De stad Groningen raakte moreel failliet in de Tweede Wereldoorlog. Sipke de Wind tekent het op in zijn boek Groningen Duitse garnizoensstad 1940-1945 , waaraan hij 14 jaar werkte. Een uitgave van 320 pagina’s en er komt nog een deel twee.

De 62-jarige Sipke de Wind uit Leek, gepensioneerd politieman, beschrijft in zijn jongste publicatie over Groningen als verdedigingsbolwerk. Welke Duitse onderdelen zaten waar en wat waren de gevolgen voor de bevolking? ,,Wat vooral opviel was dat tijdens de oorlog de normen en waarden verdwenen. Mensen bleken louter bezig met overleven. Scholen gingen dicht, kinderen zwierven op straat en stelen mocht niet, maar wel van de Duitsers. Tijdens de kerst in 1944 bleek de halve Bedumerweg druk met het kappen van bomen.’’

Focus op de Duitse kant

Zijn speurtocht begon in 2004 en onderweg naar Groningen Duitse Garnizoensstad 1940-1945 verschenen van zijn hand uitgaven als Josef Schmidt , over een Duitse soldaat die in het Noorden verbleef, en Nieuwe Kijk op Duitse inval Groningen . De auteur komt volgend jaar met een publicatie over de verdediging van de stad en in 2021 met een boek over Verzetsgroep De Groot.

Wat De Wind onderscheidt, is dat hij de Duitse kant belicht. ,,Er zijn veel Nederlandse boeken over het verzet, de Jodenvervolging en de bevrijding, maar geen vanuit Duits oogpunt. Terwijl dat historisch natuurlijk interessant is. Het vergt veel zoekwerk; waar ik over schrijf ligt niet in mappen klaar. De Duitsers hebben alles verbrand en er zit niks in militaire archieven. Ik heb tussen de vier- en vijfduizend dossiers doorgeworsteld.’’

Bezetter in paniek

Zijn belangrijkste vraag was waarom Groningen zo goed werd verdedigd. De Martinistad kwam onmiddellijk na de bezetting onder militair bestuur, maar na D-Day groeide het aantal onderdelen explosief en het aantal Duitsers van twee- naar tussen de zes- en zevenduizend. Er bleken hier zelfs vijftien marine-onderdelen gevestigd.

De Wind: ,,De bezetter was na de landing van de geallieerden in Normandië op 6 juni 1944 in paniek. Vier dagen later kwam er bevel om de verdediging hier op te zetten. Ze waren bang voor een tweede invasie.’’

Strijd om kolen, turf, hout en stroom

De auteur besteedt tevens aandacht aan de nietsontziende strijd om brandstof, zoals kolen, turf, hout en elektriciteit. De Wehrmacht bediende zich daarbij van misleiding, manipulatie, roof en bedreiging, maar ook de Groningers haalden alles uit de kast. Overal werd hout gekapt, in bossen, parken en wegen en zelfs in de boomrijke tuinen van villa’s.

loading

Zagers in het Noorderplantsoen

,,Er werd zoveel gekapt dat de politie op weg ging naar een melding van illegale houtkap in Helpman, maar onderweg in het Noorderplantsoen zagers aantrof. In het stadspark werd een complete ploeg buurmannen uit de Koeriersterweg aangehouden, die bezig waren een kolos van een eikenboom naar hun straat te slepen.’’

De jacht op alle brandstoffen was intens. Zelfs in het Academisch Ziekenhuis moesten de kolen dag en nacht bewaakt worden. De nood maakte daarbij vindingrijk. Hobbyisten maakten accu’s en braken ’s nachts schakelkasten langs de openbare weg open om de doe-het-zelf-batterijen te vullen. Er werden later zelfs illegale verbindingen naar woningen gelegd.

Groningen als spionagecentrum

Interessant is tevens de rol van Groningen als spionagecentrum, waar De Wind op focust. Er was voor de oorlog al een steunpunt van de Marine Abwehr uit Wilhelmshaven en tijdens de bezetting betrok het onderdeel in stilte drie kamers in hotel-bar Centraal aan het Gedempte Zuiderdiep. Later zat het steunpunt in een herenhuis aan de Ubbo Emmiussingel, met een radio-uitluisterpost, telex en rechtstreekse telefoonlijn met Berlijn. Het gebouw was de uitvalsbasis voor een kleine groep spionnen.

Rode draad in het boek is dat de stadse samenleving in de oorlog veranderde, tegen het einde in hoog tempo. De spanning bereikte een hoogtepunt na Dolle Dinsdag op 5 september 1944, toen het land in opperste staat van opwinding raakte vanwege het bericht van de op handen zijnde bevrijding. Het Noorden stroomde onverwachts vol met Duitse eenheden, op de vlucht voor de oprukkende geallieerden. Ze arriveerden in volgepropte vrachtauto’s en personenwagens, of met paarden met karren.

Uitgeput na vier jaar bezetting

Stations werden overspoeld met treinen, groepen soldaten bivakkeerden in het Sterrebos, een sliert van 25 marineschepen voer van Groningen naar Delfzijl, en op het voorplein van de Rabenhaupt-kazerne werden documenten verbrand. De enorme aantallen Duitsers die lang of kort in de stad bivakkeerden kwamen op een moment dat de samenleving uitgeput was na vier jaar bezetting.

Tot aan de inval in mei 1940 bloeide de Martinistad, een van de steden van het Hanze-pact, een samenwerkingsverband van Europese steden voor de handel in goederen als zout, granen, vis, hout, wijn en bier.

Niets aan de hand

Aanvankelijk leek er niets aan de hand, toen de bezetters zich correct en gedisciplineerd gedroegen. De Wind schrijft: ‘In het met fris groen blad getooide stadspark verpoosden zich de wandelaars, fietsers en sporters. De padvinderij vermaakte zich met spel en zang. Kinderen speelden naar hartenlust in de Gruno-speeltuin en de renpaarden draafden in volle draf hun rondjes over de baan in de strijd om het prijzengeld.’

Maar de sfeer verhardde. Zodra het vermoeden bestond dat activiteiten tegen ‘de belangen van het Duitse volk of rijk’ waren gericht, werd een vereniging of stichting opgeheven. Met het toenemend aantal geboden en verboden nam de nazificering bezit van Groningen. Van de welvarende stad bleek aan het einde van het vierde bezettingsjaar weinig over. Winkels, cafés en bedrijven lagen er troosteloos bij of waren gesloten. De Wind: ,,Het was een verzameling doodsheid.’’

Onsmakelijke surrogaten

De bevolking behielp zich met onsmakelijke surrogaten en kinderen konden niet meer vertellen wat een banaan of sinaasappel was. Mensen reden piepend en kreunend op fietsen zonder banden, de reinigingsdienst had geen personeel om de straten schoon te houden, straatverlichting brandde niet meer en binnenshuis schenen alleen zwakke olielampjes.

De vreugdeloosheid regeerde ook in het onderwijs. Wat de kinderen mee hadden voor in de pauze was ‘eenheidsbrood’ met pindakaas van mollenbonen uit eigen tuin, Molka geheten. Ze kregen na september 1944, toen steeds meer scholen sloten, niet of nauwelijks nog les en liepen op klompen of met houten zolen onder de schoenen.

Jeugd ontwikkelde een eigen moraal

Het morele gezag van de ouders bleek eveneens tanende. Oorlogskind Wil Bok in het boek: ,,Van de vroege ochtend tot de late avond zwierven we over straat en ontwikkelden we een eigen moraal. Bij elke bijzondere gelegenheid stonden we op de eerste rang. En trokken onze kinderlijke conclusies, leefden ons uit in gewelddadige spelletjes, pleegden baldadigheid, tartten het gezag van de immers foute politie.’’

Hoewel er ook solidariteit heerste, distilleert De Wind uit documentatie, archieven en overlevering een inktzwart beeld van Groningen in de laatste oorlogswinter. Kinderen werden zelfs door ouders aangemoedigd om te stelen of spullen van de bezetter te vernielen. De Wind: ,,Er was geen moraal meer, de maatschappij was ingestort. We hebben het in de 21ste eeuw veel over respect en het verdwijnen van normen en waarden, maar dat is in de oorlog begonnen.’’

Omroep Max besteedt in het voorjaar van 2020, ten tijde van de herdenking van de Opstand van Texel, aandacht aan Groningen in de oorlogsjaren. De programmamakers baseren zich op het werk van De Wind. Philip Freriks interviewde al de Duitse soldaat Josef Schmidt en gaat op bezoek bij Hans Herbers, zoon van een Duitse officier die bij de bevrijding werd doodgeschoten.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen
Aanrader van de redactie