De dichter die al zijn hele leven schrijft over de vergankelijkheid en de dood is dinsdag 70 jaar geworden. Jean Pierre Rawie viert het in tijden van ‘ophokking’ met een fles port uit 1934 en een bundel antieke gedichten die hij vertaalde. ,,Je moet nooit ontroerd raken door je eigen gedicht.’’

Jean Pierre Rawie zou jong sterven. Als kind al.

Het ziekelijke jongetje dat opgroeide in het ruwe Winschoten werd geheel onverwacht volwassen en vierde die overwinning in de cafés van Groningen met zo veel drank en tabak dat hij nog regelmatig langs de afgrond gleed. Nee, oud zou hij niet worden. Die keerzijde van zijn leven als dichter nam hij voor lief.

,,70 jaar. Godbetert."

Jean Pierre Rawie zit thuis in driedelig krijtstreeppak op een versleten zwartleren leunstoel en kan het niet meer ontkennen: hij is niet jong gestorven, hij heeft een respectabele leeftijd bereikt.

Ondanks dat ziekelijke jongetje, ondanks de drank, ondanks het herseninfarct van tien jaar geleden dat ervoor heeft gezorgd dat een fiets met vier wielen, het monster, de gang van zijn oude binnenstadswoning bezet.

De dichter die al zijn hele leven schrijft over vergankelijkheid is tot zijn eigen verbazing 70 jaar geworden. ,,Het is alsof ik een levensfase heb overgeslagen. Ik was lang een aanstormend genie en nu ben ik opeens een ouwe lul."

Luchtbel

Wil ik van de sterren leren

waar gij, Tijd, gebleven zijt,

blijkt dat gij met hen verglijdt

zonder met hen terug te keren.

Hoe kan ik uw loop traceren,

niemand houdt u immers bij?

maar ach, wat verbeeld ik mij

dat gij telkens zijt vervlogen;

gij blijft, Tijd, steeds onbewogen

en slechts ik, ik ga voorbij.


Zo schreef de Spaanse dichter Luis de Góngora (1561-1627). Het gedicht staat, vertaald door Rawie, in de nieuwe publicatie Een luchtbel in een vluchtige rivier . Het boek met vertalingen van werk van buitenlandse en veelal eeuwenoude dichters verschijnt ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag.

,,Voor mijn doen is het best een geleerd boek", zegt Rawie met zijn kenmerkende ironische twinkeling in de ogen.

Bij elk gedicht schrijft Rawie een beschouwing die alle kanten uit kan waaieren: over het leven van de betreffende dichter, poëzie in het algemeen, het vertalen zelf, de visie van Rawie op het vak. ,,Het is eigenlijk mijn eerste echte boek, geschreven als boek. Geen verzameling van eerder geschreven gedichten of verhalen.’’

Hij toont in Een luchtbel in een vluchtige rivier inderdaad zijn geleerdheid op het gebied van de Europese literatuur, maar dan wel met de luchtige toon van zijn krantencolumns, iedere week op pagina 2 van de vrijdagse cultuurbijlage in Dagblad van het Noorden. ,,Ik vind: je moet je eruditie licht torsen. Anders wordt het pedant."

Vertalen doet hij zijn hele dichterscarrière al. Hij publiceert de vertalingen meestal achterin zijn eigen bundels – ‘een hint naar de traditie waarin ik sta die meestal niet begrepen wordt’ - voor het eerst is er nu een boek met uitsluitend vertalingen. Geen nieuw eigen werk. ,,Dat komt als er genoeg is.’’

De gedichten die hij selecteerde om te vertalen liggen dicht bij zijn eigen werk. Klassieke sonnetten en rondelen, vaak over liefde en vergankelijkheid. ,,De kunst is om alles van het originele gedicht erin te verwerken en toch te zorgen dat het voelt als een echte Rawie. Dat is me soms heel aardig gelukt."

Weer die twinkeling.

loading

Ophokking

Je zeventigste verjaardag vieren in ‘de tweede ophokking’ is raar. Zeker voor de man die een groot deel van zijn leven in de horeca sleet. Hij dronk, halverwege hun beider verjaardagen, met zijn geliefde (zij werd 40) een fles port uit 1934.

Dat was het wel zo’n beetje.

‘De gansche waereld is gheck gheworden’, schrijft hij in een mail voorafgaand aan het interview. De boekhandels zijn alleen op afspraak te bezoeken en net nu verschijnt er van zijn hand een bundel voor fijnproevers. En dan kan de krant ook niet even wachten met het interview tot hij 70 jaar en drie maanden is en de wereld weer open is.

Rawie vindt het vreselijk dat juist in zijn land de boekhandels gezien worden als niet-essentiële winkels. ,,Dit land is zo on-muzisch. In die persconferenties gaat het nooit over de kunsten. Onze bestuurders hebben daar niets mee. Neem zo’n Boris Johnson, die is klassiek geschoold, die vocht disputen uit over het oude Griekenland en Rome. Onze minister-president is een historicus die na twee dagen weer is vergeten wat er is gezegd."

Een verschrikkelijk land eigenlijk. Hij moppert vaker over het gebrek aan cultuurliefde in Nederland. De titel van zijn vertalingenbundel Een luchtbel in een vluchtige rivier – een zin uit een gedicht van Maffeo Barberini (ook bekend als paus Urbanus de achtste) – staat voor hem voor de manier waarop naar poëzie wordt gekeken. Het dichterschap wordt als vak niet serieus genomen. ,,U schrijft prachtige gedichten, zeggen ze dan. Maar wat doet u eigenlijk?’’

Toch heeft juist Rawie, als een van de weinige dichters in Nederland, over lezers en verkoopcijfers niet te klagen. Zijn toegankelijke gedichten – hij verfoeit de onbegrijpelijke moderne experimentele poëzie – zijn populair. Hij wordt veelvuldig geciteerd in rouwadvertenties.

Ontoering

Gelezen worden is belangrijk. ,,Ik geloof niet dat ik nog zou schrijven als ik zeker zou weten dat ik de rest van mijn leven vast zou zitten op een onbewoond eiland.’’ Zijn poëzie heeft waarde in wisselwerking met de lezers. Zo is dat met alle kunst. Je denkt toch niet dat die oude dichters die hij vertaalde alleen maar schreven om het schrijven?

,,Kunst is geen gevoelsuitbarsting. Dat is een veelgemaakte vergissing. Vooral bij amateurdichters.’’ Het is hard werken. Je moet de techniek leren beheersen, je verdiepen in de traditie, in het werk van anderen, kijken over de grens – vandaar ook die vertalingen. ,,Je moet nooit ontroerd raken door je eigen gedicht. Het gevoel zit niet bij mij maar bij de lezer. Die moet de ik van het gedicht worden."

Dat zijn gedichten zoveel gaan over de dood en de vergankelijkheid, wil niet zeggen dat Rawie daar zelf door is geobsedeerd. ,,Natuurlijk houdt het me wel bezig, maar niet de hele dag. Dat zou ook niet best zijn. Ik schrijf niet zo vreselijk veel gedichten, dus als ik het doe moet het wel over iets wezenlijks gaan."

‘Alle kunst houdt zich in diepste zin bezig met het voorbijgaan van de tijd’, stelt hij in zijn beschouwing over het gedicht van de Italiaan Frederico Meninni (1636-1712) die betreurt dat een ander straks zijn boeken, huis en bed zal gebruiken als hij er niet meer is.

Evenveel kwelling die mijn hart doorwroet,

bij de gedachte dat een zielloos ding

mag voortbestaan, terwijl ik sterven moet!

Rawie pakt een klein lichtbruin boekje uit de kast, ongeveer ter grootte van een mobiele telefoon maar dikker. Werk van Petrarca, ongeveer 500 jaar oud. Hij begrijpt die Italiaan Meninni wel. ,,Door hoeveel handen zal dit zijn gegaan?"

Hij bladert in Petrarca, toont de dunne bladzijden met de kleine lettertjes. ,,Dit vind ik heel ontroerend. Allemaal met de hand gezet, en heel weinig foutjes."

loading

Foutloos

Rawie stoort zich vaak aan de fouten die hij tegenkomt in moderne boeken en waakt er zorgvuldig voor dat hij zelf nooit op een foutje te betrappen is. Niet in zijn gedichten die altijd strak in de vorm zijn, niet in zijn columns, niet in zijn kleding, niet in zijn interviews waarin hij behoedzaam formuleert en zijn succesvolle citaten graag herhaalt. ,,Ik zeg misschien vaak hetzelfde. Maar waarom zou ik ineens van mening zijn veranderd?"

Die zin over de levensfase die hij heeft overgeslagen, bijvoorbeeld, gebruikt hij vaker in interviews. Hij was lang een aanstormend genie en is nu opeens een ouwe lul. ,,Daar hoort eigenlijk iets tussen te zitten, denk ik.’’

Als je al vroeg in je leven begint te schrijven over de dood en de vergankelijkheid, is het niet gek dat je daar altijd mee doorgaat. ,,Vroeger kreeg ik kritiek op mijn beperkte thematiek want ik schreef alleen maar over drank, dood en liefde. Toen ik niet meer over drank schreef maar alleen over dood en liefde verstomde dat verwijt, wonderlijk genoeg.’’

Hij lacht even en vervolgt serieuzer: ,,Natuurlijk is er wel ontwikkeling. Je groeit zelf, je weet meer. Ik ben steeds ernstiger geworden en heb de ironie bewust uitgebannen uit de poëzie omdat het een heel hachelijke en moeilijke stijlvorm is en mensen dachten dat ik niet serieus was.’’

Noodkreet

Ineens staat hij op. ,,Ik moet even de katten eten geven, want ik zie ze enorm naar me kijken.’’ Zijn stem schiet de hoogte in. ,,Brokjes! Kom maar. Ja jongens.’’

Rawie is een kattenmens. Als kind had hij een hond, maar dat kwam omdat zijn moeder geen katten wilde. ,,Mijn moeder hield er niet van als haar huisgenoten hun eigen weg gingen.’’ Niet alleen de katten, ook haar man en kinderen. Zij was een van die mensen die moeilijk haar eigen ongelijk kon toegeven. Er was onmin totdat de tegenpartij bakzeil haalde.’’

Maar verder, zegt hij snel, heeft hij heel lieve ouders gehad hoor. Niks aan de hand, geen moeilijke jeugd, althans, niet op dat vlak. ,,Ik groeide natuurlijk op in een verschrikkelijk stadje waarvan ik de naam niet meer wens uit te spreken, maar daar hebben we het verder niet over.’’

Toen zijn eerste bundel uitkwam, met ook toen dus al de zware thematiek waarmee hij bekend is geworden, belde een oom zijn moeder en zei: ,,Heb je wel gezien dat dit een noodkreet van die jongen is?’’

Rawie lacht om de gedachte. ,,Eerst sonnetten schrijven, een uitgever zoeken, drukproeven corrigeren en exemplaren verspreiden. Dat zou wel heel omslachtig zijn voor een noodkreet.’’

loading  

Titel Een luchtbel in een vluchtige rivier Auteur Jean Pierre Rawie Uitgever Prometheus Prijs 22 euro (224 blz.)

Je kunt deze onderwerpen volgen
Groningen