Karadzic had vele gezichten

Karadzic had op elke vraag wel een antwoord paraat

Karadzic had vele gezichten ANP

In 1997 zocht journalist Rob Siebelink de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic op in zijn hoofdkwartier in de bergen bij Sarajevo.

Roadblocks naar en tientallen militairen rond zijn huis, bodyguards die hem niet toestonden mij buiten te begroeten.

Het was in het vroege voorjaar van 1997, op de dag voor het orthodoxe paasfeest, dat ik Karadzic kon interviewen in zijn zwaarbewaakte woning in het skidorpje Pale, de ‘hoofdstad’ van de Servische Republiek (Republika Srpska), op een steenworp van Sarajevo.

Het was een interview van bijna zes uur over bloedvergieten en moordpartijen, met als schril contrast het vrolijke gekir of het tevreden babygesnurk van zijn pasgeboren kleinzoon Nebosha op zijn buik. Karadzic was toen ook een trotse opa.

Karadzic was indertijd al jaren, sinds het Dayton-vredesakkoord een einde maakte aan de vijandelijkheden in Bosnië, niet meer in het openbaar verschenen. Interviews geven deed hij niet, en al helemaal niet aan westerse journalisten, die in zijn ogen elk woord verdraaiden dat hij in de mond nam.

Het was ook voor het laatst dat de gewezen president van de Bosnische Serviërs van zich liet horen. Kort na het interview dook hij onder. Daarmee werd hij, beschuldigd als de architect van etnische zuiveringen en genocide in de Bosnische oorlog, de meest gezochte oorlogsmisdadiger sinds de Tweede Wereldoorlog. Niettemin zou het nog elf jaar duren tot hij werd aangehouden, in de zomer van 2008. Hij had zich niet verstopt in een afgelegen klooster in Montenegro, zoals vaak werd beweerd, noch had hij van Russische hooggeplaatste vrienden in Moskou bescherming en onderdak gekregen. Karadzic verbleef gewoon in de Servische hoofdstad Belgrado onder de schuilnaam Dragan Dabic, een alternatieve genezer.

Karadzic, de dichter en psychiater die naar eigen zeggen tegen wil en dank de leider van de Serviërs in Bosnië was geworden, wordt mede verantwoordelijk gehouden voor de gruwelijkheden in de vier jaar durende Bosnische oorlog. Zelf heeft hij dat altijd verbeten van de hand gewezen, soms op de verongelijkte toon van het onbegrepen kind. Voor het tribunaal, maar ook al tijdens onze ontmoeting in 1997, ontkende hij categorisch elke vorm van schuld.

,,Is jullie minister-president verantwoordelijk voor elke moord die in Amsterdam wordt gepleegd? Nee? Ik ook niet als dat hier gebeurt’’, zei hij destijds.

Het is altijd de vraag geweest: geloofde Karadzic werkelijk in zijn onschuld, of geloofde hij in zijn eigen leugens? Het is moeilijk te zeggen, maar een antwoord op welke vraag dan ook had hij altijd paraat. Niet de Serviërs, zo zei Karadzic in het interview, maar de Kroaten en de Bosniakken waren de oorlog begonnen ,,en dan is het logisch dat wij ons verdedigen.’’ Het bombarderen van ziekenhuizen en scholen in Sarajevo was rechtvaardig, geen oorlogsmisdaad, ,,want ze beschoten ons ook vanaf ziekenhuizen en scholen.’’

En over de duizenden doden in Srebrenica: dat aantal was zwaar overdreven. Ja, gaf hij toe, er waren ongetwijfeld individuele wraakacties geweest, maar er was geen sprake van een geregisseerde massamoord en hij had – Karadzic liet me tijdens het interview meer dan eens door hem ondertekende bevelen en richtlijnen zien – strikte orders gegeven aan de bevelvoerders om zich te houden aan de Geneefse Conventie. Lees: er was geen inmenging van hogerhand en sterker, hij had er alles aan gedaan om erger te voorkomen.

menu