Zorgen bij een van de kleinste musea van Groningen: 'Laat het niet nog langer duren'

Wim Dussel, man van het eerste uur, in het Veenkoloniaal Landbouwmuseum Collectie Ter Borg. Foto: Harry Tielman

Een van de kleinste musea van Groningen, het Veenkoloniaal Landbouwmuseum Collectie Ter Borg, zou in september weer vol losgaan. Alles is op een laag pitje gezet.

Alle zeilen moeten worden bijgezet om niet kopje onder te gaan, zegt man van het eerste uur Wim Dussel. In het museum achter de Stainkroeg in Ommelanderwijk wordt met oude gereedschappen, manshoge foto’s en machines de geschiedenis verteld van de veenkoloniale landbouw van voor de mechanisatie.

Magnus opus

Normalier start na de zomer het museumseizoen. Dit jaar stond er een wel heel bijzondere start op het programma. De vrijwilligers werkten maandenlang aan wat een magnus opus had moeten worden. De tentoonstelling De herinrichting van de oude Veenkoloniën .

Die herinrichting was bepalend voor dit gebied, zegt Dussel. Liefst 130.000 hectare grond in Oost-Groningen en Oost-Drenthe werd in de vorige eeuw herverkaveld. Het landbouwmuseum wilde een expositie wijden aan de ontwikkeling van de streek tussen Hoogezand en Musselkanaal en Oude Pekela en Gasselternijveenschemond. ,,Het was een monsterklus om aan materiaal te komen. Maar we waren er klaar voor’’, zegt Dussel.

Noodgedwongen stil

Nu is het noodgedwongen rustig in het kleine museum. De voorbereidingen voor de nieuwe expositie ligt door corona stil. Schoolbezoeken en excursies zijn afgezegd.

,,We kunnen geen aanspraak maken op steunmaatregelen’’, zegt Dussel die vertelt hoe moeilijk het is het museum in de benen te houden. ,,Elke euro moeten we zelf opbrengen. En geld hebben we zeker nodig. Het gaat niet alleen om de exposities, het gaat ook om het conserveren van landbouwmateriaal’’, zegt Dussel.

,,Deze maanden van stilstand zijn een financiële aanslag op onze reserves. Maar de grootste aanslag is die op je gemoed. Je wordt er somber, neerslachtig van. Iedere keer denken we: misschien kunnen we over een maand of wat weer los. Je weet niet hoe het verder gaat.’’

Jonkies en olle kerels

Gebeurt er dan helemaal niks, er kunnen toch bezoekers worden ontvangen? ,,Niet zoals we willen. Op afspraak zijn we te bezoeken, mits de groep niet al te groot is. Onze vrijwilligers zijn op leeftijd. Sommigen durven het niet aan bezoek te ontvangen of rond te leiden. We hebben een paar jonkies van in de vijftig en verder zijn het allemaal olle kerels.’’

Dussel: ,,Wij willen graag oud en jong met elkaar verbinden, zodat kinderen uit eerste hand horen hoe het er vroeger aan toeging. Een school wilde graag met twintig kinderen komen. Dat lukt ons niet. Dat kunnen we niet behappen. Het is te krap om ze volgens de regels te ontvangen.’’

De stille periode is ook nog ergens goed voor. Het museum staat op de kop. Er wordt verbouwd, dingen opgeknapt. Dussel: ,,We staan in de startblokken. We zijn er nog. Maar ik hoop oprecht: laat het niet nog langer duren.’’

menu