Rechtszaak over sloopschepen Groningse rederij Seatrade moet over

Een sloopwerf in India. Het schip op de foto is niet van Seatrade. Foto: Shutterstock

De rechtbank in Rotterdam gaat de strafzaak tegen de Groningse rederij Seatrade over de sloop van vier schepen in India, Bangladesh en Turkije over doen. In 2018 werden het bedrijf en twee leidinggevenden veroordeeld, maar dat proces is niet volgens de regels verlopen.

Seatrade besloot in 2012 om de vier schepen Spring Bob, Spring Panda, Spring Bear en Spring Deli te laten slopen. De schepen werden gedemonteerd op stranden in India, Bangladesh en Turkije.

Sloopwerven in vooral India en Bangladesh staan bekend om slechte arbeidsomstandigheden. Ook wordt er weinig rekening gehouden met het milieu.

In de schepen van Seatrade zaten volgens de rechtbank in Rotterdam de gevaarlijke stoffen asbest en chloorfluorkoolwaterstoffen. Ze veroordeelde in maart 2018 de algemeen directeur van Seatrade en nog een leidinggevende van het bedrijf tot een beroepsverbod van een jaar en een boete van vijftigduizend euro. Verder legde de rechtbank drie verschillende bedrijfsonderdelen van Seatrade boetes op van 750 duizend euro.

Hoger beroep van Seatrade

Seatrade spande hoger beroep aan tegen het vonnis. Het bedrijf bestreed dat de Europese afvalregels van toepassing waren op haar schepen. Het gerechtshof in Den Haag kwam vervolgens tot het oordeel dat de behandeling van de zaak bij de Rotterdamse rechtbank niet volgens de regels was verlopen.

Een van de Rotterdamse rechters had immers eerder te maken gehad met Seatrade. Daardoor was zijn onpartijdigheid in de strafzaak over de sloopschepen niet gegarandeerd.

De rechtbank moet de zaak om die reden over doen. Tijdens een nieuwe zitting in Rotterdam werd onlangs besloten dat de behandeling van de zaak pas volgend voorjaar verder gaat.

De advocaten van Seatrade wilden niet reageren op deze ontwikkeling en ook het Openbaar Ministerie geeft geen commentaar. Het OM eiste in 2018 tegen de algemeen directeur van Seatrade een celstraf van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk.

menu