Teruglezen: de 5 mei-lezing van Thomas Erdbrink

Journalist Thomas Erdbrink hield donderdagochtend de 5 mei-lezing in de Stadsschouwburg in Groningen. Zijn tekst Vriend of vijand? is hieronder terug te lezen.

Vriend of vijand?

Onlangs vierde ik mijn veertigste verjaardag in Iran. Alles moet stiekem, feesten is verboden. Met de telefoon van een vriend bel ik de DJ, via via nodig ik mijn vrienden uit. Drank, verboden in Iran, moet via een mannetje komen. In de avondschemer tilt hij een paar rinkelende vuilniszakken uit zijn achterbak. Dikke knipoog erbij en ter plekke afrekenen s.v.p.

Die avond dreunt mijn appartement van de housebeats. Mensen dansen op de tafels, er wordt gejoeld. We zijn een groep. Iedereen kent elkaar. Iedereen vertrouwt elkaar. Kunstenaars, acteurs, journalisten. Er is een advocaat en een restauranthouder. Niemand zal ons verraden. De buren bellen de politie niet. Dat doe je simpelweg niet.

De groep biedt veiligheid en geborgenheid in een land waar de staat altijd op je let. Gelijkgestemden. Als er buitenstaanders zich bij ons voegen die zich anders kleden en gedragen, is iedereen direct op zijn of haar hoede. Een aangeboren instinct, dat ik mijzelf in mijn jaren hier heb moeten aanleren, is argwaan voor de buitenstaander.

Niet iedereen op zijn blauwe of bruine ogen vertrouwen, is een verstandige eigenschap, maar achterdocht kan ook bezit van je nemen.

Tijdens het hoogtepunt van mijn verjaardag ontwaar ik een bebaarde, forse man en een onbekende vrouw tussen de dansende menigte. ‘Vreemdelingen!’ denk ik bij mezelf, ‘oprotten!’ Ik baan eropaf. ‘Wie heeft jullie uitgenodigd?!’ is mijn directe openingsvraag. Mijn handen in mijn zij. Kom maar op met je antwoord. De man krijgt een kleur. ‘Ik ben de broer van de verloofde van je zwager,’ zegt hij. ‘We worden familie.’

De lijn tussen vriend en vijand is in de verbeelding altijd scherp getrokken, maar in de praktijk pakt het vaak anders uit.

Vandaag, op 5 mei, is het ook feest. Een belangrijk feest. In Nederland vieren we de Bevrijding, een overwinning op de onvrijheid, de herinnering aan die afgrijselijke oorlog waarin zes miljoen Joden zijn omgebracht. Waarin Nederland bezet was en Europa uiteen was gereten door een zwarte ideologie die mensen onderverdeelde naar groep, ras, seksuele voorkeur en afkomst.

Ook voor de meeste niet-Joodse Nederlanders was het een vreselijke tijd waar jaren later nog veel verhalen over worden verteld. Mijn vader was in zijn kinderwagen bij het bombardement op het Bezuidenhout  beschoten door wat later de Engelsen bleken te zijn. Mijn oma vertelde over het Jappenkamp waar ze had gezeten, gescheiden van mijn opa die ergens in een ander kamp zat. Ze zagen elkaar vier jaar later, ondervoed maar ongedeerd, weer terug.

Nooit was de lijn tussen vriend en vijand onduidelijker dan in de oorlog, kan ik me zo voorstellen. De bezetter was overal en sowieso niet te vertrouwen. Maar wie van je vrienden, kennissen en buren kon je nog vertrouwen?

Zoals alle kinderen van mijn leeftijd las ik Oorlogswinter van Jan Terlouw en keek stiekem met mijn ouders mee als Soldaat van Oranje of Het meisje met het rode haar op televisie was. Ik rende met een boomtak als geweer door de bossen op zoek naar Duitsers, en snikte toen ik de laatste pagina van het dagboek van Anne Frank uit had.

Door de jaren heen worden alle verhalen, die van mijn familie, maar ook de grote verhalen over de oorlog steeds meer vernauwd en versimpeld. Zwart, wit. Goed tegen kwaad. Als ik aan de Tweede Wereldoorlog denk, zie ik onwillekeurig wel eens Hollywoodfilms voor me. Brad Pitt in een tank die zichzelf op een verlaten Frans akkertje opoffert voor onze vrijheid. Bedankt Brad!

Dat is Hollywood, held en schurk tegen de achtergrond van de oorlog. De werkelijkheid is anders. Hoe verder van de oorlog, hoe grijzer de definities zijn geworden. ‘Goed en fout’ zijn ook aan tijdsbeeld onderhevig. Voor veel Duitsers was het einde van de oorlog ook een bevrijding, en in Nederland bleek lang niet iedereen goed.

Dit is een dag van grote woorden. ‘Vrijheid’. ‘Democratie’. ‘Dit nooit meer’. Maar voor de meeste mensen is de oorlog niet eens een herinnering. Het is een maatstaf geworden voor vrijheid. De oorlog, dat was onvrijheid. Niet de vrijheid om je eigen regering te kiezen, geen rechtsstaat, standrechtelijke executies en over de Jodenmaatregelen nog maar te zwijgen. Vrijheid anno 2016 is veel minder zwart-wit en voor bijna iedereen is het iets wat er altijd was.

Wat mij van de verhalen over de oorlog het meest is bijgebleven, is hoe onzekerheid verdeeldheid met zich meebrengt. Dat je niet weet of je buurvrouw, je collega of die vreemdeling in de bus te vertrouwen is. Dat argwaan je opvreet. Dat jezelf afsluiten en van de zijlijn toekijken de enige optie wordt om te overleven.

Op school in Iran moeten kinderen aan het begin van de week over een Amerikaanse vlag lopen die op de grond is geschilderd. Toen ik er net woonde hoorde ik iedere ochtend piepende meisjesstemmen ‘dood aan Amerika’ roepen, vanaf het schoolplein om de hoek van mijn appartement. In een gesloten samenleving zijn de lijnen tussen vriend en vijand heel duidelijk getrokken.

In de veertien jaar dat ik in het Midden-Oosten woon en werk ben ik anders tegen vrijheid gaan aankijken. Voorbij het goed en kwaad van de Tweede Wereldoorlog, die ik nooit heb meegemaakt. Vrijheid komt, als je eigen vooroordelen je kunnen verrassen, als je mensen een kans geeft en nieuwsgierig bent. Vrijheid bestaat niet als mensen als groep worden aangesproken en daarop worden afgerekend.

In 2003 was ik vlak na de oorlog in Irak en ontmoette ik Shamil. Ik stond langs de kant van de weg in Tikrit, een bolwerk van Saddam Hussein. Shamil kwam langsrijden in een grote Amerikaanse auto, model ‘Ghostbusters’. Een gevechtsvliegtuig vloog laag over. Shamil wenkte me, om met hem mee te rijden.

‘Vriend of vijand?’ dacht ik even en stapte toen snel in.

Shamil, grote oren, een snor als een fietsstuur, was door het dolle heen. Saddam was weg, Irak was bevrijd, zei hij. We zoefden over de snelweg naar Bagdad, een lange streep door de woestijn. Irak is een multicultureel land, legde hij me uit. ‘Hier leeft iedereen samen,’ zei Shamil, zelf een christen. ‘We worden het voorbeeld voor de regio.’

Twee jaar werkten Shamil en ik samen in Irak. Maar een voorbeeld voor de regio werd het land niet. Shamil moest huilen toen zijn kerk werd gebombardeerd. Opeens waren zijn vrienden niet langer docent of boekhouder, maar soenniet en sjiiet. Op een dag was hij weg. We vreesden het ergste. Na twee maanden zonder nieuws kwam er een bericht van Shamil. Uit Zweden. De reden van zijn vertrek: ‘Iedereen begon elkaar te haten en iedereen werd vijandig.’

Overal in het Midden-Oosten zijn groepen tegenover elkaar komen te staan, soms omdat hun religies verschillen of omdat ze van een andere stam zijn, of simpelweg in een andere wijk opgroeiden.

In Libië trok ik met de rebellen het fort van kolonel Ghaddafi binnen. ‘Weg met de dictator!’ riepen ze. ‘Leve de vrijheid!’ Vervolgens werd alles geplunderd. Kinderen van twaalf liepen juichend met Kalasjnikovs in hun armen door de poorten weer naar buiten. Iedere avond weer, op het centrale plein van Tripoli, de hoofdstad schoten verschillende groepen milities uit verschillende steden hun magazijnen leeg. Eerst in de lucht, later op elkaar.

Op veel plaatsen ter wereld, maar in het bijzonder in het hele Midden-Oosten, vallen samenlevingen langzaam uit elkaar. Niemand kan elkaar nog zien als individu, in plaats daarvan heeft iedereen een label. Soenniet, sjiiet, pro-Assad, rebel, Palestijn, Israeliër, terrorist. Iedereen sluit de ander uit. De vraag ‘vriend of vijand?’ wordt niet gesteld, die is al bepaald.

Onlangs had ik een groep buitenlandse gasten op bezoek in Nederland. Iraniërs, twee Fransen, een Amerikaan, een Brit en een Libanese. Ze fietsten in de regen. Vroegen mensen de weg. Iedereen was aardig tegen ze. Stel je voor dat je onbevangen door Nederland zou kunnen lopen, met de blik van een bezoeker. Zonder vooroordelen, zonder vastomlijnde verwachtingen, zonder kennis van de discussies in de media. Dan is Nederland opeens een heel bijzonder en heel gastvrij land.

Natuurlijk gingen we naar het Rijksmuseum, de Wallen en de Keukenhof. Maar de echte attracties van Nederland, zo vonden mijn gasten, dat zijn de mensen die in dit land wonen. Want wie altijd met het gezicht naar de stoep door de straten baant, mist waarschijnlijk wat buitenlandse bezoekers wel zien. Mensen die glimlachen naar elkaar, een toevallig gesprek bij het bushokje, de man die op zijn laptop op Google Maps midden op straat het visrestaurant helpt zoeken. Mensen die zichzelf kunnen zijn zonder dat iemand er wat van zegt. Mensen die interesse tonen zonder er iets voor terug te willen.

Waarom is dat zo? Ik denk omdat Nederland een open samenleving is. Iedereen mag meedoen. Geen warlords of vertegenwoordigers van god op aarde, geen groep die anderen overheerst, maar het resultaat van duizend-en-een meningen en discussies. Van het buurtcomité tot het bestuur van de voetbalclub, tot het parlement, iedereen die wil kan meedoen. Dan raak je vanzelf geïnteresseerd in de ander.

Een van de mooiste vrijheden van Nederland, een die nota bene niet eens in de grondwet is vastgelegd, is de vrijheid van het individu. De basis van een open samenleving. De vrijheid om zelf je mening te vormen, om zelf verantwoordelijk te zijn voor je eigen daden en gedachten en daar ook op te worden beoordeeld. Ook, om niet als groep te worden gezien. Om het voordeel van de twijfel te krijgen, totdat het tegendeel bewezen is.

Met die vrijheid van het individu komt een plicht: dat je een ander behandelt zoals jij zelf behandeld wilt worden.

Niemand wil onterecht worden weggezet als lid van een lastige of bedreigende groep. En niemand wil over een kam geschoren worden of worden doodgeknuffeld met goede bedoelingen. Iedereen, waar ook ter wereld, wil uiteindelijk zichzelf zijn.

Dat is een cliché, dat jezelf zijn. Maar juist die vrijheid – ‘lekker jezelf zijn’ – wordt nu op de proef gesteld. Hoe gaan we om met miljoenen vluchtelingen uit landen die ik vaak heb bezocht, die naar Europa en Nederland komen? Grote groepen vreemdelingen met een andere cultuur, een ander geloof, getekend door conflicten die de onze niet zijn. Maar ook vaders, moeders, een kind dat het jouwe had kunnen zijn.

Dit is een test voor ons als inwoners van een open samenleving. Let wel, ik wil hier niks opdringen. Ik snap dat mensen bang zijn voor vreemden, voor veranderingen. Maar als die angst leidt tot uitsluiting, tot het indelen van mensen in groepen, tot eerste- en tweederangs burgers, vraag ik me af: zijn we straks nog wel hetzelfde land?

In een gesloten samenleving is alles voorspelbaar. De Leider is de opening van het journaal, samenscholingen zijn verboden en alles wat misgaat, van het regentekort tot een dalende olieprijs, is de schuld van ‘de vijand’. De Vijand, dat is de ander, de buitenstaander. Gelijkheid bestaat alleen binnen de eigen groep.

Gelijkheid voor iedereen is in Nederland juist zo belangrijk dat we er vaak enthousiast en fanatiek in doorschieten met als gevolg dat het individu weer in het gedrang komt. 

Een jaar of tien geleden wilde mijn vrouw Newsha – ze is Iraans – graag tijdens ons bezoek in Nederland naar een spa, een wellness center. Zo een met massages en stoombaden. Samen met een Nederlandse vriendin die er ook nog nooit was geweest, gingen ze op pad. In de kleedhokjes deden ze hun bikini’s aan en stapten naar buiten. Links stapte een grijnzende man net uit het zwembad, zonder zwembroek aan. Rechts zat een club oudere vrouwen naakt te kaarten.

In de verte kwam een man aangerend met alleen een pet op. Een hand waarschuwend in de lucht, in de andere een fluitje waar hij hard op blies. Newsha en haar vriendin staken nog net niet hun handen in de lucht. ‘Waarom zijn jullie niet naakt!?’ vroeg hij, nahijgend van zijn sprintje. ‘Hier moet iedereen naakt zijn.’ Waarom, vroegen de dames. ‘Dat zijn de regels, dat is gelijkheid,’ zei de man met de pet.

Op 5 mei vieren we de bevrijding. Bevrijding van een ideologie die mensen verdeelde in verschillende groepen en rassen. We vieren ook dat iedereen zichzelf mag zijn. Met of zonder kleren aan, behalve in het wellness center dan. Dat iedereen het recht heeft om als individu te worden behandeld en niet wordt weggezet als een groep. Dat is moeilijk, fragiel en lukt ons nooit helemaal. Maar lukt dat niet, dan verliezen we juist die vrijheid die we zo hartstochtelijk proberen te beschermen.

Thomas Erdbrink (40) is sinds 2002 correspondent in Teheran, Iran. Hij werkte onder meer voor het NOS Journaal, Nieuwsuur, NRC Handelsblad, The Washington Post en The New York Times.

Toon reacties

Word wakker met het belangrijkste nieuws uit het Noorden met onze ochtend-nieuwsupdate.

Meer dan 22.249 nieuwsbriefabonnees

Je kunt je op elk moment weer uitschrijven

Lees hier ons privacy statement.