Kees van der Hoef (1935-2018), de man die er altijd was: ‘De kracht van de herhaling is die van een spastische paling’

Hij was de man die er altijd was. Schrijver, dichter, publicist en culturele duizendpoot. Op de voorste rij. Bij om het even welk evenement. Maar Kees van der Hoef overleed in de nacht van woensdag op donderdag. Op 83-jarige leeftijd. Een zoon van de stad is niet meer.

Oh ironie. De spotvogel, handlanger van het lot, manifesteert zich weer eens in een fijne timing. Anton Scheepstra van Uitgeverij Passage krijgt zondag de Kees van der Hoef-prijs. Maar de naamgever, die al enige jaren kwakkelde met zijn gezondheid, verruilde woensdagnacht het tijdelijke voor het eeuwige. De man die er altijd was, is niet meer.

Daarmee verliest Groningen een van de spraakmakendste zonen. Schrijver, dichter, publicist, maar vooral: organisatorische duizendpoot. Hij is een van de grondleggers van het culturele leven in de Martinistad. Een markant mens, geportretteerd in de film KEES van zijn vriend en cineast Buddy Hermans, bij zijn tachtigste verjaardag. Niet voor niets dat hij een van de mensen is die het vaakst voorkomt in mijn boek Arcadia der Poëten , over het literaire leven in de stad Groningen van 1945 tot 2005. Een van zijn mooiste dichtregels: ‘De kracht van de herhaling is die van een spastische paling’.

Chez Antoine

Hij was zoon van Antoine van der Hoef (1900-1946), de legendarische uitbater van het café Chez Antoine , dat in de oorlog zowel een literaire pleisterplaats werd als een plek waar veel Duitsers kwamen. Een groot innemer en verhalenverteller die ooit zijn eigen kroeg uitstapte omdat er naar zijn smaak te veel bezetters zaten. Hij belandde in concentratiekamp Amersfoort, verwerkte die ervaring in zijn enige publicatie Mijn Kamp en bezweek kort na de oorlog aan de gevolgen van een maagperforatie.

Kees van der Hoef was een kind van de jaren vijftig, de tijd van de lichte muze, te lezen in zijn boekje En van je hela hola… , met verhalen over het era van Gene Autry, Pat Boone en Perry Como, de strips van Kapitein Rob, Eric de Noorman en Dick Bos en ‘slagroomgebakzaakjes’ als Lusa en Indië.

Troglodyte

Zijn naam is verbonden aan tal van uitgaven en activiteiten. Zoals het tijdschrift Troglodyte in 1962. De naam betekende ‘holbewoner’ in het Grieks en het blad was een podium voor aanstormende kunstenaars, met als motto: ‘Voor ons was niets, na ons komt niets’.

Hij schreef voor Luca, waarvan de redactie werd beschermd door een ‘literaire knokploeg’. Opgetrommeld omdat bedreigingen niet van de lucht waren, vanwege bepaalde publicaties. Van der Hoef daarover in Arcadia der Poëten : ,,De Groninger boekhandelaren durfden ‘Luca’ niet meer te verkopen. Dit ook vanwege het feit, dat enige redacteuren het idee opperden om d’Olle Grieze op te blazen…’’

Kees van der Hoef stond overal vooraan. Hij was ook een kind van de stad. En, evenals oer-Groningers als Piet van Dijken en Gerrit Krol, hij is altijd gebleven. Dat leverde talloze verhalen en anekdotes op, met smaak verteld. Een van zijn eigen favorieten was zijn ontmoeting met de beroemde schrijver Willem Frederik Hermans, destijds in de stad wonend en docerend aan de RUG.

Jules Verne

Van der Hoef, loopjongen voor een groothandel in boeken en tijdschriften, werd op een goede dag belast met een bijzondere opdracht. Een tiental antiquarische boekjes van Jules Verne bezorgen bij ‘de bekende auteur W. F. Hermans’. De vrouw des huizes (...) deed open: ,,Ze keek me aan, ik lispelde iets, haar ogen dwaalden af naar het trapportaal en ze riep (met snedige stem): ‘Wim! Wim! Het is voor jou.’ Waarna ik werd uitgenodigd door de grote schrijver om naar boven te komen, Met een pover 'alstublieft' overhandigde ik hem het stapeltje boeken. ‘Dat maakt 67,50’, voegde ik er haastig aan toe, me bewust van mijn verantwoordelijkheden. Hermans bekeek de rekeningen en betaalde grif zeventig gulden. Het is in orde’, sprak hij. Dat was dus zomaar een knaak fooi. Ik zat blijkbaar in de lucratieve business!’’

De vreugde was van korte duur. Onderwijl Van der Hoef fluitend terugfietste, belde Hermans al met de groothandel. Of hij de rijksdaalder maar even wilde terugbrengen. Er zat weinig anders op: ,,Met gemengde gevoelens drukte ik hem de knaak in de hand. Ik vloekte in gedachten. Wat een luizebos!’’

Het leven gaat voorbij

Kees van der Hoef en Buddy Hermans ontpopten zich in de jaren zestig pioniers op het gebied van de podiumdichterij. Ze bedachten een act: de dichter las voor en Hermans zorgde op accordeon voor achtergrondgeluid. Hermans in Arcadia : ,,Het gedicht heette De dag gaat voorbij. Dat begon met ‘de dag gaat voorbij’, dan ‘de minuten gaan voorbij’ enzo verder, tot aan de slotzin ‘het leven gaat voorbij’. Bij die passage lag Kees achterover op de grond in de microfoon te schreeuwen. Ik had de accordeon helemaal uitgerekt, hing ook half over de stoel en de voorstelling eindigde in een explosie van kabaal. We hebben er zelfs de landelijke radio mee gehaald, in het zaterdagmiddagprogramma Uitlaat van de VPRO. Dat werd gepresenteerd door Wim de Bie. Hij kwam zelf langs om opnamen te maken.’’

Beiden stonden ook op het podium met The Jan Hekert Experience. Een van de meest roemruchte bands uit de geschiedenis van de Groninger popmuziek, ondanks dat de groep slechts tien keer optrad. De concerten waren een opwindende psychedelische mix van muziek, poëzie en dans. De bezetting werd gevormd door stamgasten van De Kroeg. Wanneer er een optreden stond gepland, reed er een bus voor en wie op dat moment in het café zat ging mee. Ook dichter Riekus Waskowsky en danseres Aimee waren regelmatig van de partij. Zij danste met ontbloot bovenlijf. Ze werd in Amsterdam Hiawatta genoemd en acteerde later in de film Turks Fruit .

Javaanse Jongens

Van der Hoef komt de eer toe dat hij in de jaren na de oorlog een van de gangmakers was van het culturele leven in de stad Groningen. Er was in het midden van de jaren zestig nog niet zoiets als een bruisend literair leven in de stad. Gepubliceerd werd er wel, maar vooral in eigen beheer. Ook daarin was hij een van de eersten, met onder meer de bundel Twee Pakjes Javaanse Jongens en nog meer leed .

Het is een van de titels die op zijn naam staat, naast onder meer: Dodentoavel , De omgevallen boekenkast en andere poëzie , Oh, moeder, wat was ik vroeger gelukkig , Gouden jaren van de rock , Terugblik op Groningen en Groningen Pretstad en tal van publicaties en kalenders over oud-Groningen.

Mede door zijn inbreng ontstond in de stad Groningen een wereld van de letteren. Hij was bij de oprichting van het roemruchte Literair Café AaBc, in het etablissement van zijn zus Rita van der Hoef. Activiteiten en publicaties, dat was Van der Hoef, Zoals een zevental bundels met alle ‘Groningen dicht’ in de titel. Werkjes waarvan de kwaliteit arbitrair is te noemen en dat is ook wat de carrière van de schrijver/dichter kenmerkte.

Het Hogere Noorden

Toen in 1997 de letteren in de stad Groningen vaste grond onder de voet hadden gekregen en veel schrijvers en dichters naam begonnen te maken, besloot Scheepstra tot de uitgave van de bloemlezing Het Hogere Noorden . Met werk van alle (bijna veertig) in de provincie Groningen levende Nederlands schrijvende dichters. Behalve Van der Hoef.

Scheepstra later: ,,Kees passeren kon eigenlijk niet. De beslissing is echter genomen op basis van wat hij inleverde en dat was kwalitatief niet goed. De bloemlezing was niet alleen een feestje voor schrijvers en uitgever, het fungeerde ook als promotie. Wat ik van Kees erg waardeerde was dat hij wel de grootheid had om op de presentatie te komen.”

Café Marleen

Dat niet alleen, hij kwam even later met een eigen bloemlezing: Dichter bij de stad . Het kenmerkt Kees van der Hoef die, wat er ook gebeurde, onderdeel bleef van het literaire en culturele leven in de stad Groningen. Tot ver in de 21e eeuw, zoals bij de oprichting van de Dichtclub in Café Marleen. Geen boekpresentatie van een collega-auteur of Van der Hoef kwam binnenstommelen met zijn onafscheidelijke plastic zak, om de uitgever te benaderen met een: ,,,Eh, ik heb misschien ook nog wel een ideetje voor een boekje...’’’

Hij had zijn eigen rol en bleef op eigen kracht in zijn eentje een genre. Al stak hem heel lang een ding... Dat hij nooit een prijs had gekregen, behalve een keer twee pakjes Javaanse Jongens, zonder vloei

Kees van der Hoef-prijs

Daar kwam op 3 januari 2008, op zijn 73ste verjaardag in Café Pauze, verandering in, toen hij werd vereerd met de eerste Kees van der Hoef-prijs. Een onderscheiding, die sindsdien, zij het met een pauze, wordt uitgereikt aan een schrijver of dichter of iemand die zich op organisatorisch gebied het meest verdienstelijk heeft gemaakt. Bij de prijs hoort traditiegetrouw een pond paling.

Maar er is nog een blijvende herinnering aan hem. Zijn gedicht ‘De Spoorbrug’ kreeg een plekje op de Walfridusbrug over het Van Starkenborghkanaal, ter herinnering aan de brug uit zijn jeugd.

De Spoorbrug

Bijna elke zomer naar de brug

over het water van het Nieuwe Kanaal

schepen, zwemmers, boze schippers

mee laten sleuren door binnenschepen

buiten en haast altijd mooi en warm weer


 

De brug trillend als weer een trein

zachtglijdend over de ijzers

nog lang geen verroeste glorie

bij het verlaten van de stad

verbinding zoekt met de provincie


 

De machinist kijkt over de hoge brug

ziet schepen, zwemmers en zonaanbidders

we praten over dingen die hier gebeurden

de jongen in de potkachel op de bodem

en de mooie spionne hier vermoord gevonden

Lees hieronder de speech die wethouder Jaap Dijkstra uitsprak in 2008 bij de uitreiking van de eerste Kees van der Hoef Prijs.

menu