Ik wacht (28): Henk van Driel uit Leermens

Het went, zegt Henk van Driel. Maar het zou niet moeten wennen. Foto: Jan Zeeman

Ruim een jaar na de beving in Zeerijp wachten nog vele Groningers op een oplossing voor de schade aan hun huis. Ik wacht is een serie over hen die het wachten zat zijn. Aflevering 28: Henk van Driel uit Leermens.

De schuur is al tegen de vlakte. De woning van Henk van Driel was ooit een oude kop-hals-rompboerderij. Maar de romp is eraf. Wat rest is een kop-halshuis.

Henk van Driel zit in zijn keuken, en kijkt naar buiten, waar een grote betonnen plaat het begin van zijn nieuwe huis markeert. Een derde deel financiert hij zelf. Henk van Driel is een optimistisch man. Dat hij en zijn gezin straks in een nagelnieuw pand wonen op een prachtige plek, is toch mooi meegenomen.

„Dat is te danken aan het feit dat het hier beeft. Je moet het alleen van zo ver halen, dat is zo jammer. Dat het eerst een half miljoen aan onderzoek moet kosten.”

Onbewoonbaar

Vier jaar geleden verklaarde de gemeente, op advies van de NAM, zijn huis onbewoonbaar. Niet door bevingsschade, de NAM weet de staat van het huis aan ‘ouderdom en windbelasting.’

„Eerst constateerden ze overal A-schade, toen werd dat B-schade, toen C-schade, en toen kwam het van de wind. Heel fascinerend hoor”, zegt Henk van Driel. „Die aanpassingen.”

Hij sloopte dus de schuur op last van de gemeente. Een paar weken later plofte er een brief van diezelfde gemeente op de mat: zijn boerderij had een monumentenstatus gekregen. Oeps. Die moest niet plat.

Verliefd op het Groninger land

Henk van Driel wil geen slachtofferrol aannemen. Hij komt uit Utrecht, dat kun je aan zijn sappige ‘a’ nog wel horen, werd verliefd op het Groninger land, maar constateert ook een soort calimero-gevoel onder de mede-gasgedupeerden, waar hij zich niet in herkent. „Als we meer dwang hadden uitgeoefend, harder hadden geroepen, het geld hadden geëist dat nu is opgegaan aan onderzoek, dan hadden we kunnen voorkomen wat er nu gebeurt: Groningen is een kostenpost in een plaatje dat economisch sluitend moet zijn. Electoraal valt er weinig te winnen, dus het zal Den Haag een rotzorg zijn wat er hier gebeurt.”

Wijzend naar de velden achter de Godlinzeweg: „Kijk nou. Dat land. Je moet uitkijken dat je niet in een nostalgische kramp schiet, we leven niet in het land van ooit, hè. We kunnen hier zoveel. We kunnen hier prachtige nieuwe dingen laten ontstaan.”

Hij heeft idealen zat. Maar tussen droom en daad staan bouwbesluiten in de weg, en schriftelijke bezwaren.

„Je moet in een hokje passen, waar een vinkje in kan worden gezet. Zo niet, dan heb je pech gehad.”

Wapperen met een bouwbesluit

Dat ondervindt hij bij de bouw van zijn nieuwe huis. Hij moest de vergunning bij de provincie aanvragen omdat de gemeente niet mee wilde werken. „Ik had na het slopen van de schuur eerst een herbouwvergunning aan moeten vragen. Ik wil een energieneutraal huis, maar zodra je af wilt wijken van het vakje wordt er gewapperd met het bouwbesluit. En de facturen die ik naar de NAM stuur, moet ik via mijn bedrijf Noorderwind eerst aan mezelf sturen en dan naar de NAM. Want anders, zeiden ze, kunnen we niet controleren of u wel een huis bouwt van ons geld. Ze gaan uit van wantrouwen. Denken ze dan dat we van hun geld op vakantie gaan?”

Dat die hokjesgeest benauwend is en de dadendrang fnuikt, is tot daar aan toe. Maar dat eenmaal een vink in een hokje altijd een vink is in datzelfde hokje, dat tergt.

„Ergens in een rapport staat dat er een muur is ingestort omdat ik een toog verkeerd gebouwd zou hebben. Die toog staat hier al 200 jaar, dus dat is aangetoond onjuist. Maar in ieder nieuw rapport duikt die door mij gebouwde toog weer op.”

Dat gevoel, zegt hij. Dat ze je het eigenlijk niet gunnen. Het went. Maar het zou niet moeten wennen.

menu