Gezinsfoto uit 1941. v.l.n.r.: Pa R. Huizinga en Trijntje (geb. 25 maart 1937), Opa Hindrik Huizinga en Hinkie (geb. 13 juni 1938; overl. 20 augustus 1945), Moe T. Huizinga-Roelfsema en Ena (geb. 29 oktober 1939).

Met tientallen gezinnen zwierven ze dagen in het niemandsland van het frontgebied: Redmer Huizinga liet dit verbluffende verslag na

Gezinsfoto uit 1941. v.l.n.r.: Pa R. Huizinga en Trijntje (geb. 25 maart 1937), Opa Hindrik Huizinga en Hinkie (geb. 13 juni 1938; overl. 20 augustus 1945), Moe T. Huizinga-Roelfsema en Ena (geb. 29 oktober 1939). Foto Kooi & Huizinga

Landarbeider Redmer Huizinga (1907 – 1989) uit Woldendorp vluchtte tijdens de bevrijdingsdagen met zijn vrouw Trijntje en zes kinderen voor de gevechten. Met tientallen gezinnen zwierven ze dagenlang in het niemandsland van het frontgebied. Hij liet een verbluffend verslag na, waarin hij vertelt over ontredderde Duitsers, afgebrande boerderijen, het melken van koeien terwijl de granaten door de lucht suizen en het begraven van de doden na de bevrijding.

‘Op die zaterdag (14 april, red.) stond ik even voor ons huis te kijken, toen weer een groep soldaten, bepakt en bezakt, in volle strijduitrusting en moeizaam voortsjokkend richting dorpskom, passeerden. Wij woonden aan de provinciale weg naar Nieuwolda. (…) In de kelder van ons huis hadden we alvast een soort veldbed voor opa Hindrik Huizinga in gereedheid gebracht. Hindrik was oud (76), min of meer afgeleefd en ziekelijk. We waren ons bewust dat deze kelder, ongeveer 3 x 3 meter, binnenkort wel eens de laatste schuilplaats voor ons hele gezin van negen personen zou kunnen worden, wanneer ons huis straks tussen de frontlijnen der beide strijdende partijen zou staan. Maar het zou heel anders lopen.

Evacuatie

En dan breekt maandag 16 april aan. (…) De dag kroop voort zonder voor ons noemenswaardige gebeurtenissen, maar dan, des middags te ongeveer 2 uur, bereikte ons het bevel tot ontruiming van Woldendorp. De zuidelijke helft nog vóór de avond, de noordelijke helft kreeg nog de tijd tot dinsdagmorgen 10 uur. Ons werd gezegd, dat we, via de Vennenlaan, ons naar de noordelijke slaperdijk van de Johannes Kerkhovenpolder moesten begeven. Nou, daar stonden we elkaar toch even aan te kijken. Hoe moest dit nou en wat zouden we mee kunnen nemen?

Toen kreeg moeder (Redmer Huizinga noemt zijn vrouw Trijntje moeder, red.) een lumineus idee. „Ga Berend Tuin eens vragen of hij ons met zijn paard en wagen naar de Vennen wil brengen.” Berend Tuin was brandstofhandelaar en vrachtrijder en woonde ongeveer 500 meter bij ons vandaan. Ik naar Tuin, op mijn gammele vehikel, dat eens een fiets was geweest. En warempel, toen ik hem de toestand uiteen zette, beloofde hij terstond te zullen komen. Hij zou ons dan eerst weg brengen, om daarna met eigen gezin te volgen.

Even later stonden paard en wagen op de weg voor ons huis en kwam Tuin bij onze voordeur om te helpen met het opladen van opa en van de beslist noodzakelijke spullen, welke we meenden mee te moeten nemen. Maar toen kwam er een granaat aansuizen, als eerste voorbode van wat Woldendorp te wachten stond. Het onding boorde zich aan de overkant van de weg in de slootwal van het groenland en was duidelijk bedoeld voor de Duitse stelling daar, maar kwam 100 meter te vroeg neer, precies naast het paard van Tuin. Het barstte met een zware dreun uit elkaar, richtte verder geen schade aan dan een granaattrechter, maar het paard vond het daar toen toch een erg ongezonde bedoening. Uit puur lijfsbehoud nam het onverwijld de benen, om 500 meter verderop toevlucht te zoeken bij de ‘veilige’ stal. Weg paard, weg wagen en weg ook Berend Tuin, die nu wel eerst naar huis moest om paard en wagen weer op te halen maar, uiteraard, niet terug kwam.

We waren dus weer op onszelf aangewezen. Tijd voor lang beraad was er niet en zo kwamen we tot het besluit, dat moeder alvast met de kinderen vooruit zou gaan en dat ik, met opa op de bagagedrager van de fiets, zou volgen. Vlug werden wat voor het gebruik gereed gemaakte etenswaren in een boodschappentas gepakt, om althans voor een paar dagen aan de honger het hoofd te kunnen bieden. Wat noodzakelijke verschoning voor de kleinsten werd onder het hoofdkussen gestopt van de kinderwagen, waarin Martha (1 jaar en 3 maanden) en Eltjo (3 maanden) verpakt werden. Bij Martha had dokter Botjes op vrijdag tevoren juist een lichte longontsteking geconstateerd, wat in 1945, bij verergering, nog als een ernstige ziekte moest worden aangemerkt, zodat haar verzorging ons nu wel extra zorg baarde. Nadat we ons in een kort gebed hadden gesteld onder de hoede van onze Hemelse Vader en Hem om hulp en bescherming hadden gevraagd, nam moeder de voetreis aan naar de boerderij op de Vennen, eigendom van de Familie B. Bosker uit Woldendorp en bewoond door de familie P. Bos. Daar zouden we elkaar terug vinden.

En daar ging moeder, in de kinderwagen de twee kleinsten en rondom de kinderwagen Trijntje (8), Hinkie (7), Ena (5) en Harm (2). Wat zou de naaste toekomst ons brengen? We wisten het niet, maar in ons onderbewustzijn stond wel vast dat binnen enkele dagen de strijd beslist zou zijn, wat dit voor ons dan ook mee zou brengen. Het zouden veertien bange dagen worden.

(…) De fiets werd naast de stoep gezet en vandaar af liet opa zich op de bagagedrager zakken. Het huis, met alles erom en erin, werd aan de loop der gebeurtenissen prijsgegeven. Om braak en plundering te beperken werden de deuren niet afgesloten, alleen de sleutels werden meegenomen en het (geringe) bedrag aan contanten dat we bezaten. En zo ging ik met opa aan de schuif. Het zou stellig een hele opgave worden, voor ons allebei, om dit zo’n 2,5 kilometer vol te houden.

Er kwam echter een onverwachte oplossing. Op ongeveer 200 meter van ons huis woonde de veehouder/handelaar Jan Jager. Hij en zijn vrouw stonden juist klaar om met hun paard en wagen het dorp te verlaten en hij bood mij aan om opa op zijn wagen te laden en dan zou hij voor het vervoer naar de Vennen zorgen, waar moeder intussen reeds zou zijn gearriveerd.

Het varken

Wat mij heel erg aan het hart ging was dat ik de restanten van een nog niet zo heel lang geleden geslacht varken had moeten achterlaten. Maar nu ik voor opa vervoer had gevonden zag ik mijn kans schoon om van het varken nog te redden wat er te redden was. Ik dus terug naar huis. Ik wikkelde dee nog resterende delen van wat eens een varken was in papier en stopte het in een zak. Toen op de fiets met nu het varken op de bagagedrager – met de linkerhand vasthouden en de rechter- aan het stuur. Even leek het erop dat die linkerhand achter mijn rug mij noodlottig zou worden. Ik zat nog maar net op de fiets of daar zag ik in de verte vanuit het dorp een Duitse motorrijder aankomen, met op de duo een officier, die, op ongeveer 100 meter afstand, met een snelle ruk zijn vuurwapen schouderde en een kort salvo over mij heen joeg. Toen ik verschrikt achterom keek, wenkte de officier dat ik wel door kon rijden. Ik begreep dat hij geen enkel risico had genomen. De schrik zat er goed in bij de laatsten der Mohikanen.

Verder bereikte ik ongestoord de Vennen, alwaar ik moeder met de kinderen en opa vond, voorlopig een beetje provisorisch geïnstalleerd in de koestal van de Vennen-boerderij. Wij sliepen die nacht op stro, althans, voor zover er in die uitzonderlijke omstandigheden sprake kon zijn van slapen. Naast het ongewone en de spanning, waren het ook nog exploderende granaten welke in de omgeving neerkwamen en ons herhaaldelijk deden opschrikken. De kinderen hielden zich opmerkelijk rustig.

Naar huize Post

De volgende morgen moest de trektocht worden voortgezet, nog ongeveer 500 meter verder, tot aan het Verenigingskanaal dat de afwatering verzorgde van de Finsterwolder- en de Reiderwolderpolder en bij Fiemel haar uitwatering vond in de Eems, via een aldaar staand gemaal. Waar wij dit kanaal zouden bereiken liep het langs de dijk van de Johannes Kerkhovenpolder en hier bevond zich een smalle brug, bedoeld voor de fietsers en het voetvolk, in een verkorte weg tussen de polder en Woldendorp.

Bij de brug stond, eenzaam en verlaten, een arbeidershuis, bewoond door de familie T. Post. En het was dit huis dat als trekpleister fungeerde voor de ganse schare Woldendorpers, welke daar haar evacuatiebestemming moest vinden.

loading

Opa Huizinga verdwenen

Evenals de vorige dag ging moeder voorop met de kinderen en zou ik volgen met opa op de bagagedrager. Het varken bleef eerst achter, maar zou ik ophalen zodra wij een, in de gegeven omstandigheden, aanvaardbare verblijfplaats voor opa hadden gevonden. Maar zie, juist toen ik de boerderij verliet, kwam daar Johannes (Jans) Bos uit Woldendorp met een platte boerenwagen, met daarop als passagiers mevrouw Jantje Smant-Hoffies en haar moeder Mevrouw Hoffies. In de vaste veronderstelling dat deze wagen ook richting huize Post ging, vroeg ik of opa ook mee kon rijden en dit werd grif toegestaan. Moeder zou opa ter plekke stellig wel opvangen en dus ging mijn eerste zorg toen weer uit naar het varken, als kostbaar bezit in bange dagen. Maar wie schetst mijn verbazing toen moeder mij even later vertelde dat de bedoelde wagen, met haar kwetsbare vracht, daar niet was aangekomen. (…)

Het was wel duidelijk dat die groep van hier samengestroomde mensen onmogelijk in het huis van de familie Post onderdak zou kunnen vinden. Na wat gezoek en gescharrel improviseerden velen maar een lig- en schuilplaats, in de droge sloten om en nabij het huis. Gelukkig was het uitzonderlijk mooi voorjaarsweer, zodat een verblijf in de open lucht, zelfs bij nacht, met een minimale beschutting niet onoverkomelijk was.

De dagen van dinsdag 17 april tot en met zaterdag 21 april verliepen voor ons als dagen van maar uitzien en afwachten zonder waarneembare ontwikkelingen, behalve dat de donderdag ons opheldering bracht over het lot van opa Huizinga. Ik hoorde van een gevluchte NSB’er dat mijn broer Piet en zijn gezin met onze vader naar bevrijd gebied was vertrokken.

Het voedselprobleem opgelost

Gedurig staken wij onze hoofden eens boven de dijk uit, om te zien of er iets waarneembaar was van naderende gevechtshandelingen, maar het kanongebulder bleef maar steeds op constante afstand. Begrijpelijk was dat spoedig de vraag opkwam; hoe lossen wij het voedselprobleem op?

Niemand had op een evacuatie van lange duur gerekend en al zou men erop gerekend hebben, dan behoorde het meenemen van voldoende houdbaar voedsel, in april 1945, toch tot de onmogelijkheden. Nu waren er Woldendorpers die uitgeweken waren naar familie in Termunten en zo drong het tot daar door dat heel Woldendorp geëvacueerd was en dat een deel van de bewoners zich in vrij precaire omstandigheden aan de Johannes Kerkhovenpolder bevonden. Ondanks de ontreddering van de samenleving in het dorp wegens het binnentrekken van de restanten van het Duitse leger en vanwege de angst voor wat de bewoners op korte termijn te wachten stond en ondanks de lege winkels die al in een hele tijd geen bevoorrading meer hadden gekregen, werd er toch een ravitailleringsorganisatie op poten gezet, die klonk als een klok.

Opnieuw verdreven

In de loop van de namiddag verscheen er bij ons een Duitse officier, die ons kwam vertellen, dat de brug over het kanaal bij huize Post binnenkort zou worden opgeblazen en dat wij ons de volgende morgen van daar moesten verwijderen. Ook de familie Post moest nu het huis verlaten. Als laatste wijkplaats restte ons toen Termunten, om daar de loop der gebeurtenissen tot het bittere einde af te wachten.

In zulke omstandigheden van voortdurend verborgen gevaar ontdek je dat de mensen een bepaalde laconieke gelatenheid over zich krijgen, uiteraard bij de één sterker dan bij de ander, maar deze nieuwe ontwikkeling had bij niemand een extra opwinding tot gevolg. Als dat dan moest, dan moest het maar. En zo werd dan op maandag 23 april de trektocht naar Termunten gemaakt.

Verreweg de meesten van onze groep, onder wie ook wijzelf, vonden onderdak in de boerderij van Abel Olsder. Ons gezin kreeg als appartement een varkenshok, dat was afgebouwd in de koestal. De rest van de lotgenoten verspreidde zich over de koestal en de paardenstal, terwijl het gezin Post bivakkeerde midden in de grote landbouwschuur. De stallen werden met stro ingericht tot slaapplaatsen en de gangen achter de stallen werden het woongebied voor overdag, voor zover we ons niet in de buitenlucht bevonden.

Nader komend geweld

Het ‘dieet’ van snert en roggebrood voldeed niet meer. De kleine kinderen hadden melk nodig. Ook de veehouders van Termunten hadden hun koeien zoveel mogelijk de weilanden ingestuurd omdat daar volop voedsel was en omdat verblijf onder dak bij de komende gevechtshandelingen wel eens grote moeilijkheden kon geven. Koeien konden niet worden meegenomen in een kelder als de nood aan de man kwam. In de wei waren ze ook niet veilig, zoals we zagen, maar dat moest dan maar komen zoals het kwam. Ons melkers-team, Jan Harmannus Stegmeijer en Berend Tuin, trok er opnieuw op uit en ontdekte in een weide ergens aan de Zwitterslaan een groepje koeien dat erg blij was dat hun uiers dagelijks van de last ontdaan werd. Voorlopig was dit probleem dus opgelost.

Branden kwamen steeds naderbij

Intussen werd al spoedig merkbaar, dat de strijd om Woldendorp en Termunten nu echt menens ging worden. Wanneer wij ons achter de boerderij bevonden en in de richting van de polders keken, dan zagen we telkens weer branden ontstaan, waarvan gemakkelijk te raden was dat deze de polderboerderijen tot as verteerden, om te voorkomen dat ze tot dekking konden dienen voor de Canadezen. Van dag tot dag was te zien dat de branden steeds naderbij kwamen, waaruit het terugtrekken van de Duitsers en het oprukken van de Canadezen viel af te leiden. Vooral de Carel Coenraad- en Johannes Kerkhovenpolder leek aan het eind van de week alleen uit verschroeide aarde te bestaan. Alles wat maar branden wilde was weggebrand.

Gevluchte Polen

In het begin van de week kregen we er een paar merkwaardige kostgangers bij. De Duitsers lieten in bepaalde gevallen in hun batterijstellingen krijgsgevangenen civiele diensten verrichten. Zo waren er ook krijgsgevangenen ondergebracht in de batterij achter Termunten, te Fiemel. Onder hen waren ook enkele Polen. Twee krijgsgevangen Polen te Fiemel hadden kans gezien te vluchten en zij zochten een voorlopige toevlucht bij ons in de groep, in de hoop dat de dag der definitieve bevrijding spoedig zou aanbreken. Ze waren bij ons van harte welkom, al konden we eigenlijk alleen maar met gebaren praten.

Zo kropen de dagen langzaam voort en hoe meer de week vorderde, hoe duidelijker werd dat Woldendorp een zware tol moest betalen in deze barensweeën der bevrijding. Wanneer wij van achter de boerderij naar Woldendorp tuurden, was slag op slag het inslaan en exploderen der granaten met het blote oog zichtbaar. Ons voornaamste oriëntatiepunt, de Woldendorper molen, verdween uit het dorpsbeeld en rookwolken vertelden ons dat de rode haan op vele plaatsen koning kraaide.

Koeien melken in de frontlinie

Op zaterdag 28 april namen de beschietingen over en weer, van Fiemel en Knock enerzijds en de Canadezen vanuit en om Woldendorp anderzijds, zulke angstwekkende afmetingen aan, dat ons melkersteam het niet meer verantwoord achtte om in het veld de koeien te gaan melken. Hun vrees was volkomen terecht, maar het bracht ons kleine grut wel in een moeilijke positie. Moeder en ik overlegden en besloten samen te proberen toch een paar koeien gemolken te krijgen. Aan enkele lotgenoten werd gevraagd of zij een oogje op de kinderen wilden houden en ieder met een emmer gewapend trokken we via de Zwitterslaan het veld in.

Waar we de dwaze moed vandaan haalden om ons aan deze stunt te wagen is mij tot aan vandaag nog steeds een raadsel, maar we bereikten ons doel. Midden in de frontlinie, terwijl de granaten over en weer hoog over ons heen suisden, kozen wij ieder een koe uit om gemolken te worden. Deze dieren waren schijnbaar reeds aan het oorlogsgeweld gewend, want ondanks alle dreunend vuurwerk, lieten ze ons gewillig begaan. Voor moeder was het opnieuw opvatten van een vroeger handwerk, waar ze negen jaar geleden mee opgehouden was. Voor mij was het meer dan twintig jaar geleden dat ik een koe bij de tepels had gehad en ik was al nooit een prima melker geweest. Moeders emmer was in de kortste keren vol, maar de mijne kon in dezelfde tijd amper halfvol heten. Maar we vonden het daar in het ‘vrije’ veld toch niet zo leuk en besloten dus maar tot de terugtocht, nadat we de melkvoorraad over beide emmers eerlijk hadden verdeeld.

We bereikten veilig en wel onze vluchthaven en werden met bewondering voor betoonde moed en dapperheid daar ontvangen. Maar wij glommen helemaal niet van trots over de belevenissen van de laatste drie kwartier en we wisten onuitgesproken zeker: dit is niet voor herhaling vatbaar.

Koeien naar het dorp

En toen rijpte er in mijn brein een nieuw plan, waarbij ik het daarbij komende gevaar maar in mijn onderbewustzijn verstopte: de koeien naar het dorp halen. Voor mij alleen was dit vrijwel onuitvoerbaar en dus zocht ik naar minstens één helper. Dit lukte niet te best, maar tenslotte was Laurens Boerema bereid het waagstuk mee te ondernemen. Boerema had zijn geit mee op evacuatie genomen en deze stond aangetuigd bij Zwitterslaan. Koeien en geit zouden dan tezamen naar een wat ‘veiliger’ plaats worden gebracht.

Zo gingen we dan de tocht naar de koeien ondernemen, ik voor de tweede keer die dag. We passeerden de geit, maar die kon wachten tot wij met de koeien terugkwamen. Bij de weide zetten we het hek open en toen waren de koeien wel op drift te krijgen. Goedmoedig liepen ze de laan op, richting dorp. Maar daar begon pas het gesmijt in de glazen. Vanuit het groene korenveld tussen Zwitterslaan en Dodelaan werden we plotseling met geweervuur bestookt en de kogels floten ons
om de oren. Schijnbaar hadden de daar verscholen liggende Duitsers ook belang bij het behoud van de koeien in de omgeving. Afijn, wij zochten dekking in de sloot naast de laan en zo, in gebukte houding, probeerden wij met veel geschreeuw de koeien voor ons uit te drijven. En dat lukte heel goed. (…)

Een nacht bar en boos

De daarop volgende zondag, 29 april, bleef het nog tamelijk rustig, alhoewel we aanvoelden dat dit wel eens de stilte voor de storm van de beslissende eindstrijd zou kunnen zijn. En onze intuïtie bedroog ons niet. Het weer was intussen omgeslagen en bar slecht geworden, met veel regen en een harde, gure wind.

In die nacht brak de hel over ons los. Onder dekking van hun artillerie rukten de Canadezen vanuit Woldendorp op in de richting van Termunten/Termunterzijl/Borgsweer. Termunten kwam hevig onder granaatvuur te liggen en ook onze boerderij kreeg een aantal voltreffers, maar, o wonder van bewaring, noch de koestal, noch de paardenstal werden geraakt.

Ongeveer te middernacht kwamen plotseling twee jonge Duitsers naar binnen door de staldeur bij ons in de koestal. Ze waren in volle gevechtsuitrusting, maar alles wat wapen was werd door hen aan de kant gelegd, waarna ze plaatsnamen op een stropak vóór de ijzeren deur naar de schuur. Daar zaten ze, zonder iets te zeggen, de één met zijn hoofd gebogen in de handen en de andere strak voor zich uitkijkend. Toen ik de laatste vroeg of zijn makker moe was, was zijn antwoord: „ Hij ist lichaamsmude en hij ist kriegsmude. ” Ze gaven de brui aan de Krieg.

Zo trok deze barre nacht, vol dooddreiging, voorbij. Tegen het ochtendkrieken staakte de Canadese artillerie de beschieting van Termunten en Termunterzijl. De Canadezen waren beide dorpen binnengetrokken en het restant van de Duitse troepen, een Mannschaft van ongeveer vijfhonderd mannen, die geen kans hadden gezien om met boten over de Eems te ontvluchten, gaven zich toen zonder slag of stoot over. Ook de beide Duitsers bij ons in de koestal stelden zich, met de wapens op de grond en de handen in de nek, op achter de boerderij. Zij hadden de Krieg overleefd.

Bevrijding

En toen begonnen in ons alle snaren te trillen, want daar zagen we de Duitse troepenmacht, rennend en met de handen in de lucht, vanuit Termunterzijl langs ons trekken in de richting van Woldendorp. Waar we vijf lange jaren op gehoopt hadden dat komen zou, was werkelijkheid geworden.

Intussen begonnen wij te denken aan de mogelijkheid van terugkeer naar huis en haard. Woldendorp behoorde nu tot bevrijd gebied en dus moest terugkeer toch mogelijk zijn. Ook de Canadese autoriteiten bleken deze mening toegedaan, want kort na de middag kwam de mededeling, dat alle Woldendorpers hun haardsteden (of wat daar nog van over was) weer mochten opzoeken.

De kinderwagen werd weer ingeladen, de fiets, met op de bagagedrager de restanten van het varken en op het zadel de kleine Harm, werd ter hand genomen en daar trokken wij in stoet op mars terug naar ons dorp, dat we precies veertien dagen geleden hadden verlaten. Hoe zouden we het terugvinden?

Halverwege Termunten en Baamsum had nog een diep tragische gebeurtenis plaats. In de colonne liepen ook de twee Polen mee die zich ongeveer een week in ons midden hadden bevonden. Eén van hen was nogal duidelijk herkenbaar door zijn kleding als gewezen Poolse soldaat/krijgsgevangene. Plotseling werd deze door een kogel getroffen die zijn hoofd doorboorde. Hij was vrijwel op slag dood. Het lijk werd aan de kant van de weg gelegd en met zijn soldatenjas bedekt. De volgende dag of de dag daarna zou ik hem moeten begraven.

Toen we Woldendorp binnenkwamen zagen we puin, glas, weggeschoten daken, verbrande balken, geheel verwoeste huizen en daar tussendoor hier en daar lijken van gesneuvelde Duitsers. Boerderij Bosker was vrijwel tegen de vlakte, het huis en de winkel van broer Piet en mevrouw Smant-Hoffies zwaar beschadigd. Het Gereformeerd kerkgebouwtje onherstelbaar verwoest, evenals de daar vlakbij staande molen, het voormalige Gemeentehuis en het hotel Vieregge. Van de Ned. Herv. Kerk stonden de meter dikke muren nog overeind, maar het dak en de toren waren weggevaagd. Het nieuwe Gemeentehuis met conciërgewoning was grotendeels verwoest. Al met al een beeld van trieste troosteloosheid. Naderhand bleken Woldendorp en Holwierde (ten noordwesten van Delfzijl) de zwaarst getroffen dorpen in het Groninger land. Hoe zouden we ons eigen huis aantreffen?

Grote chaos in huis

Naarmate we het dorpscentrum verder achter ons lieten konden we constateren, dat de verwoestingen minder erg werden. En ja hoor, daar stond ons huis, nog recht overeind en schijnbaar zonder veel schade uit het geweld tevoorschijn gekomen. En inderdaad, we telden later een paar gebroken ruiten en 26 kapotte dakpannen. Ons huis was een van de weinige huizen dat hoegenaamd niet had geleden.

In huis was het een grote chaos. Er waren dingen verdwenen, maar andere waren er voor in de plaats gekomen. Zo ontdekte Willem Haveman, die plusminus 350 meter bij ons vandaan woonde, zo’n veertien dagen later dat ik in zijn schoenen liep. Wie er op dat moment in de mijne liep zijn we nooit te weten gekomen.

Gele armband

De volgende morgen hadden we nog maar net ons wat sober ontbijt genuttigd of daar stond broer Piet reeds op de stoep, getooid met een gele armband en een geweer over de schouder. Hij was intussen ingedeeld bij de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), een semi-politionele eenheid, inderhaast door het Nederlands Militair Gezag in leven geroepen om het Nederlandse gezagsvacuüm in de pas bevrijde gebieden op te vullen. Deze BS bestond uit gezagsgetrouw geachte burgers, die wat hand- en spandiensten mochten verrichten ten behoeve en onder leiding van de Rijksveldwacht en de Marechaussee. Erg officieel ging de benoeming tot BS’er niet aan toe, want broer Piet had alvast voor mij ook maar een gele armband meegenomen en zo was ik binnen 5 minuten, geheel geruisloos, ook in het korps BS opgenomen.

Mijn broer had de opdracht vanuit Oostwold meegekregen de gesneuvelde Duitse soldaten in Woldendorp bijeen te zoeken en een voorlopige begrafenis te geven. Voor mij had hij de opdracht meegekregen de burgers, die het oorlogsgeweld niet hadden overleefd, een zo eervol mogelijke begrafenis te bezorgen. Deze opdracht was een logisch gevolg van het feit dat ik begrafenisleider was voor de Begrafenis-Vereniging Woldendorp, een functie die ik een paar jaar terug van opa Huizinga had overgenomen. We zouden de beschikking krijgen over enkele helpers, voornamelijk bestaande uit enige gevangen genomen NSB’ers, voor ons onbekenden. Verder moesten we maar naar eigen inzicht en beste weten handelen.

Hevig granaatvuur

Diezelfde namiddag bevond ik mij op het kerkhof om voorbereidingen te treffen voor het delven der graven. Bij het verlaten van de begraafplaats werd ik plotseling opgeschrikt door een hevig granaatvuur dat losbarstte over de dodenakker. In een flits zag ik hoe grafstenen verbrijzeld werden en in een snelle impuls wierp ik mij in een schuttersputje in de berm van de weg vlak bij de ingang van het kerkhof.

Het was vooral deze gebeurtenis welke voor ons aanleiding was om voor de nacht van dinsdag op woensdag toch maar uit te wijken naar Midwolda. Op een Canadese legerwagen werden wij met z’n dertienen plus nog enkele dorpsgenoten vervoerd naar een boerenschuur aldaar. Die nacht moest ik, als BS’er, nog een paar uur dienst doen bij de bewaking van een groot aantal NSB’ers, die in een dichtbij staande grote schuur voorlopig hun inhechtenisneming beleefden. Daar zag ik, naast vele onbekenden, ook alle bekende NSB’ers en voormalige landwachters uit Woldendorp/Termunten en omgeving.

De volgende morgen waren wij al weer bijtijds uit het stro, om vroegtijdig weer in Woldendorp te kunnen zijn. Die morgen begaven Berend Tuin, met zijn paard en wagen, en ik, vergezeld van een paar gevangen genomen NSB’ers, ons naar de Zomerdijk om de reeds veertien dagen geleden gesneuvelde Agatha Nieuwkerk-Blom en Otto Stuut op te halen. Een van de beide NSB’ers begon onderweg te jammeren dat hij tegen zo’n klus psychisch niet opgewassen was. Mijn antwoord was dat vele NSB’ers in de vijf achter ons liggende oorlogsjaren wel tegen veel ergere dingen opgewassen bleken te zijn en hij moest zich nu dus maar verzetten tegen zijn onbehagen. Ook voor Tuin en mij was dit geen aangename taak, maar menselijke plicht ging hier boven psychische gevoelens.

We vonden de woning nog verlaten en de lijken in het achterhuis, zoals ze daar door hun groepje, in doodsnood, waren neergelegd. In de meegebrachte kisten werden de lijken geborgen en de kisten daarna direct afgesloten. Op het kerkhof vond daarna de teraardebestelling plaats onder zeer minimale belangstelling. De familie van de doden was in ziekenhuizen opgenomen of anders her en der verspreid.

Diezelfde dag begaven Tuin en ik ons naar de weg tussen Baamsum en Termunten om het lijk op te halen van de maandag vermoorde Poolse soldaat. We vonden het onder water in de sloot naast de weg. Wie had de lugubere moed gehad om deze dode ook nog in de sloot te schoppen? Ik weet het niet, maar wel weet ik dat fanatieke Duitsers tot verschrikkelijke en weerzinwekkende dingen in staat waren.

We begroeven hem op het gemeentelijk deel van het kerkhof, helaas gewikkeld in zijn soldatenkleren, wegens gebrek aan nog een kist en in aanwezigheid van zijn vriend, welke met hem uit de Duitse krijgsgevangenschap was gevlucht, nog een Poolse soldaat en twee Poolse meisjes.

Zwijgend, maar diep ontroerd, brachten zij een laatste saluut aan hun vriend en krijgsmakker, die zijn inzet voor vrijheid en recht nog met zijn leven moest bekopen, terwijl de morgen der bevrijding reeds was aangebroken.

De naweeën van de bevrijding

Mijn werk als BS’er ging voornamelijk bestaan uit surveillance, het toezicht houden bij het doen uitvoeren van het opruimen van dode dieren en het begraven van de kadavers. Ook dat behoorde tot de naweeën van de bevrijding. Op de avond van zaterdag 5 mei, bevond ik mij, met een rijksveldwachter en een marechaussee, in het huis naast het onze, dat eerst dienst had gedaan als onderkomen voor het Duitse peloton en nu was genaast door de BS en dienst deed als politiebureau.

Toen plotseling door de radio het bericht kwam, dat het Duitse leger in Nederland die dag had gecapituleerd en dat in Wageningen het capitulatieverdrag was getekend. We sprongen alle’drie overeind: NEDERLAND WAS VRIJ!

Dit is een sterk ingekorte versie van het oorspronkelijke verslag.

menu