Ingang zittingszaal 14, rechtbank in Groningen -

Zittingszaal 14: Staat van normaalheid

Ingang zittingszaal 14, rechtbank in Groningen -

De 47-jarige Freddie is omvergeworpen. Roerloos ligt hij op de grond, met de snufferd tegen het linoleum gedrukt. Op zijn blote benen zit zowel links als rechts een vrouw, aan beide zijden twee potige mannen. Freddie maakt zo geen schijn van kans, dat is duidelijk. Zijn rotleven bestaat sowieso uit hard vallen en krabbelend opstaan. Wanneer hij ditmaal weer overeind zal komen is een vraag, want de officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging geëist.

Freddie maakt zo geen schijn van kans, dat is duidelijk. Zijn rotleven bestaat sowieso uit hard vallen en krabbelend opstaan. Wanneer hij ditmaal weer overeind zal komen is een vraag, want de officier van justitie heeft tbs met dwangverpleging geëist.

Tbs met dwang is het laatste dat hij wiI. Hij zegt dat hij heus nog wel in de samenleving valt te handhaven. ,,Ik vind dat ik voor een tbs nog niet gek genoeg ben.’’ De officier van justitie: ,,Maar wel heel gevaarlijk.’’

In de rechtszaal worden ze met regelmaat uitgesproken, woorden die daarbuiten, in de verharde samenleving, inmiddels de status van taboe hebben bereikt: de slechte jeugd.

Maar helaas. De slechte jeugd bestaat (nog steeds) en niet zo’n beetje ook.

Freddie heeft zich door zo’n slechte jeugd heen moeten worstelen en hij is er beroerd uitgekomen. Hoe ellendig het is geweest en waarom blijft in de rechtszaal onbenoemd. Maar de rechter heeft erover gelezen en spreekt van schrijnende omstandigheden. Dat zegt genoeg.

In de rapporten staat dat er sprake is van ‘negatieve opvoedinsgservaringen’.

Een paar dagen geleden is Freddie 47 jaar geworden. Dertig jaar terug belandde hij als cliënt in de psychiatrie en later als dakloze op straat. Leven werd overleven, niet alleen in de krochten van de stad, maar ook in de opvang, in klinieken, in separeercellen, in gevangenissen.

Soms kruipen er mensen in zijn hoofd. Hij kan dan hun stemmen horen. Soms schreeuwen ze het uit.

Rechter: ,,Hoort u nu ook stemmen?’’ Freddie: ,,Ja, maar nu zijn het meestal liedjes die ik hoor.’’

Hij wordt verdacht van negen strafbare feiten, de meeste gepleegd in maart, april en mei van dit jaar. Het zijn de misdrijven die horen bij iemand die moet zien te overleven op straat.

Bij de Jumbo in de Oosterstraat in Groningen had hij een blikje bier gestolen, elders beledigde hij twee bijzondere opsporingsambtenaren (boa’s). Toen zij hem aanspraken omdat hij aan het bedelen was, had hij ‘kankersukkel’ geroepen en tegen die andere ‘trut’ gezegd.

Hij had zich bij de Jumbo aan het Linnaeusplein schuldig gemaakt aan lokaalvredebreuk. Freddie wist niet dat hij daar niet mocht komen – vanwege eerdere diefstallen – en had die ochtend zin in gratis koffie gehad. Bij de broodafdeling hadden ze hem, zegt hij ,,hardnekkig tegen de grond gewerkt’’.

In een cel van het cellencomplex van de politie aan de Hooghoudtstraat vernielde hij de celdeur: met een op de grond gevonden schroefje had hij de deur bekrast met de letters g i f .

Hij had een opsporingsambtenaar geslagen toen die hem wakker maakte in een leegstaand pand. Hij had op straat iemand die hem passeerde een harde knal voor de kanis gegeven. Het bleek geen willekeurige klap. Het slachtoffer was de nachtportier van de opvang. De man die hem al tweemaal buiten de deur had gezet. Freddie: ,,Dan mag ik hem toch wel een duwtje geven?’’

De officier van justitie: ,,Nee, mag niet.’’

De officier van justitie ziet een patroon. Waren het eerst vooral diefstallen uit winkels, steeds vaker is er sprake van agressie en geweld. Ze stelt vast: Freddie is aan het afglijden.

Het ergste moet nog komen. In april verblijft Freddie bij Lentis aan de Hereweg in Groningen. Het is crisis, Freddie zit in de separeercel, gehuld in een blauw gewaad, een soort jurk. Als hij moet plassen mag hij zonder begeleiding even naar het toilet.

Halverwege ziet hij in een kantoortje de psychiatrisch verpleegkundige René. De man zit met de rug naar de geopende deur. Iemand roept nog ‘niet doen’, maar Freddie luistert niet: hij springt boven op de verpleegkundige en legt hem - onverhoeds - in een stevige nekklem. Een collega van René springt op zijn beurt op Freddie, er wordt alarm geslagen, meerdere hulpverleners spoeden zich het kantoortje in en weten eerst René te ontzetten en vervolgens Freddie uit te schakelen. Zo ontstaat de situatie zoals beschreven aan het begin van dit verhaal.

We zijn rond.

Rest de vraag: wat te doen met Freddie? Het antwoord van het Openbaar Ministerie was er al: tbs met dwangverpleging. En dat Freddie dat niet ziet zitten, had ik ook al opgeschreven. Tegen de rechters zegt hij: ,,Ik ben nog in staat van normaalheid. Ik kan mij gedragen bij mensen die zogezegd zorg verlenen. Alleen moeten ze niet gaan kutten want dan word ik boos. Dat wilde ik even gezegd hebben.’’

De officier van justitie merkt op dat alle mogelijke behandelingen die ooit in de psychiatrie zijn bedacht op Freddie zijn uitgeprobeerd en dat niets heeft geholpen. Want nog altijd zijn er waanbeelden, is sprake van een gestoord waarnemingsvermogen en dreigt het gevaar van zeer ernstig geweld. Intensieve zorg en beveiliging – de combinatie heet tbs – zijn noodzakelijk.

Freddie merkt op dat hij de verpleegkundige anders dan wat de officier van justitie beweert, helemaal niet wilde doden of pijn wilde doen. „Ik wilde hem alleen een lesje leren, ik wilde hem van die stoel trekken. Ik wilde hem omverwerpen.’’

Nu is hij zelf omvergeworpen.

Ik kijk naar Freddie in de verdachtenbank. De mondkap half voor de kin. Mat. Het hoofd vooral gebogen. Ik vraag me af – stel de rechtbank legt de tbs-maatregel op – wat voor een man Freddie zal zijn als hij de kliniek weer mag verlaten. Dat zal misschien pas in 2030 zijn, want zo lang duurt gemiddeld een tbs-behandeling. Zal hij herboren zijn? Of ligt hij dan nog steeds met de snufferd op de grond?

Ik moest denken aan de verdachte (ook een poging tot doodslag) van eerder deze week, aan de man die Foxy wordt genoemd en die net als Freddie 47 jaar is. Foxy belandde dertig jaar geleden niet in de psychiatrie, maar in Nederland, als minderjarig asielzoeker uit Mogadishu, Somalië. Zijn jeugd zal daar ook weinig verheffend zijn geweest.

Ook in zijn hoofd is het voortdurend een kabaal van jewelste waardoor de verstandelijke vermogens beperkt zijn gebleven tot die van een kind van 4 tot 7 jaar. Met dat vermogen struint Foxy al dertig jaar door de straten van de stad. Hij spreekt nog altijd geen woord Nederlands.

Een slechte jeugd, gevolgd door dertig jaar ellende met een weinig rooskleurige toekomst in het verschiet.

Prettige dag verder.

menu