Op naar duurzaam boeren: onderzoekers willen de Groninger veehouder koppelen aan de akkerbouwer

Een boerderij bij het Groningse Garnwerd. Foto archief Jan Zeeman

Door melkveehouders te koppelen aan akkerbouwers is duurzame landbouw in Noord-Groningen mogelijk. Dat zeggen onderzoekers na een pilot in De Marne.

Rijksadviseur voor de fysieke leefomgeving Berno Strootman heeft op drie plekken in Nederland gekeken naar een blauwdruk voor de landbouw van de toekomst. Behalve Noord-Groningen zijn dat Salland en de Krimpenerwaard. Aan het onderzoek is meegewerkt door boeren, waterschappen, natuurorganisaties en regionale overheden.

De huidige landbouw zit op een dood spoor, vinden velen. Door de intensivering neemt de kwaliteit van bodem, water en biodiversiteit steeds verder af en is veel landschappelijk schoon verdwenen. De boeren hebben het gevoel dat ze hun best doen om aan alle, steeds veranderende regels van de overheid te voldoen, maar vinden dat ze bar weinig maatschappelijke waardering krijgen voor hun inzet. Het is daarom hoog tijd voor een koerswijziging, meent het College van Rijksadviseurs, dat daarvoor onder meer naar de voormalige gemeente De Marne toog.

De vruchtbare zeeklei in combinatie met het milde klimaat maken van De Marne een van de beste landbouwgebieden van Nederland, zeggen de onderzoekers.

Toppositie

Er werden vroeger tal van landbouwgewassen verbouwd, van koolzaad, gerst, haver en bonen tot aardappelen en wortelen. Tegenwoordig heeft de pootaardappel de overhand. Door de kleigrond en de uitgelezen klimatologische omstandigheden heeft de regio met 8 procent van de mondiale export een wereldwijde toppositie. Naast 111 akkerbouwbedrijven kent het gebied ook nog 38 melkveehouderijen.

Hoewel de akkerbouw en veeteelt in het gebied vaak zijn voortgekomen uit een gemengd bedrijf, hebben boeren zich steeds meer gespecialiseerd. Er is nog maar weinig uitwisseling.

Een andere ontwikkeling is de schaalvergroting. De bodem wordt steeds intensiever bewerkt met al maar grotere machines. Daar komt bij dat voor pootaardappelen veel kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen nodig zijn. Door dit alles is er voor gevarieerde flora en fauna op de akkers en weilanden geen plaats meer. Boter- en korenbloemen zijn verdwenen, net als patrijs en veldleeuwerik. Het moderne platteland oogt kaal en doods.

Experimenteren

Een aantal boeren probeert hier iets aan te doen en experimenteert met het inzaaien van akkerranden met bloemenmengsels om insecten aan te trekken. Die kunnen dan plaagsoorten te lijf. Zo zijn minder bestrijdingsmiddelen nodig. Ook worden sommige akkers minder diep geploegd, waardoor de bodem wordt ontzien en worden groenbemesters gebruikt. Wanneer de grond meer organische stof bevat, wordt water beter vastgehouden. Dat is nodig met het oog op de klimaatverandering en de verzilting van de kuststrook.

Voor de overgang naar een landbouw die in harmonie met het landschap is, is volgens de Rijksadviseurs nog meer nodig. Zo stellen ze voor akkerbouwers en melkveehouders in één bedrijf te koppelen en het bouwplan te verruimen, zodat er een kleuriger landschap ontstaat. In plaats van aardappelen zouden meer eiwitgewassen verbouwd kunnen worden, zoals soja, erwten en bonen.

Stikstofkringloop

Een koppelbedrijf zou kunnen bestaan uit één melkveehouder en drie akkerbouwers. De bedrijven kunnen mest en voer uitwisselen, waardoor de stikstofkringloop gesloten is en geen grondstoffen van elders nodig zijn. Boeren hoeven dan bijvoorbeeld geen kunstmest meer te kopen. Door deze samenwerking en de schaalgrootte van hun bedrijf kunnen ze makkelijker investeringen doen.

In regionaal verband kunnen de landbouwcollectieven ook samenwerken, bijvoorbeeld bij de verwerking of het vermarkten van hun producten.

Rond dorpen zou vooral aan strokenteelt gedaan moeten worden. Daarbij staan verschillende gewassen in stroken naast elkaar. Tussen de gewassen liggen stroken van drie meter breed met bloemen en planten die insecten aantrekken. Die zorgen er vervolgens voor dat er minder bestrijdingsmiddelen nodig zijn.

Versnipperd

Ook moeten maren (sloten) en slaperdijken (landinwaarts gelegen reservedijken bij de zeedijk) een belangrijker rol in het landschap krijgen. De oevers van maren moeten verbreed, zodat extreme neerslag kan worden opgevangen. Het beheer van slaperdijken is nu te versnipperd. Ze zouden samengevoegd moeten worden in één agrarisch collectief.

Al deze veranderingen raken de boer raken in zijn portemonnee, erkennen de onderzoekers. Om dit nieuwe verdienmodel mogelijk te maken zijn ‘grootschalige veranderingen nodig in maatschappij, overheid en markt’. Boeren kunnen nu vrijwel niet verduurzamen door de lage voedselprijzen en de hoge investeringen.

De Rijksadviseurs willen dat er een contract wordt gesloten tussen boeren en de maatschappij. De boer krijgt een ‘eerlijker inkomen’ en zorgt in ruil daarvoor voor schone lucht en water, een gezondere bodem, meer biodiversiteit en een aantrekkelijk landschap.

Het College van Rijksadviseurs adviseert het Rijk over ruimtelijke kwaliteit. Voorzitter is Rijksbouwmeester Floris Alkemade. De pilot in De Marne liep van juni 2019 tot en met april 2020. Het onderzoeksteam bestond uit Flux landscape architecture, het Louis Bolk Instituut en het Kenniscentrum Landschap van de Rijksuniversiteit Groningen. In september wordt het eindadvies van de drie pilots aan het Rijk aangeboden.

menu