Foto: Malou van Breevoort

Twee maanden buffelen op de ic: 'De manier waarop we moesten werken heeft levens gekost'

Foto: Malou van Breevoort .

Zes artsen en verpleegkundigen (onder wie de Groninger intensivist Peter van der Voort) vertellen over hoe ze werden verrast door de coronagolf. Over solidariteit, angst en het verlies van controle op de ic.

Covid-19 veroordeelde al bijna drieduizend Nederlanders tot de intensive care. Daar stonden vele artsen en verpleegkundigen aan hun bed, om te doen waartoe zij op aard zijn: levens redden.  Een reconstructie van de eerste golf, aan de hand van hún ervaringen.

Patiënt Nul

Hans (Tilburg):  ,,De eerste keer dat ik van corona hoorde? Ik weet het niet eens meer. Ik was niet meteen in paniek, in elk geval. We hebben eerder ebola gehad, sars, mers. Dat heeft ons steeds niet geraakt. Ik dacht ook: dit is China, wat is er waar van wat we zien? Na een aantal weken kwam de eerste wetenschappelijke rapportage. Die was niet alarmerend. Je moet ook heel voorzichtig zijn met het vergelijken van data, ieder gezondheidssysteem is uniek. Maar toen kwam Italië. Van de cijfers daar schrokken we. Onze collega’s daar staan goed bekend, doktoren uit Milaan voeren regelmatig het woord op congressen. Zij drukten op de panic button. Wij dachten eerst ook dat het meeviel, maar dat doet het niet, vertelden ze ons. Dit is oorlogsgeneeskunde, bereid je voor, er komt een ramp aan.’’

Ruud (Maastricht):  ,,Ik zag heftige verslagen uit Italië. We voelden: Het komt ook hierheen. En ik besefte dat het heel besmettelijk was. Ik heb ook een gezin. Of ik mij zorgen maakte? Ja.’’

Simone (Uden) : ,,We wisten dat er een keer een pandemie zou komen. Toen die naar Italië kwam, had ik wel angst. Wat nou als dit ook bij ons gebeurt? Aan de andere kant zocht ik naar redenen waarom onze gezondheidszorg anders is, en het hier toch niet zo zal lopen. Ik denk dat ons brein ons op die manier beschermt voor onze angsten.’’

Hans (Tilburg): ,,Ellende overkomt altijd andere mensen. De buurman, iemand van de sportclub. Maar nee, ikzelf krijg geen ongeluk - tot het gebeurt. Zo was het hier ook. Die gekke Chinezen overkomt het, die Italianen die er altijd een puinhoop van maken. Maar wij? Wij doen dit beter, wij zijn verder ontwikkeld. Onwetendheid is soms gewoon een zegen.’’

Peter (Groningen): ,,Het gewone leven ging verder. Mensen liepen over straat alsof er niks aan de hand was. Ik werd in die periode ook beëdigd als Eerste Kamerlid. Tegelijk wist ik wat er op ons af kwam. Dat was echt heel bizar.’’

Hans (Tilburg): ,,Op 27 februari werd een man uit Loon op Zand in ons ziekenhuis positief getest op corona, als eerste in Nederland. Het was de dag van het briefje van Bruins. Rond 19.00 uur stapte ik in de auto voor crisisoverleg. En ik voelde: Fuck, het gaat echt beginnen. Rationeel had ik geen twijfel of we het aankonden. Maar toch: Ergens vreesde ik Italiaanse toestanden. Die angst had iedereen bij ons wel. Straks liggen ze ook hier in de gangen.’’

loading

Ruud (Maastricht): ,,Mijn eerste coronapatiënt kwam tijdens een avond- of nachtdienst. Hij was op de eerste hulp aan de beademing gelegd. Dat kan heel heftig zijn. Ik herinner me een man: hij zat rechtop en kon gewoon praten, maar was grauw van kleur en had ontzettende zuurstofnood. Om hem heen gebeurde heel veel. Ik ben even bij hem gaan zitten, om hem rustig te vertellen wat er ging gebeuren. Dat we hem in slaap gingen brengen, en goed voor hem zouden zorgen.’’

Simone (Uden): ,,Dat valt op. Patiënten zien er best goed uit en zeggen dat ze geen last hebben van benauwdheid. Ondertussen hebben ze een heel lage zuurstof en ademen ze ontzettend snel. Dat was voor ons echt nieuw.’’

Angelica (Bergen op Zoom): ,,Je kunt soms wel met patiënten praten, maar ze zijn zo gefocust op hun ademhaling, op zuurstof binnenkrijgen. Hun lichaam wil niks anders. Je ziet de zuurstofwaarden steeds minder worden, maar ze blijven zo hard knokken - ze willen echt niet dat er een buis in gaat. Door alle verhalen in de media weten mensen dat beademing voor langere tijd is. ‘Het gaat wel, het gaat wel’, zeggen ze dan. Als je dan toch besluit om ze te beademen, zijn ze opgelucht. ‘Ik ben toch wel heel moe.’ We gaan u in slaap brengen, zeg ik dan. Uw lichaam krijgt rust, maar het kan weken duren voor u weer wakker wordt. En het kan dat u straks in een ander ziekenhuis wakker wordt. Of dat u niet meer wakker wordt. Dat is bizar. Het zal je gezegd worden. Maar je ziet ook in hun ogen dat het goed is: ja, ja. Voor we iemand in slaap brengen, proberen we de familie er nog even bij te laten. Even de partner, of zoon of dochter zien. Het is al zo eenzaam.’’

Simone (Uden): ,,Soms gaat het te snel. Dan is er geen tijd om de familie er nog even bij te laten. Die moet ik dan telefonisch op de hoogte brengen. Dat is vreselijk. Maar je moet zo snel handelen. Geen beademing zou fataal zijn.’’

Hans (Tilburg): ,,We kregen al snel in de gaten dat het anders liep dan iedereen hoopte. De eerste patiënt voldeed niet aan de casusdefinitie die het RIVM had opgesteld, die bepaalt welke patiënten getest en geïsoleerd moesten worden. We kregen patiënten die helemaal niet in China of Lombardije geweest waren. Het leek erop dat met carnaval al verspreiding had plaatsgevonden. Dat was het worstcasescenario. Dus we hebben het RIVM gebeld. Jongens, wat wij zien is niet wat we in de definitie zien staan. Pas op.’’

Simone (Uden): ,,Ik ging er al vrij snel vanuit dat we zouden moeten opschalen. Het idee dat we het virus in de kiem zouden smoren, heb ik nooit gehad. Ik denk dat veel communicatie vanuit rijk en RIVM moet uitstralen dat er geen paniek is. Maar je zag het aan de maatregelen: Die waren gericht op beheersing van het virus, niet meer op uitbanning.’’

Peter (Groningen): ,,Het RIVM was heel afwachtend. Daar verbaasde ik me over. Wij stonden al lang klaar om patiënten op te vangen. Begin februari begonnen we al aan een draaiboek voor opschaling. Dat was gewoon een heel realistisch scenario. Ik had in China gezien hoe snel het virus zich kon verspreiden. Toen dacht ik aan ons gezondheidszorgsysteem, of wij zo’n uitbraak aan zouden kunnen. Zelfs als je de cijfers uit China door tien deelde, zag je dat het moeilijk zou worden.’’

loading

Een kwaaie avond

Simone (Uden): ,,De eerste keer dat ik de impact van het virus echt voelde, stond ik op de spoedeisende hulp, om patiënten te beoordelen. Ik legde een patiënt aan de beademing, en werd tegelijk over twee andere patiënten gebeld, elders in het ziekenhuis. Vervolgens kwam de een na de ander de spoedeisende hulp binnen. Sommigen waren dusdanig slecht dat ik snel moest kiezen: meteen aan de beademing, of niet naar de ic, omdat hun gezondheidssituatie dat gewoon niet meer toeliet. Waar ben ik nu toch in beland, dacht ik. Als dit exponentieel gaat groeien, ben ik benieuwd hoe we dat gaan doen.’’

Hans (Tilburg): ,,We hadden op de ic eerst één kamer voor corona, toen twee, toen een hele unit. Het aantal patiënten groeide stapsgewijs mee. Een patiënt, twee, vier, acht. En toen, plotseling, kwamen er twaalf patiënten binnen één nachtdienst. Die piek was zó raar. Je kunt data en getallen zien, maar als je er met je neus bovenop staat, snap je pas echt wat exponentiële groei betekent.’’

Simone (Uden): ,,Ik weet nog heel goed dat onze microbioloog op 6 maart naar me toe kwam. Simone, zei hij, er is hier iets aan de hand. Het aantal besmettingen is bij ons veel hoger dan elders. Toen zijn wij en de andere Brabantse ziekenhuizen gaan rekenen. Ik kreeg echt pijn op mijn borst toen de getallen een paar dagen later uit het model rolden. Bernhoven zou 650 bedden voor coronapatiënten nodig hebben, waarvan 140 op de intensive care. Om een idee te geven: normaal hebben we zeven ic-bedden en 110 verpleegbedden. Toen gingen echt de beelden van Lombardije door me heen. Wat gaat onze artsen en verpleegkundigen overkomen?’’

Hans (Tilburg): ,,Ik kreeg die cijfers ook. We moesten in Nederland naar 2000 ic-bedden, en we hadden er dus maar 1150. De moed zakte me in de schoenen. Normaal kan ik snel schakelen, bam-bam-bam. Maar nu had ik een kwaaie middag en avond. Ik was er niet op voorbereid dat het zo slecht zou zijn. En ik moest het twee dagen voor me houden. Dat vond ik heel zwaar. Ik zag mijn personeel en dacht ‘ooh, ze weten niet wat er gaat gebeuren’.’’

Peter (Groningen): ,,Ik ben van begin februari tot eind maart bang geweest dat we het niet zouden redden. Met mijn dochter, die scheikundige technologie studeert, had ik berekend dat we voor coronapatiënten 2140 ic-bedden nodig zouden hebben. Ons zorgsysteem is heel effectief, maar het kan geen grote pieken opvangen. Dat wisten we al jaren. Hetzelfde geldt voor triage bij een pandemie. Daar wordt al zo lang over gepraat. Welke patiënt help je, welke niet? Nu was het 5 voor 12, en was er geen draaiboek. We hebben hier in het ziekenhuis besproken wat we zouden doen. En uitgesproken dat we elkaar moeten steunen, mocht het zover komen.’’

Rita (Enschede): ,,Ook wij hebben dat scenario uitgewerkt. We moesten wel. We zijn van 26 naar 52 ic-bedden gegaan, en op een gegeven moment hadden we 49 patiënten. Maar ik ben niet bang geweest. Het komt pas in beeld, als je hele ic vol ligt. Elke dag probeerden we de puzzel te leggen, en dat is gelukt. Ik liet het gebeuren, daar ben je ic-verpleegkundige voor. Ons werk bestaat nu eenmaal uit onverwachte gebeurtenissen.’’

loading  

Simone (Uden): ,,Na het zien van die cijfers realiseerden we ons dat we patiënten moesten gaan uitplaatsen. Eerst wilden we het nog zelf oplossen. We dachten ook dat heel het land ermee te maken zou krijgen. Maar daar gebeurde nog niks, bij wijze van spreken. Dus de patiënten moesten gewoon weg. Al voor ze op de ic terecht kwamen.’’

Hans (Tilburg): ,,We probeerden de problemen voor te blijven. Maar als ik dan met een ander ziekenhuis sprak, zeiden ze: spreiden? Je hebt er nog maar tien liggen. Ja, zei ik dan: nu tien, over drie dagen twintig, en over zes dagen veertig. Zo snel gaat het, beste mensen. Dat begreep niet iedereen meteen, dat was frustrerend. Ik ben echt wel onaardig geweest. Op vrijdag 13 maart had ik een videocall met het RIVM en de NVIC, over de een landelijke database voor ic-bedden. Volgens de een kon dit nog niet, volgens de ander dat niet, maandag zouden we verder kijken. Ik zeg jongens, stop. Niet maandag: eergisteren! Jullie hebben géén idee. Alsjeblieft, luister naar me. We hebben jullie nu nodig.’’

Simone (Uden): ,,Ik ben echt boos geweest op de buitenwereld, dat ze niet zagen waar we mee te maken hadden. Jongens, het gaat de pan uitrijzen, zei ik toen ik bij het bestuur van de NVIC aanschoof. Diederik (Gommers, red.), kom kijken, alsjeblieft. Hij is gekomen, en begreep het toen echt. Het is gewoon anders als je het meemaakt. Twee dagen later, op 21 maart, kwam Hugo de Jonge. Toen is de bal echt gaan rollen.’’

Peter (Groningen): ,,Er is wel eens gesuggereerd dat wij in het Noorden meer hadden kunnen doen. Misschien is het een gevoel, maar ik snap niet goed waar dat vandaan kwam. Wij stuurden als eersten een bus naar het zuiden, en daarna hebben we elke dag vier patiënten overgenomen. In een maand tijd zijn we van 35 naar 112 ic-bedden gegaan. Twee derde van onze coronapatiënten komt uit het zuiden. Het was eigenlijk niet echt een vraag, of we het moesten doen. Is er nog wel plek voor onze ‘eigen’ mensen, hoorde ik soms iemand zeggen. Maar dan had ik een arts uit het zuiden aan de lijn, die vertelde dat zijn ic helemaal vol lag en de recovery ook, en dat er weer eentje aankwam. Dan zeg je geen nee. Ons hele zorgstelsel is gebouwd op solidariteit.’’

loading  

De tel kwijt

Angelica (Bergen op Zoom): ,,Normaal doen we een overplaatsing alleen als we bepaalde zorg niet kunnen bieden. Dan belden we nadien, om te vragen hoe het met de patiënt ging. Die tijd is er nu niet, ik ben de tel kwijt. Jammer, maar het kan echt niet anders. Alleen de stabielste patiënten worden overgeplaatst. We hebben hier iemand gehad die van Bernhoven naar Terneuzen is gegaan, toen naar ons, en hiervandaan naar Duitsland. Die was telkens de stabielste van het stel. Je zou het maar zijn. Dan word je wakker en vertelt iemand je in het Duits dat je in vier verschillende ziekenhuizen hebt gelegen.’’

Hans (Tilburg): ,,We hebben tot nu toe 69 patiënten uitgeplaatst. Als crisismanager klinkt dat logisch, dan zijn het ineens poppetjes. Er moeten drie mensen weg, dat gaan we regelen. Maar poeh, ze liggen allemaal zo slecht. Weten we zeker dat we het transportrisico aandurven? En waar gaan ze dan naartoe: Groningen, Heerenveen? Deze patiënt heeft maar één familielid, zonder eigen vervoer. We hebben geprobeerd daar rekening mee te houden, maar het kon niet altijd. Mensen accepteren het, maar het blijft natuurlijk gewoon een drama.’’

Ruud (Maastricht): ,,Dat naasten er grotendeels niet bij zijn, vind ik echt verschrikkelijk. Elke dag belt een dokter de familie. Nou, de telefoon hoeft niet vaak drie keer over te gaan. Hij wordt meestal meteen op speaker gezet. Het vraagt best wel veel van ons, het lukt niet altijd om het in te passen in het werk. Maar je merkt dat mensen het echt nodig hebben.’’

Angelica (Bergen op Zoom): ,,Normaal kun je praten, een hand op de schouder leggen als iemand verdrietig is. Het komt goed, zeg ik dan, het is heel wat, wat u nog meemaakt. Dat kan nu allemaal niet.’’

Simone (Uden): ,,Het fijne van familie zien, is dat je weet of ze de informatie goed oppakken. Of ze echt begrijpen dat het slechter gaat, of ze hoop hebben. Die informatie mis je nu.’’

Ruud (Maastricht): ,,Als patiënten overlijden, laten we de familie er wel bij. We gaan met hen in gesprek als we weten dat we de behandeling moeten staken. Dan schets ik hoe de patiënt erbij ligt. Dat ze buisjes gaan zien, infusen en maagsondes. Dat het gezicht van de patiënt behoorlijk gezwollen kan zijn. Samen met de verpleging stop ik het toedienen van medicijnen en beademing.’’

loading  

Simone (Uden): ,,Het is echt een heel aangrijpende periode. Kennissen en familie worden getroffen. Op een afdeling zijn er soms wel drie sterfgevallen in één dienst. Daarnaast beoordeel ik of mensen fit genoeg zijn om een ic-behandeling te ondergaan. Er was een dag dat ik vier mensen nee als antwoord gaf. Dat hoort bij je vak, maar het doet je niet altijd niks, integendeel. Mensen zien het vaak niet aankomen, familie begrijpt het niet altijd goed. Dat zijn lastige gesprekken.’’

Ruud (Maastricht): ,,Ik weet zeker dat er onder collega’s angst is, ook al wordt er niet veel over gepraat. Als patiënten heel jong zijn, komt het dichtbij. Daar zitten bij wijze van spreken ook triatleten bij. Meerdere collega’s raakten besmet. Eén directe collega heeft zelfs bij ons op de afdeling gelegen. Hij werd ’s nachts binnengebracht. Dat hakte er volledig in, het is nog een jonge gast. Ik had dienst, moest net een ambulancetransport doen. Ik zat die nacht met een verpleegkundige, zij heeft ook kleine kinderen. Ik keek haar aan, en weet gewoon dat we over hetzelfde aan het nadenken waren. Toen heb ik maar gevraagd of ze nog vakantieplannen had.’’

Hans (Tilburg): ,,Ik ben zelf ook ziek geworden, de crisis was op zijn hoogtepunt. De eerste klachten waren koorts en hoofdpijn. Daarna werd ik extreem moe. Even dacht ik dat ik weer beter was, maar toen werd ik benauwd. Ik kreeg een snelle hartslag, koorts, ging afvallen. En ik was moe, zo moe. Uiteindelijk ben ik ruim twee weken weggeweest.’’

We redden het

Hans (Tilburg): ,,Halverwege mijn ziekbed kreeg ik de bevestiging dat we het zouden gaan redden. Het was eind maart. De toename in het aantal Nederlandse ic-opnamen vlakte af. Maar wat vooral de doorslag gaf, was de hulp die we uit Duitsland kregen. Het feit dat zij bedden beschikbaar stelden, gaf ons de broodnodige ruimte. Vergis je niet: de Nederlandse ic’s stonden echt onder hoogspanning.

Op 6 april liep ik voor het eerst weer de afdeling op. Dat was surrealistisch. Buiten was het lekker weer, mensen waren goedgemutst. Ik deed de deur van de intensive care open: BAM. De ic was ontploft: patiënten, personeel, voorraden. Ik herkende het niet meer terug. Het was natuurlijk de opschaling die ik zelf mee had voorbereid, maar om het dan te zien… De eerste tien mensen die ik tegenkwam kende ik niet! Het waren mensen van andere afdelingen, vrijwilligers. En zij kenden mij niet, ik moest zelfs mijn pasje laten zien. Wat bijzonder was: Voor iedereen was het al routine. Dat was echt fantastisch om te zien.’’

Angelica (Bergen op Zoom): ,,We krijgen ontzettend veel hulp van anesthesie- en ok-verpleegkundigen. Die helpen bijvoorbeeld met het draaien van patiënten. Dat is echt heel prettig. Wat me wel een beetje stoorde, was dat er in de media net gedaan werd alsof je met cursusje zo op de ic kunt werken. Dat is natuurlijk niet zo. Wij zijn gewend om dagen met een patiënt bezig te zijn. We weten hoe de nieren werken, wat we moeten doen als de bloeddruk daalt, hoe je beademing in de gaten moet houden. Het is specifiek werk.’’

loading  

Simone (Uden): ,,Voor mij als arts was het ontzettend wennen, al die nieuwe collega’s. Normaal hoor ik aan de stemhoogte van mijn collega’s of ik ergens op af moet. Zo vertrouwd zijn we met elkaar. Maar van de nieuwe collega’s ken ik de stemmen niet. Stellen ze nu een gewone vraag? Of zit hier stress achter? Dat hoor ik nu niet.’’

Hans (Tilburg): ,,Mensen moeten werk doen waar ze niet voor zijn opgeleid, met andere mensen, ze werken meer, en worden met extreme situaties geconfronteerd. Dat is verdomd heftig. Ik denk dat het verlies aan controle het zwaarst weegt. Zorgmedewerkers zijn gewend om een negen te leveren, met uitschieters naar een tien. Nu moeten we accepteren dat het een zesje is. Met hetzelfde aantal vaste ic-medewerkers, moeten we tweeënhalf keer zoveel ic-bedden in de gaten houden. Elke verpleegkundige moet drie patiënten verzorgen, dat waren er voorheen twee. Dan kun je patiënten niet meer de aandacht geven die nodig is. Je kunt minder vaak langslopen, minder controleren. Er is veel personeel van buiten, dat is echt top. Je zou maar aan je jas getrokken worden en de ic op moeten. Ze doen het verdomd goed hoor. Maar je merkt dat het niet hetzelfde is.’’

Angelica (Bergen op Zoom): ,,Ik denk dat we nog steeds goede zorg leveren, maar sommige dingen schieten er bij in. Normaal halen we mensen als ze wakker worden meteen uit bed. Ze moeten in beweging komen. Maar de tijd daarvoor ontbreekt. Ook de fysio komt minder vaak. Steeds meer mensen komen bij, dat zijn de dingen waar we nu tegenaan lopen.’’

Rita (Enschede): ,,Het trekt een enorme wissel. Mijn mensen hebben de afgelopen periode tussen de 30 en 65 uur extra gedraaid, parttimers en fulltimers. Ik vraag me af hoe lang we dit volhouden, maar ik vrees dat we nog heel lang in deze situatie zitten. Ik hoop dat heel Nederland dat beseft. Afgelopen weekend kwam de eerste hausse traumapatiënten alweer binnen, toen ben ik even boos geworden. Mountainbikers, quad-rijders, wielrenners zonder helm, mensen die in hun dakgoot aan het klussen waren... Ik snap dat niet iedereen lezen als hobby heeft, maar dit is echt een beetje onverstandig.’’

Hans (Tilburg): ,,Of de manier waarop we moesten werken levens gekost heeft? Ik kan geen enkele patiënt aanwijzen waarvan het overlijden te herleiden is tot onvoldoende aandacht. Maar toch ben ik ervan overtuigd dat het antwoord ja is. Als je duizend patiënten hebt en ze voor 90 in plaats van 100 procent helpt, wordt het sterftecijfer hoger.’’

Simone (Uden): ,,Dat we ons vertrouwde niveau niet halen, herken ik. Maar het is ook een nieuw ziektebeeld. Mensen gaan soms snel achteruit. Dan vraag je je af: ligt het nou aan mij? Heb ik iets gemist? Maar ik weet niet of dat te voorkomen was geweest. Normaal had je dingen misschien meer gedubbelcheckt. Het kan theoretisch zo zijn dat er daardoor een medicatiefout doorheen is geslopen. Maar daar kom je niet achter.’’

Peter (Groningen): ,,Je krijgt ineens heel veel patiënten met dezelfde ziekte. Het zijn er zoveel, we hadden al lang een behandelmethode moeten hebben: dat gevoel bekruipt je. Maar de medicijnen die er zijn hebben geen bewezen effect. Dat zijn we niet gewend, en daar zijn we dan ook niet mee verder gegaan.’’

Rita (Enschede): ,,Toch ben ik uiteindelijk vooral ook heel trots op wat we presteren. De omstandigheden zijn vreselijk, maar een mooiere teambuilding kun je niet hebben.’’

Ruud (Maastricht): ,,Zoveel medewerkers van andere specialismen die bij ons kwamen werken, gepensioneerden. We deden het echt met zijn allen: dat maakt aan het eind van de dag veel goed.’’

Angelica (Bergen op Zoom): ,,We zijn een kleiner ziekenhuis, maar nu laten we wel even zien wat we allemaal kunnen, als de nood aan de man is. Dat is bijzonder.’’

Peter (Groningen): ,,We zijn echt solidair geweest. Binnen het ziekenhuis én als Nederland.’’

Simone (Uden): ,,Iedereen heeft het zo goed gedaan. De leiding, de artsen, de verpleging, de vrijwilligers. De ict, zo snel als zij dingen voor elkaar kregen. De schoonmaak, de inkoopafdeling, die onder onmogelijke omstandigheden toch aan het benodigde materiaal wist te komen.’’

Hans (Tilburg) : ,,We kregen zoveel hulp. Bloemen, pizza’s, een vader uit het rugbyteam van mijn zoontje die spontaan aanbood me te helpen. Dat kunnen wij als Nederland, blijkt maar weer. Dat is gaaf. En ook in het ziekenhuis. Ondanks de spanning en de zorgen werken mensen zo kneiterhard, zonder te mokken. Dát geeft me het vertrouwen dat we hier doorheen gaan komen.’’

menu