Paul van de Benzinebar, die man met die enorme baard, dat lange haar, de man die altijd een leren hesje draagt.

Interview: Het laatste rondje voor de legendarische Benzinebar met uitbater Paul de Boer

Paul van de Benzinebar, die man met die enorme baard, dat lange haar, de man die altijd een leren hesje draagt. Foto: Duncan Wijting

Het was de geruststelling van iedere nachtbraker in Groningen. Als alles dicht was, was de Benzinebar nog open. Uitbater Paul de Boer sluit de tent. ,,Op wat achteraf de laatste avond was, zaten we hier met vijf man.’’

Hij is samen met zijn dochter Lisette (9) wezen garnalen vissen. Terug in hun vakantiehuisje op Terschelling schenkt hij een glas rode wijn in en eet gretig van de olijven.

Daarna volgt de misselijkheid, het overgeven. En hij krijgt het koud, zo koud dat hij maar een ding kan bedenken: hij neemt een heet bad.

In bad geeft hij weer over. Zijn vriendin Esther zag hem nooit eerder zo ziek. Ze belt 112, de hulpdiensten zijn er snel, ze monsteren zijn hart. Foute boel.

Gesigneerde barkrukken

,,Veertig jaar rock-‘n-roll eist z’n tol’’, zegt Paul de Boer (68) erover. Hij heeft de duizend gekleurde lampen in de Benzinebar in Groningen ontstoken, neemt plaats aan de bar die bestaat uit oude marmeren schoorsteenmantels. ,,Het was hier altijd stervensheet, maar de bar was lekker koud.’’

Aan de bar schieten hem de zes biologen te binnen. Ze namen pas geleden contact met hem op toen ze hadden vernomen dat de Benzinebar voorgoed ging sluiten. Ze hadden een verzoek: of ze misschien alle zes een barkruk van hem mochten kopen, want die barkrukken brachten hen in één klap terug in de tijd.

Hun studententijd, waarin er nachten waren dat ze in het kabaal van de afgeladen Benzinebar een verzoeknummertje indienden bij Paul die er uren achtereen plaatjes draaide. Surfin USA van The Beach Boys wilden ze horen. In de drukte bemachtigden ze alle zes een barkruk die ze in de menigte parkeerden om erop te klimmen. Op die manier torenden ze boven iedereen uit en konden ze surfen.

De Boer imiteert hun bewegingen. Hij lacht. ,,Ik moest de barkrukken voor ze signeren’’, zegt hij.

loading  

Enorme baard, lang haar en leren hesje

Paul de Boer is beter bekend als Paul van de Benzinebar, die man met die enorme baard, dat lange haar, de man die altijd een leren hesje draagt. Dat verraadt zijn hang naar motoren. Precies in die voorliefde ligt de oorsprong van de Benzinebar.

Hij is geboren in Amersfoort. Voor het werk van zijn vader, technisch ingenieur bij de NS, verhuizen ze naar Groningen en vervolgens naar Leeuwarden. ,,Mijn ouders waren rasechte Amsterdammers’’, zegt De Boer aan wiens tongval dat nog altijd valt te horen.

Met zijn ouders en zijn broer brengt hij menig vakantie door op Terschelling, waar hij als kind leert rijden op een Puch en waar hij zijn ogen uitkijkt naar de vakantievierende mannen van de Harleyclub uit Leeuwarden.

Op zijn vijftiende woont hij zonder zijn ouders in Zwolle waar hij de HBS doet, daarna wacht de militaire dienst. ,,Je had in die tijd maar één opdracht en dat was afgekeurd worden. Dat lukte.’’

loading  

Vera was de ontmoetingsplek

Hij werkt een jaar met gehandicapten, twijfelt tussen de studies biologie en de sociale academie en kiest voor de laatste. In Groningen.

,,Ik kende veel mensen die na de HBS in Zwolle allemaal in Groningen studeerden. We gingen lekker uit in De Koffer, Talk of the town en De Kattenbak. Vera was onze ontmoetingsplek. Ik woonde in een kraakpand in de Hoekstraat’’, zegt De Boer.

Hij is omringd door hippies, maar hij en zijn vrienden zijn anders. ,,Wij waren niet bezig met theedrinken, muesli vreten en bonen wellen. Wij zopen gewoon en reden motor.’’

Zijn eerste motor is een BMW R27, waaraan hij graag sleutelt. Zijn vrienden rijden Moto Guzzi’s, Harleys, BSA’s, Ariëls, oude BMW’s en Triumphs en samen zoeken ze een honk waar ze hun motoren kunnen stallen. Dat vinden ze in twee oude aardappelpakhuizen, genaamd Amsterdam en Hamburg, in de hoerenbuurt.

Ze dopen zichzelf Motorclub Zeezicht (later De Hoeks), bier drinken is hun tweede natuur. Muzikanten en kunstenaars in de stad haken geregeld aan. ,,Om de haverklap was er iemand jarig en speelde er een bandje. Op zeker moment stonden onze motoren in de weg. En drankenhandelaar Domien Beeres vroeg of we alsjeblieft een tapinstallatie wilden nemen, omdat hij het gesjouw met flesjes bier zat was.’’

De Boer bouwt met vrienden een bar, legt wc’s aan en vraagt een horecavergunning aan. ,,Ik denk dat de Benzinebar officieel in 1991 is geopend. Maar het eerste feest was op oudejaarsavond 1979. Dat was het begin van de Benzinebar.’’

loading

Barre tocht met de ambulanceboot

Foute boel, zeggen de ambulancebroeders deze oktoberdag in de herfstvakantie van dit jaar.

Hartinfarct.

De Boer weet dat bij een hartinfarct elke seconde telt. Dat hij met een noodgang naar het ziekenhuis zal moeten. Maar vanwege corona kan hij niet met de traumahelikopter naar de wal. Hij moet met de ambulanceboot die onderweg voortdurend tegen de golven klapt. Een barre tocht, zegt hij.

Hij belandt op de intensive care en verblijft een week in het ziekenhuis. Zijn hartcapaciteit is nog een schim van wat die was.

Loopt hij een trap op, dan hijgt hij als een molenpaard.

Aan het roken kan het niet liggen zegt hij, daar is hij vijftien jaar geleden mee gestopt.

Iedereen weet de weg naar de Benzinebar te vinden

Studenten en Stadjers, travestieten en Amsterdammers, boeren en hoeren, jong en oud, zwart en wit – ze weten allemaal de weg naar de Benzinebar te vinden. ,,Het was het laatste station’’, zegt De Boer over de gloriejaren van zijn zaak.

Op enkele doordeweekse avonden zijn er besloten feestjes, roem vergaart de Benzinebar op zaterdagavond. Om middernacht opent de zaak, om half een druppelen de eerste gasten binnen, waarna het steeds drukker wordt, steeds voller. ,,En dan twee eruit, twee erin’’, schetst hij het deurbeleid. ,,Ik was de dj, twee meiden tapten, twee jongens haalden glazen en een of twee mannen stonden bij de deur. De rij stond wel eens tot aan de Kijk in ‘t Jatstraat! Er zijn hier heel wat vaste relaties ontstaan.’’

Een kleine tweehonderd man past er in de zaak, waar de muziek keihard staat, waar bestellen alleen lukt via gebarentaal. Dansen is het motto. ,,70 procent stond altijd te swingen, de hele tent stond op de kop. Het was van drie uur ‘s nachts tot een uur of zes, zeven ‘s ochtends één kolkende massa in dit kleine klotetentje.’’

Hij kijkt rond in de zaak, wijst op de vloer die altijd bezaaid lag met glas, bier en peuken. ,,Je stond hier altijd in de drek. Zie je die luiken daar? Die deed ik op zondagochtend om een uur of half 12 open. De zee van licht bracht vaak een schok teweeg bij de laatste bezoekers.’’

loading

Maatschappelijk werker

Zondagen associeert hij nog altijd met een kater. Jarenlang valt hij op de dag des Heeren ergens in de middag in slaap om ‘s avonds lodderig televisie te kijken. ,,Zondagen bestonden eigenlijk niet. Ik was een nachtvlinder, het nachtleven met livemuziek en sloten alcohol heb ik altijd mooi gevonden’’, blikt hij terug.

Maandags is hij in die jaren steevast vrij en op dinsdag begint hij aan zijn andere baan: die van maatschappelijk werker. Zo werkt hij jarenlang met ex-junkies, die hij helpt met begeleid op kamers wonen.

In die twee werelden deelt hij soms zijn leven met een vrouw, maar de grote liefde beklijft niet, zegt hij. ,,Als je verschillende vriendinnen hebt, ben je op zoek naar al die leuke eigenschappen in één vrouw’’, zo zoekt hij naar een verklaring.

Hij koopt rond de eeuwwisseling een boerderij in Westerbroek. ,,Om te kunnen ademen’’, zegt hij. ,,Ik wilde naar buiten.’’

Op zijn erf verschijnt geregeld een meisje op haar paard. Het is Esther, die daar al jaren paardreed en dat blijft doen.

Ze gaat met hem achterop de motor mee op vakantie, ze raakt zwanger, ze krijgen een dochter. Elk weekend bivakkeert hij boven de Benzinebar, waar de loop langzaam maar zeker uit raakt.

Dat wijt hij aan de vergrijzing, de opkomst van de mobiele telefoon die het toevallige uitgaan afremt. De Benzinebar verandert in een metalcafé, het is niet meer wat het was. ,,In 2014 heb ik geprobeerd op de oude voet verder te gaan’’, zegt hij, maar de geest was uit de fles.

Toen de rode lichten van de rosse buurt in 2016 doofden, bleef het veelal rustig op zaterdagavond. ,,De entourage was verdwenen. Door een rode gloed naar de Benzinebar gaan, was een belevenis voor de meeste mensen’’, zegt hij.

De laatste avond dat de Benzinebar open was, vlak voor de tweede lockdown, zat hij met vijf bekenden aan de bar. ,,We wisten niet dat het de laatste avond was.’’

Hij had een afscheidsfeest voor ogen, een marathonfeest van zeven dagen tijdens Eurosonic. ,,Met livemuziek’’, zegt hij, hij balt zijn vuist. ,,En door! Met zo’n feest zou ik iets achterlaten.’’

Het feest komt er niet.

loading  

Een soort museum

De bel gaat. Een van de jongens die bij hem heeft gewerkt, komt de jukebox halen. De Boer verkoopt de attributen van de Benzinebar. ,,Het is hier nu nog een soort museum, per 15 december moet het leeg zijn. Daarna zit de muziek alleen nog in de muren.’’

,,Jezus, die trap’’, hijgt hij als hij terugkeert in zijn woning boven de Benzinebar. ,,Het wordt nooit meer zoals het was.’’

Hij doelt op zijn hart.

menu