Column Achter het Behang #32: 'Ik ben even voor u bezig'

Illustratie: Infographics DvhN

Wekenlang geen school, wekenlang thuiswerken, wekenlang op elkaars lip. Verslaggever Maaike Borst schrijft over haar gezin in tijden van corona.

De man staat rotsvast op de geel met zwarte strip die op de vloer van het winkelcentrum is geplakt. Hij heeft de armen obstinaat over elkaar geslagen en kijkt nors naar het meisje dat geen schone winkelmandjes meer in de aanbieding heeft en toch vriendelijk blijft glimlachen. Zonder mandje of karretje geen toegang tot de supermarkt.

,,O, hebben ze geen mandjes meer?’’, vraagt een vrouw die komt aanlopen. De onbeweeglijke man gromt. ,,Ze hebben wel mandjes maar ze zijn te lui om ze bij de kassa’s weg te halen.’’ Ook als hij praat, beweegt hij niet. Zijn lichaam is een klomp. Hij draagt een donkerblauw poloshirt met op zijn rug de tekst: ‘Ik ben even voor u bezig’.

De weg naar de supermarkt was zo zonnig. De appelboom voor het huis stond in volle bloei, in de grote den verderop zong een merel, de lammetjes dartelden in de wei, jongetjes met schepnetjes vingen kikkers in een slootje (echt waar). Het was als een kinderboek uit de jaren vijftig - zo nostalgisch als het hele coronabestaan zou zijn als het niet wreed werd verstoord door gifjes en videovergaderingen.

De jongetjes (‘we hebben ook drie salamanders!’) zaten op dezelfde school als mijn kinderen en hun vader kwam ze net in korte broek op de fiets ophalen. We maakten een praatje waarbij we tot onvrede van twee wandelaars die niet op anderhalve meter tussendoor pasten allebei aan een kant van het fietspad stonden. De wandelaars hadden natuurlijk gelijk - wandelaars hebben altijd gelijk.

Na deze eerste horde van chagrijn stuit ik in het winkelcentrum op de mopperende ik-ben-even-voor-u-bezig man. Ik wacht achter hem en realiseer me al snel dat dit een rij is voor winkelmandjes en dat je met een karretje wél de supermarkt in mag. De onbeweeglijke man is gewoon te lui om er een te pakken.

Als ik hem even later met een kar passeer glimlacht het winkelmeisje mij net zo vriendelijk toe als ze bij alle mopperaars doet. Zo is zij al zes weken lang voor ons bezig. ,,Hou vol’’, wil ik haar zeggen, maar hoe optimistisch ik ook probeer te blijven, ik ben natuurlijk niet de minister-president.


menu