Vanuit de luchtverkeerstoren.

Vrouwen in de frontlinie van de krijgsmacht: deze noorderlingen waren er als eerste bij

Vanuit de luchtverkeerstoren.

Vanaf 1944 mochten vrouwen toetreden tot de krijgsmacht. Drie noordelijke militaire pioniers vertellen hoe zij hun plek er afgelopen decennia moesten bevechten. De Groningse Klazien van Brandwijk bijvoorbeeld. In 1981 was zij de eerste raadsvrouw bij defensie.

Ze weet nog precies hoe het grijze luchtmachtpak voelde, dat ze bij haar aanstelling in 1981 kreeg. Luitenant-kolonel b.d. Klazien van Brandwijk (69) vond het maar niks, met de dikke panty’s en de pumps die niet te hoog en niet te laag mochten zijn. „Gelukkig hoefde ik het alleen bij officiële gelegenheden aan”, zegt ze met een vies gezicht.

Tegenwoordig krijgt iedereen die bij defensie aan de slag gaat een basistraining. Maar toen zij er in dienst kwam, wist ze precies niks over hoe de krijgsmacht functioneerde. „Een vrouwelijke landmachtkapitein wees me de weg en legde me de basisregels uit. Wat ik wel en niet mocht, hoe ik moest groeten. Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen, dacht ik.”

Geen rare vraag voor een vrouw uit een socialistisch, hervormd Gronings nest - „ik groeide op met psalmen en strijdliederen” - die zichzelf behalve als feminist ook als pacifist omschrijft. Defensie was de laatste plek waar ze had gedacht te gaan werken. Toch zou ze er ruim zeventien jaar van haar carrière blijven. Vormende jaren bovendien, die haar - in positieve en negatieve zin - voor het leven tekenden.

„Ik volgde een opleiding aan wat nu de Universiteit voor Humanistiek is”, vertelt Van Brandwijk aan haar eettafel in Usquert. „Onderdeel daarvan was een beroepsoriëntatie. Voor een bejaardenhuis vond ik mezelf te jong. En in de gevangenis waar ik meeliep, wilde ik iedereen vrijlaten.”

Toen er twee geestelijk verzorgers van defensie in haar klas op bezoek kwamen, had zij in het geheel geen belangstelling voor hun verhaal. De krijgsmacht was immers niets voor haar. „Jullie willen toch geen vrouwen in het leger”, zei ze opstandig. „Kom maar solliciteren, dan bewijs ik je het tegendeel”, antwoordde de hoofdraadsman.

loading

Verbazing

Een paar maanden later schoven haar jaargenoten een defensievacature onder haar neus. Daarin werd een humanistisch geestelijk verzorger gevraagd, die militairen en hun naasten kon begeleiden op ‘levensbeschouwelijk, existentieel en ethisch gebied’. Ze daagden Van Brandwijk uit de daad bij het woord te voegen. Tot haar eigen verbazing werd ze aangenomen.

„Ik was en ben tegen oorlog”, licht ze haar keus toe. „Maar als land hebben we democratisch besloten om een leger te onderhouden, en toentertijd ook om jongens een dienstplicht op te leggen. Dan moet je ze wel de benodigde geestelijke steun bieden. Een uitdagende plek om mensen bij te staan, dacht ik. Dat ik de eerste raadsvrouw ooit was bij defensie, maakte de baan extra aantrekkelijk.”

Van Brandwijk begon met het geven van vormingslessen. Daarin voerde ze gesprekken over onderwerpen als de Falklandoorlog en de kraakbeweging. „Juist bij een organisatie als defensie is het belangrijk om stil te staan bij ethische vragen. Het mooie van mijn vak is dat ik alle vragen mag stellen. Zo discussieerden we naar aanleiding van de Vietnamoorlog over hoe het daar zo fout had kunnen lopen. Hadden militairen kunnen en moeten opstaan tegen de genomen besluiten? Het ging mij niet om het oordeel, maar om de jongens aan het denken te zetten. Dat is mijns inziens dé voorwaarde om menselijk te blijven.”

Dat ze bijna uitsluitend tussen mannen zat, deerde haar niet. Als oud vakbondsvrouw, opgegroeid met twee oudere broers, voelde ze zich op de kazerne prima thuis. Gaandeweg wisten de militairen haar ook steeds vaker te vinden om zaken te bespreken waar ze mee worstelden. Heimwee, pesten en homoseksualiteit, bijvoorbeeld. „Over dat soort onderwerpen praatten ze vermoedelijk makkelijker met een vrouw dan met een man. Bovendien wisten ze dat ik mijn eigen koers voer en niet automatisch aan de kant van de commandant stond. Dat gaf vertrouwen.”

Intussen wierp Van Brandwijk zich op als vrouwelijke voorvechter in haar dienst. Zo werd ze lid van de communicatiecommissie, met als doel er meer vrouwen binnen te halen. Ook organiseerde ze speciale bijeenkomsten voor vrouwelijke militairen. „Naarmate vrouwen hoger in de hiërarchie kwamen en ook operationele functies gingen vervullen, ontstond er meer weerstand. ‘Ze pikken de plekken van mannen in’, klonk het dan. Ik wilde vrouwelijke collega’s een veilige omgeving bieden waarin zij hun ervaringen konden uitwisselen.”

Respect

In 1985 stapte Van Brandwijk over van de landmacht naar de marine. Op de kazerne in Doorn kwam ze naar eigen zeggen in een heel andere wereld terecht. Bij de mariniers waren nog veel minder vrouwen te vinden dan bij de lucht- en de landmacht. De cultuur was er formeler, meer macho. „Ik moest er altijd een uniform dragen. Sowieso werd ik met argwaan bekeken, want ‘humanisten zijn communisten’, werd er gezegd. Om mijn positie extra duidelijk te maken, kreeg ik een kantoortje naast de kleermaker, achterop het terrein, anderhalve kilometer van de rest. Dat pikte ik natuurlijk niet.”

Zoals ze het beschrijft, klinkt het als een behoorlijk vijandige en ook eenzame omgeving om in te werken. Toch heeft ze er geen vervelend gevoel aan overgehouden. „De weerstand maakte me vooral strijdbaar. Ik wilde bewijzen dat ik me prima staande kon houden. Alleen eten hoefde ik trouwens nooit; er waren altijd wel een paar mannen die me wilden ‘redden’ en bij me kwamen zitten.”

De omslag kwam nadat een militair op de hindernisbaan overleed. De marechaussees die zijn familie moesten informeren, waren piepjong. „Ze trokken wit weg bij het idee”, aldus Van Brandwijk. „Daarop heb ik aangeboden die taak op me te nemen. Toevallig bleek de familie humanistisch. Ze vroegen me ook de uitvaart te begeleiden. Vanaf dat moment kreeg ik meer respect van de onderofficieren.”

De jaren erna veroverde ze een stevige plek in het korps. Tenminste, dat dacht ze, tot ze in 1992 werd ingedeeld bij CAMBO II, een bataljon dat uitgezonden zou worden naar Cambodja. Dat land was in de jaren 70 en 80 zwaar getroffen door het schrikbewind van de Rode Khmer en de daarop volgende burgeroorlog. In 1991 kwam het tot een wapenstilstand, waarna de VN twee vredesmissies ging uitvoeren. De eerste (UNAMIC) had als belangrijkste taak toezicht te houden op het staakt-het-vuren en vitale gebieden mijnvrij te maken. De tweede (UNTAC) moest de terugkeer van vluchtelingen begeleiden, strijdgroepen ontwapenen en vrije verkiezingen organiseren. Nederland droeg aan deze missies in totaal drie bataljons met ruim 2600 mariniers bij, ondersteund door een luchtmachtdetachement met transportvliegtuigen en helikopters.

Belachelijk

„Ik werd ontboden op het kantoor van de commandant”, vertelt Van Brandwijk „Daar kreeg ik te horen dat hij me niet mee wilde hebben, omdat hij Cambodja geen land voor vrouwen vond. ‘Is de helft van de bevolking daar dan geen vrouw?’, vroeg ik. Maar hij was niet te vermurwen. Gelukkig vond de hoofdraadsman van onze dienst dat net zo belachelijk als ik. Hij speelde het hogerop. Uiteindelijk heeft toenmalig defensieminister Relus ter Beek het besluit overruled en besloten dat ik toch mee mocht. Je begrijpt dat ik me daar bij de leiding niet bepaald populair mee maakte.”

Van Brandwijk verbleef ruim een half jaar in Cambodja, van december 1992 tot en met juni 1993. Met wat ze daar allemaal meemaakte, kun je een boek vullen. Maar één gebeurtenis zou haar blijvend veranderen. „Ik was in een Russische helikopter vol Franse legionairs onderweg van hoofdstad Phnom Penh naar Stung Treng. Boven Rode Khmergebied werden we geraakt door vijandig vuur en moesten we een noodlanding maken. Zodra we uitstapten, kwamen er honderden burgers op ons af. Voor ik wist, duwde een vrouw haar baby in mijn armen. Ik zie hem nog zo voor me, met zijn rode jasje en mutsje.’’

,,Ineens klonk er Russisch geschreeuw: we moesten zo snel mogelijk terug de helikopter in. Toen ik me omdraaide om de baby terug te geven aan zijn moeder, was zij verdwenen. Op dat moment kwam de wereld tot stilstand. Uiteindelijk kon ik niet anders dan de baby in het gras leggen en in de helikopter klimmen. Die gebeurtenis heeft me jaren achtervolgd.” Terwijl ze het verhaal vertelt, wellen er tranen op. Af en toe hapert haar stem. „Het verdriet blijft altijd.”

Als gevolg van deze en andere traumatische ervaringen, liep Van Brandwijk een complexe post-traumatische stressstoornis (PTSS) op. Die was zo heftig, dat ze lange tijd haar huis nauwelijks uit durfde en niet zelfs meer verder wilde leven. Therapie, medicatie en vooral PTSS-buddyhond Lio zorgden ervoor dat ze afgelopen jaren stapje voor stapje haar weg uit het dal omhoog vond.

„Lio maakt me wakker als ik een nachtmerrie heb. Hij komt me ophalen als ik te lang achter de computer zit, waarschuwt me als ik mentaal over mijn grenzen ga, helpt me om naar buiten te gaan. Dankzij hem sta ik nu weer middenin de wereld. Hij heeft letterlijk en figuurlijk mijn leven gered.”

Hoge prijs

Menig ander zou wrok voelen jegens een werkgever die zoveel geestelijk leed berokkende. Toch heeft Van Brandwijk er geen seconde spijt van dat ze bij de krijgsmacht is gaan werken. „Mede dankzij mijn baan daar heb ik enorm intens geleefd. En zoveel geleerd. Defensie heeft me in staat gesteld kanten van mezelf te ontdekken, waarvan ik niet wist dat ik ze in me had. Dat ik onder grote stress kan functioneren, bijvoorbeeld. Verder heb ik echt verschil kunnen maken voor mensen. Dat geeft mijn eigen leven extra betekenis. Ik heb er een hoge prijs voor betaald, maar die was het meer dan waard.”

Of ze ook een rolmodel is voor andere vrouwen in de krijgsmacht weet ze niet. Maar ze heeft naar eigen zeggen in ieder geval wel een steen in de rivier verlegd. „Er zijn nu veel meer vrouwelijke militairen dan in 1981. Ook bij de Diensten Geestelijke Verzorging. Als ik als eerste in mijn rol had gefaald, waren die er niet of pas veel later gekomen.”

menu