Tijd van Leven beschrijft het gepasseerde bestaan van mensen met een bijzonder verhaal. Vandaag: Johan Rijfkogel uit Vries.

‘Zeg maar’. Als er één uitdrukking was waaraan Johannes Jacobus Rijfkogel een hekel had, was het ‘zeg maar’. Hij vond die twee woorden het zoveelste bewijs van de stoplapziekte die om zich heen greep in het Nederlandse taalgebied. Die taal was hem te lief om er niet kritisch over na te denken. Wat had ‘wispelturig’ met ‘turig’ te maken? Waarom was er wel een woord als ‘overbodig’, maar niet als ‘onderbodig?’

Johan Rijfkogel uit Vries was een gedreven inzender van het opiniestuk. Een vaste respondent van de lezersrubrieken ‘Woordenwisseling’ en ‘Alledag’. Hij schreef zo vaak naar de krant, dat hij zichzelf in 1999 een schrijfverbod oplegde. Waaraan hij zich precies een paar dagen kon houden; toen D66 een referendum wilde houden over een zaak die wat hem betreft ‘reeds lang verdampte fictie’ betrof, klom hij weer in de pen.

Kogel voor intimi

De Kogel, zo heette hij voor intimi, en de Kogel ging recht op zijn doel af. Hij werd geboren op 15 december 1930 in Zwolle in een links-socialistisch nest. Toen hij 5 was, overleed zijn vader. Zijn overspannen moeder liet de zorg voor haar jongste zoon over aan haar oudste dochter Geert, die zijn verdere leven zijn steun en toeverlaat zou blijven. Hij was tien toen de oorlog uitbrak. Hij beschreef die tijd in zijn ingezonden stukjes: hoe het station bij Zwolle was beschoten door Engelse jachtvliegtuigen, terwijl ‘het publiek ademloos toekeek’, hoe de vluchtende treinreizigers zich hadden verbroederd achter het talud. Een anekdotische visie op spannende oorlogsjaren die zich later zou loochenen.

Maar dat wist hij toen nog niet.

Een bredere kijk

Na het gymnasium wilde hij biologie studeren in Groningen omdat hij de natuur zo mooi vond. Na een jaar vertrok hij naar Amsterdam voor een bredere kijk op het bestaan, en stortte zich er in het volle leven: hij zong met feministe Cobi Schreier in de kroegen, trok met een poppenkast langs de scholen en nam een baan als werkstudent op de kankerafdeling van het Academisch Ziekenhuis, waar hij in veertien bedden veertien oude mannen eenzaam zag sterven.

De Drommedaris

Op zoek naar een kamer trok hij door Enkhuizen en stuitte daar op een leegstaande oude verdedigingstoren. Die mocht hij huren voor het duizelingwekkende bedrag van een gulden per maand, maar dan moest hij wel wat nuttigs met het pand doen. Hij wierp zich op het inrichten en exploiteren van ‘De Drommedaris’, zoals het gebouw werd genoemd. Daar ontmoette hij in 1962 Martina, een meisje met toneelaspiraties dat op naaldhakken de manshoge pannen kwam schrobben. Een tutje, oordeelde hij, en noemde haar Barber, een naam waarnaar ze niet luisterde maar dat één keer vergat en vanaf dat moment heette ze zo. En kwam de wederzijdse liefde onstuitbaar opzetten.

De Drommedaris werd een internationaal studentencentrum, een bruisende hotspot waar studenten, kunstenaars en journalisten het in grote vrolijkheid te laat maakten. Zelfs prinses Beatrix kwam er logeren. Die sliep in Kogels bedje, want een nacht in een stapelbed kon je Hare Koninklijke Hoogheid niet aandoen. Het waren zware jaren, weet Barber nog: ‘s morgens vroeg op om ontbijt te maken en ’s avonds de bar openhouden tot de laatste student om vier uur naar bed wankelde.

Stad in wording

In 1966 trokken ze naar Soesterberg, waar Johan directeur werd van een toonzaal in hedendaagse designmeubelen. Daar werden in 1967 en 1969 hun dochters Barbara en Pien geboren. En in 1969 verhuisde het gezin naar Groningen, omdat Johan een baan kreeg als cultureel hoofdambtenaar.

Groningen was eind jaren zestig een stad in wording. Het Nieuwsblad van het Noorden schetste in die jaren het beeld van een ingedutte gemeenschap, waar de stadsschouwburg easy listening-jazz programmeerde. De Kogel stroopte enthousiast zijn mouwen op. Hier was werk aan de winkel!

Niet teveel geregeld

Die Grote Markt, vond hij, moest weer een gezellig, rommelig stadscentrum worden, met straatmuzikanten, pottenbakkers, acrobaten, toeristen en bedelaars, een plek waar niet al teveel verboden werd, want er mocht al zoveel niet in Nederland.

Met de kunst met een grote K had hij echter niet zoveel. En met uiterlijk vertoon nog minder. Tijdens een bezoek van toenmalig koningin Juliana aan de Stadsschouwburg werd hij geacht in kostuum te verschijnen. Hij hees zich in zijn enige pak, na aandringen van Barber. Maar zijn pantoffels hield hij aan, die zaten lekker. Dus zat het Hoofd Culturele Zaken der gemeente ‘s avonds op de eerste rij van de schouwburg; in pak, en daaronder zijn ruitjespantoffels.

Huisman

Johan Rijfkogel had een kwetsbaar hart en een hoofd dat te groot was voor nauwe denkkaders. Na zijn functie als hoofdambtenaar cultuur werd hij directeur van Krevo, een instituut dat ten doel had de cultuur in het basisonderwijs te bevorderen. Maar hoe hoger hij steeg op de maatschappelijke ladder, hoe neerslachtiger de Kogel werd.

In een interview in het Nieuwsblad van het Noorden vertelde hij over de depressie die toesloeg. Hoe hij tijdens vergaderingen wegsloop. Hoe hij tranen huilde boven zijn zakje brood en maar een ding wilde: naar huis. Hij liet zich afkeuren en trok zich, een vijftiger inmiddels, terug in zijn woning in Vries, samen met zijn twee dochters, waar hij langzaam groeide in zijn rol als huisman. Zijn huis vond hij de fijnste plek op aarde. Stofzuigen, koken, de was doen, plantjes water geven, lekker koken voor zijn vrouwen; dan had je tenminste eer van je werk. Kogel vond zijn doel.

Liefde als rotsvast gegeven

Liefde, zei hij, was het belangrijkste. Liefde moest je zien als een afzonderlijk fenomeen, los van relaties of seks. Toen hij in de jaren 80 scheidde van Barber, bleef hun wederzijdse affectie een rotsvast gegeven. Ze werden buren en samen zorgden ze voor hun kinderen Hij gaf zijn dochters onvoorwaardelijke liefde en toewijding. Ze maakten zijn leven compleet.

Johan Rijfkogel sleet zijn dagen in relatieve tevredenheid, vanachter zijn computer die een lifeline met de buitenwereld werd. Hij schilderde, frunnikte met lucifers kapotte spullen in elkaar, gaf in eigen beheer zijn gedichten uit in de bundel ‘Bejaard in Joggingpak’, fietste, las, mailde, en zat zich uren in zijn tuin te verwonderen over de schoonheid van de microwereld, die, zei hij, het grotere beschreef. Bezocht zijn vrienden. En praatte. Praatte. Praatte.

Mannen alleen

Maar hij had aanvallen van somberheid. De stilte van de coronalockdown bracht herinneringen aan de oorlog boven, de bommen, de stervenden, het gebrek aan eten, de dingen, kortom, die niet leuk of avontuurlijk waren geweest maar gewoon beangstigend. Hij wilde iemand knuffelen. Mocht niet. En als hij schilderde, schilderde hij altijd mannen alleen.

Negentig was hij, en de ouderdom, die met gebreken komt, verstramde zijn lichaam, maar niet zijn hoofd. Zijn grappen bleven scherp, zijn lach hard. Eind januari bleek zijn hartklep kapot. Hij wilde geen behandeling, maar werd thuis na een paar dagen erg benauwd. De dokter diende hem genoeg morfine toe om kalm te kunnen inslapen. Barber en zijn dochters weken niet van zijn zijde.

Kroketje

Na een tijdje deed hij zijn ogen open en vroeg:

Ben ik dood?

Nee pap, zeiden zijn dochters. Kijk. We zijn hier.

De dokter kwam. Hoe meneer zich voelde?

Fantastisch, zei meneer, rondkijkend.

Donderdag wilde hij een kopje koffie. En een kroketje. ’s Avonds at hij een ijsje.

Vrijdagmiddag streelde Barber zijn wang. Hij sloeg zijn ogen op en zei: ‘Oh, wat is het mooi om zó dood te gaan met mijn drie liefsten om me heen.’

En vertrok.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen