw gemetselde westgevel zou daarvoor weer moeten wijken.

,,Het is één grote knoeierij’’, zegt Jan. Het eerste herstelplan is al van tafel. ,,Er ligt een offerte waar je stijl van achterover slaat. Sloop en nieuwbouw lijkt goedkoper dan versterken van het bestaande huis.’’ Omdat alles toch weer op z’n gat lag, hebben de Munnekes zelf maar een Plan B ontwikkeld. Als het aan hen ligt, maakt het huis plaats voor herbouw in de oorspronkelijke kop-hals-romp stijl. Daarmee moeten ze nu opnieuw de pijplijn in.

,,Dit jaar gebeurt er niks meer’’, weet Jan nu al. ,,Op z’n vroegst gaan we volgend jaar verder: 2019 wordt een jaar van studie.’’ Hij en Liefke zijn er opmerkelijk monter onder, ze hebben inmiddels leren relativeren. Een beetje toch: ,,Het is een hopeloze hordeloop’’, zegt Jan. ,,Als je één hobbel neemt, wordt de volgende opgeworpen. Spelregels veranderen tijdens de wedstrijd en iedereen werkt langs elkaar heen.’’

,,Als gedupeerde ben je het verdienmodel’’, zegt Liefke. ,,Op al die kantoren die voor de mijnbouwschade zijn opgetuigd – van CVW, NCG tot TCMG – werken honderden mensen. Tel daar het legertje aan zzp-taxateurs en ‘schade-experts’ bij op en je zit zo op een man of duizend die de kost verdienen in ‘het systeem’. Het CVW heeft jaren miljoenen winst gemaakt, maar gedupeerden blijven zitten met een beschadigd en onveilig huis.’’

menu