De Duitse soldaat Otto Tumbrink komt op 18 april 1945 in Delfzijl om het leven wanneer hij de 15-jarige Meindert Hollander uit een mijnenveld probeert te redden. Bert Blaauw uit Harkstede wil meer weten over de Duitse soldaat en vindt diens Nederlandse dochter.

Woensdag, 18 april 1945. De geallieerden zijn diep in de provincie Groningen doorgedrongen. De stad is sinds twee dagen bevrijd ten koste van veel doden en een centrum dat in puin ligt. In Grijpskerk begroet prins Bernhard 110 vrouwelijke gevangenen uit Westerbork die door hun bewakers naar Groningen zijn begeleid en daar achtergelaten.

In Delfzijl schopt de 15-jarige Meindert Hollander een bal in het mijnenveld dat het luchtafweergeschut op de zeedijk omringt. Die bal wil hij terug en hij stapt het mijnenveld in. De 21-jarige Duitse soldaat Otto Tumbrink ziet het en wil de jongen redden. Ook hij loopt het mijnenveld in. Beiden komen er niet levend vanaf. Het verhaal komt jaren terecht bij Oorlogsmuseum Middelstum van Ties Groenewold.

Duitse soldaat probeert Nederlandse jongen uit mijnenveld te halen: beiden sterven

Bert Blaauw uit Harkstede leest het verhaal driekwart eeuw later in Dagblad van het Noorden en hij raakt gefascineerd, ook over de liefde tussen een Duitse soldaat en zijn Nederlandse verloofde uit Krewerd.

,,De oorlog speelt een belangrijke rol in mijn leven. Mijn lieve en sterke oma vertelde indrukwekkende verhalen. Zij was geboren en getogen bij Smolensk in het westen van Rusland, en moest dwangarbeid in Duitsland verrichten, net als mijn opa uit Hoogezand. Na hun bevrijding door de Amerikanen trokken ze in april 1945 lopend en liftend door een verwoest Duitsland naar Nederland.’’

Blaauw wil meer weten over de levensloop van de Duitse soldaat. Wie was die Otto Tumbrink? Waar kwam hij vandaan? Hij gaat op onderzoek uit, vindt familieleden van Tumbrink en komt uiteindelijk uit bij Elfriede Scheeres (76), die woont in een verpleeghuis in Lelystad. Op een kast staat het ingelijste portret van de Duitse soldaat. ,,Hij is mijn vader, ook al heb ik hem nooit gekend.’’

Haar moeder Freeke Scheeres overleed in 2001. ,,Zij is opgegroeid in Krewerd en kwam uit een gezin met 15 kinderen.’’ Ze grinnikt. ,,Nee, opa heeft ‘m niet met plassen versleten’’, zegt ze met een onvervalst Amsterdams accent. ,,Toen opoe met hem trouwde had hij al acht kinderen. Zijn eerste vrouw was in het kraambed gestorven. Daarna kwamen er nog zeven kinderen, onder wie mijn moeder. Opa was jager en opoe een bakervrouw.’’

Thuis wordt er nooit over de Duitse soldaat gesproken. ,,Ze was gek op die man en ze is er nooit echt overheen gekomen. Ze heeft wel relaties gehad, maar is nooit hertrouwd. Een van hen was ook jaloers op Otto. Jaloers op een dode! Maar met mijn opa en oma, de ouders van Otto, sprak ik wel over hem.’’

loading

Otto Tumbrink is een schakel in het Groningse deel van de Atlantikwall

De Duitse soldaat is toegevoegd aan de Batterie Delfzijl, het luchtafweergeschut dat onderdeel is van de Atlantikwall – de 5000 kilometer lange verdedigingslinie langs de kusten van door Duitsland bezette gebieden – en dat onder meer de Ostfriese havenstad Emden tegen geallieerde bommenwerpers moet beschermen. De dan 21-jarige Tumbrink komt uit het het stadje Selm in Noordrijn-Westfalen. Voor de oorlog werkt hij in de mijnen.

Hij is 17 jaar oud als hij dienst neemt bij de Kriegsmarine, waar hij een opleiding krijgt bij de Marine Flak Abteilung 236. Dit onderdeel beschikt over luchtdoelbatterijen rond Emden, en vanaf 1940 ook over geschut in Delfzijl en Groningen. Een jaar later krijgt Termunten eveneens luchtafweer.

Otto Tumbrink arriveert op 29 augustus 1941 in Delfzijl. Na ruim een jaar wordt hij overgeplaatst naar de Batterie Nansum, enkele kilometers ten noorden van de havenstad. Maar in april 1945 bemant hij in de rang van Obergefreiter wederom het geschut in Delfzijl. Op 8 februari schrijft hij een brief naar zijn vriendin Freeke Scheeres. Ze is tewerkgesteld en moet onder meer aardappelen voor de Duitse manschappen koken. Ze zijn sinds 14 mei 1944 verloofd.

Tumbrink is net vader geworden van een dochter, maar hij heeft al een tijdje niks meer van Freeke gehoord. Uit zijn brief blijkt dat hij een beetje onzeker is, of is het schertsend bedoeld wanneer hij informeert of ze hem nog wel leuk vindt of dat ze genoeg aan hun dochter heeft? Hij eindigt de brief met: ‘ Denn einmal komt die Tag das wir uns wiedersehen. Die herzlichen Grüße aus der ferne sendet dir meine liebe Frau, dein immer an dich denkende, liebender und ewig treu bleibender Schatz. Otto

loading

Dochter van Duitse soldaat vreest getreiter door ouderen

Dochter Elfriede is terughoudend erin om anderen veel over haar vader te vertellen. ,,Het valt mij op dat veel 80-jarigen een enorme haat voor de Duitsers hebben. Ik kende een vrouw die in dezelfde situatie zat. Die is behoorlijk getreiterd. Dus ik kan eigenlijk niet vrijuit praten over wie ik ben en waar ik ben geboren.’’

Driekwart eeuw na dato kan ze niet echt zeggen dat ze haar vader heeft gemist. ,,Wat je niet hebt, kun je ook niet missen. Maar natuurlijk was ik wel nieuwsgierig, hij is immers mijn vader. Ik heb altijd contact met zijn familie gehouden. In mijn jeugd ging ik elk jaar op vakantie naar mijn grootouders in Selm. Opa was postbode en oma huisvrouw. Zo ging dat in die dagen. Het waren heel lieve mensen. Over de oorlog spraken we niet veel. Was ik toen ook nog te jong voor.’’

Als jonge mijnwerker klom Otto soms met z’n trompet op de schoorsteen

Mathias Peter (35) uit Selm sprak veel over Otto Tumbrink met zijn opa Walter, een broer van Otto. ,,Ik groeide op in Selm. Ik woon daar nog steeds. Ik kwam veel bij mijn opa en oma. En hij begon er altijd over. Niet uit verdriet, maar meer om te benadrukken dat vrijheid niet vanzelfsprekend is, dat zoiets nooit meer mag gebeuren. Opa Walter overleed in 2014.’’

Via hem leerde Mathias Peter de jonge Otto kennen als een aardige, vlotte jongen. ,,Otto werkte in een kolenmijn voordat hij naar de marine ging. Hij speelde trompet en ik begreep van mijn opa dat hij af en toe op een schoorsteen klom om te spelen.’’

Ook het verhaal van die noodlottige woensdag 18 april 1945 heeft hij vaak gehoord. ,, De jongen die de bal in het mijnveld schopte was ervan overtuigd dat hem niks kon gebeuren. Hij legde zijn jas over het prikkeldraad en klom er overheen. Otto zag het en riep dat hij moest blijven stilstaan. ‘Ik kom je halen’, riep hij. ,,Zijn kameraden probeerden hem nog tegen te houden, maar Otto stapte toch in het mijnenveld. Hij was al dichtbij die jongen toen die opeens op hem af rende. Zo nerveus was hij. Een mijn ontplofte. Otto was meteen dood en de jongen verloor zijn benen. Volgens mij overleed hij in de ambulance of in het ziekenhuis. Zijn verloofde Freeke vertrok daarna naar Selm. Hier is Ellie ook geboren.’’

Peters glimlach is door de telefoon te horen. ,,Ik ken het verhaal zo goed, ik hoorde het verhaal bijna elke week van mijn opa. Het liet hem maar niet met rust.’’

Op 4 mei denkt Bert Blaauw even aan Otto Tumbrink en Meindert Hollander. ,,Ik woonde in Winschoten, Haren, Scheemda, Oude Pekela en nu in Harkstede, maar was bij alle dodenherdenkingen. Mij en mijn twee broers is geleerd dat vrijheid niet vanzelfsprekend is.’’

loading

Ook bloemen voor de vijand

Bestuurslid Bouko Sanders van het 4 mei comité Delfzijl sprak later vaak over die woensdag 18 april 1945 met Liesje Hollander, de jongere zus van Meindert. Ze overleed in september vorig jaar. Hij stelde haar verhaal op schrift voor de herdenking in 2020. Sanders schrijft: ‘Meindert was een jongen zoals heel veel jongens van 15 jaar: buiten spelen, de wereld ontdekken en vooral voetballen. Dat deed hij het allerliefst. Met zijn kameraden uit de buurt. Ze speelden tegen elkaar maar soms ook tegen de Duitse soldaten die gelegerd waren in het barakkenkamp onder aan de dijk bij de luchtafweerbatterij’.

‘Meindert woonde in de De Ruyterstraat op nummer 15 met zijn vader en moeder, zijn broer en zijn drie zussen. Meindert was de op een na jongste, alleen Liesje was na hem geboren. Vader was chauffeur bij Rottinghuis, hij was lange dagen van huis. Moeder was thuis, bekommerde zich om het huishouden en de kinderen. Ze hield van al haar kinderen maar Meindert was haar oogappel, hij had een speciale plek in haar hart. Ze was altijd bezorgd dat hem iets zou overkomen, alsof ze voorvoelde welke ramp zich zou gaan voltrekken. Het liefst had ze dat hij binnen bleef, binnen was het veilig’.

Die Duitsers waren lang niet allemaal slechte mensen

‘Maar Meindert bleef niet binnen. Natuurlijk hield hij ook veel van zijn moeder en hij zag niet graag dat ze zo bezorgd was, maar buiten waren zijn kameraden, buiten kon je voetballen, buiten was het avontuur. Meindert ging graag naar het Eemskanaal om bij de boten te spelen. Ook zijn opa en oma hadden daar een liggen. Van moeder mocht hij daar niet komen, bang als ze was dat hij in kanaal zou vallen’.

‘Of ze gingen naar de weegbrug bij het haventerrein. Daar viel vaak turf te halen. Dat nam Meindert mee naar huis, het fornuis brandde er goed op. Eigenlijk mocht je er niet komen maar de Duitse soldaten zagen het door de vingers. Die Duitsers waren lang niet allemaal slechte mensen. Zo had je Rooie Willie , die altijd wel wat te eten had en dat deelde met de kwajongens uit Delfzijl. Of Otto Tumbrink. Met Otto kon je voetballen. Bij Otto viel vaak ook wel wat te halen, boter bijvoorbeeld, of tabak. De tabak gaf Meindert aan vader’.

loading

Voetballen deed hij liever dan geallieerde vliegtuigen neerhalen

(…) ‘Hij werkte afwisselend op de batterijen bij Nansum en die op de dijk bij Delfzijl. Het was zijn taak geallieerde vliegtuigen naar beneden te halen. Dat viel nog helemaal niet mee, Otto had nog nooit een vliegtuig geraakt. Voetballen deed hij trouwens liever, tegen de jongens uit Delfzijl. Hij kende ze allemaal bij naam’.

‘Meestal voetbalden ze op een veldje in de richting van Farmsum maar die 18de april niet. Ze trapten een balletje achter op het terrein van het Woldjerspoor. (…) Otto zag het gebeuren, de bal die in het mijnenveld terechtkwam. Glasmijnen. Die waren daar gelegd tussen het spoorterrein en het barakkenkamp om te voorkomen dat iemand ongemerkt het kamp van die kant kon benaderen. Meindert rende er achteraan. Wist hij niet dat er mijnen lagen? Otto riep, rende ernaartoe, liep ook het mijnenveld in. De ontploffing kostte beiden het leven’.

Meindert en Otto lagen naast elkaar op de begraafplaats

‘Met een ladder zijn Meindert en Otto uit het mijnenveld gehaald. Otto was op slag dood geweest. Meindert overleed kort daarna in het hospitaal dat was ingericht in de gymzaal in de Schoolstraat. Ze zijn naast elkaar begraven op de gemeentelijke begraafplaats’.

‘Voor de begrafenis van Meindert was niet veel tijd geweest. De beschietingen van Delfzijl waren begonnen. Ze renden van de begraafplaats rechtstreeks de schuilkelder in. Daar hebben ze vervolgens een aantal weken gezeten. Moeder was ontroostbaar. Het verblijf in de kleine bedompte ruimte was geen pretje maar viel in het niet bij het gemis van haar zoon. Op 1 mei waren ze bevrijd maar het was een bevrijding met een zwarte rand’.

‘Elke keer als ze bloemen legden op het graf van Meindert legden ze ook bloemen op het graf van Otto. Hij had zijn leven gegeven in een poging dat van hun zoon te redden. Steevast werden die er weer door anderen afgehaald. Hij was immers de mof, de vijand. Op het graf van de vijand horen geen bloemen. In 1958 is het graf van Otto Tumbrink verplaatst naar de Duitse militaire begraafplaats bij Ysselsteyn in Limburg’.

loading

Bron Oorlogsmuseum Middelstum.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen