Waarom mensen in Oude Pekela acht jaar eerder doodgaan dan mensen in Haren

Jochen Mierau, gezondheidseconoom, onderzoekt gezondheidsverschil arm en rijk. Foto: Siese Veenstra

Mensen in arme gebieden in Noord-Nederland zijn minder gezond en gaan jaren eerder dood dan mensen in rijkere regio’s.

Gezondheidseconoom Jochen Mierau heeft zich daar in vastgebeten. Het is een van de centrale thema’s van de door hem twee jaar geleden opgerichte Aletta Jacobs School of Public Health in Groningen.

Eigenlijk is het best bijzonder. Het verschil in de gezondheid van arme en rijke mensen wordt de laatste jaren ook nog groter. „We weten het al jaren en nemen daardoor misschien wel aan dat die gezondheidsverschillen iets normaals zijn”, zegt de 37-jarige Jochen Mierau, hippe bril en knotje in het haar, in zijn werkkamer in het gebouw van de economiefaculteit van de Rijksuniversiteit Groningen op het Zernike-complex.

„Zeker als je in Noord-Nederland rondkijkt, is het nauwelijks verklaarbaar dat de verschillen in zo’n klein gebied zó groot zijn”, betoogt de professor. „Als je in de stad Groningen van Vinkhuizen of Selwerd naar Helpman en Haren fietst, dan stijgt de gemiddelde levensverwachting van mensen bijna acht jaar. En het verschil is nog groter als je kijkt naar het aantal gezonde jaren dat iemand heeft.”

Noord-Nederland is een ideaal onderzoeksgebied

Een gemiddelde inwoner van Roden of Norg is nog jaren na zijn pensioen prima gezond. Terwijl de gemiddelde inwoner van Blijham of Pekela al ver voor zijn pensionering allerlei lichamelijke en geestelijke klachten heeft.

„Het noorden van Nederland is een ideaal onderzoeksgebied voor deze gezondheidsverschillen”, vindt Mierau. „Dit soort verschillen tussen groepen mensen zijn er in de hele wereld en zijn ook al vaak genoeg onderzocht. Maar onderzoekers in Amerika komen dan steeds uit op verschillen in de toegang tot zorg; in armere gebieden zijn minder huisartsen en ziekenhuizen en mensen hebben daar minder goede verzekeringen.”

Dat is in Nederland allemaal niet het geval. „Iedereen betaalt hier precies evenveel aan zorgpremie. De toegang tot de gezondheidszorg is hier overal hetzelfde. De inwoners van Helpman gaan naar hetzelfde ziekenhuis als de inwoners van Vinkhuizen en er zijn evenveel huisartsen. Maar tóch is er een groot verschil in gezondheid. Dat is toch intrigerend?”

Enorme verschillen tussen de sociaal-economische groepen

De Rijksuniversiteit Groningen, Hanzehogeschool en UMCG richtten twee jaar geleden een nieuw instituut op, de Aletta Jacobs School of Public Health. „Het idee ontstond in 2016 om de kennis over gezondheidsbeleid te bundelen”, zegt grondlegger en wetenschappelijk directeur Mierau. „Het UMCG en de RUG hadden al enkele jaren als thema Healthy Ageing maar er was moeilijk vat op te krijgen. Ik dacht, in de Verenigde Staten en Brittannië hebben ze allemaal ‘schools of public health’, laten we zoiets ook hier doen.”

Het idee sloeg aan in de bestuurskamers en vanaf 2018 is de Aletta Jacobs School een feit. Met als een van de centrale thema’s het onderzoek naar gezondheidsverschillen. „Die fascinatie met de enorme verschillen tussen sociaal-economische groepen komt misschien uit mijn jeugd. Ik zag in Oost-Duitsland na de Wende hoe veel het uitmaakte of je jong en hoogopgeleid was of ouder en laag opgeleid.

Hij werd in 1983 geboren in Jena en verhuisde al in zijn eerste jaren naar Berlijn. Daar maakte hij op zijn zesde de val van de muur mee. „In één klap veranderde alles. Wij hadden in de jaren tachtig in de DDR thuis geen tv, geen telefoon, geen auto, terwijl we een middenklasse gezin waren met hoogopgeleide ouders. Al mijn jeugdfoto’s zijn in zwart-wit en je ziet grote grijze gebouwen met de sporen van de Tweede Wereldoorlog er nog in. Er was geen geld om het op te knappen. Plotseling veranderde de hele wereld om me heen.”

In oktober 1989 werd er op zijn lagere school nog het veertigjarig bestaan van het socialisme gevierd, met optochten, vlagvertoon en al. „En in november was de school ineens half leeg en vielen lessen uit omdat docenten vertrokken waren. Met het ineenstorten van het communisme verdween ook de werkgelegenheid. Het was natuurlijk een criminele dictatuur die mensen enorm onderdrukte. Maar die verandering is voor een deel van de achterblijvers met weinig kansen ook wel lastig geweest. Wie jong en hoog opgeleid was, vertrok. Wie weinig kansen had, werd werkloos.”

Anti-Duits sentiment

Zijn ouders emigreerden dus ook. Zijn vader was in Oost-Duitsland bezig te promoveren in de microbiologie en kreeg de kans in Nederland verder te gaan, in Groningen. Dus kwam de jonge Jochen plotseling in de wijk Beijum terecht. Zonder een woord Nederlands te spreken.

„We gingen naar een school waarop Engels werd gesproken Engelssprekende school omdat mijn ouders niet zeker wisten of we echt in Nederland zouden blijven. Dus moest ik ineens ook Engels leren. En Nederlands leerden we elkaar een beetje op het schoolplein. Je merkte wel dat er in die tijd in Nederland nog een behoorlijk anti-Duits sentiment was. Te pas en te onpas werd ik uitgemaakt voor nazi, de buschauffeur weigerde me te helpen als ik geen Nederlands sprak. Ik heb het altijd gek gevonden. Dat kinderen je uitschelden oké, maar volwassenen…”

Hij ging economie studeren en deed onderzoek naar problemen als de vergrijzing en de gezondheidszorg. En kwam zo tot het onderzoeken van de gezondheidsverschillen tussen arm en rijk.

„We hebben nu wel allerlei theorieën om het verschil te verklaren, maar eigenlijk weten we het niet. Mensen met een lagere opleiding hebben minder kennis, wordt wel gezegd. Maar je hoeft natuurlijk geen universiteit te hebben gehad om te weten dat groente en fruit gezond is. Er wordt ook wel gezegd dat het aan de mensen zelf ligt, dat ze niet gemotiveerd zijn. Maar we moeten oppassen om de oorzaak voor ongezond gedrag bij de mensen zelf neer te leggen. Misschien ligt het veel meer aan de woonomgeving en aan werkomstandigheden, allemaal dingen waar mensen zelf niet heel veel aan kunnen doen.”

Het is een kip of ei-discussie. „Word je gezonder als je inkomen hoger wordt? Of hebben mensen met een goede gezondheid meer kans op een baan met een hoog salaris? Is gezondheid misschien erfelijk? We weten immers dat kinderen die in een recessie geboren worden een lager geboortegewicht hebben, net als kinderen van moeders die roken.”

Er zijn nog meer theorieën. Zoals dat het door stress zou komen; armere mensen hebben meer zorgen over geld, hun woning, of het wel goed komt met hun kinderen. Dat slaat misschien op hun gezondheid. „Maar dat verklaart nog niet waarom er een grote groep is die het ondanks die achterstanden toch goed doet.”

G eld over de balk

Uit het onderzoek van zijn onderzoeksgroep zelf komt namelijk iets opmerkelijks. „Binnen de groep met een laag inkomen blijken er grote verschillen te zijn. Gemiddeld is de gezondheid in een gebied zoals de Veenkoloniën slechter dan in rijkere gebieden. Maar daarbij vergeten we wel eens dat de meerderheid van de inwoners van de Veenkoloniën natuurlijk net zo gezond is als iedere andere Nederlander. Als we een hele regio zoals Oost-Groningen of achterstandswijken in de stad Groningen het stempel ongezond geven, dan zien we iets belangrijks over het hoofd. Namelijk dat er binnen die ongezondere wijken blijkbaar een grote groep is die ondanks die slechtere omstandigheden toch heel gezond is. We moeten meer onderzoek doen naar hoe die groep zo gezond weet te leven.”

Meer onderzoek is hard nodig, betoogt hij, omdat er nu veel gezondheidsbeleid is dat niet gebaseerd is op de wetenschap. „Hoe zorgen we dat het verschil tussen gezonde en ongezonde groepen kleiner wordt? Natuurlijk kan je zeggen dat iedereen in Nederland nu veel gezonder is dan pakweg dertig jaar geleden. We worden ouder, we gaan minder dood aan hart- en vaatziekten. In absolute zin gaat het met iedereen beter, dus is er misschien niet zo veel om ons zorgen over te maken. Maar waardoor worden de verschillen tussen groepen dan steeds groter?”

Overheidsbeleid op het gebied van welzijn en volksgezondheid lijkt die gezondheidsverschillen niet tegen te gaan. Daar komt nog bij dat veel geld in de volksgezondheid niet altijd even efficiënt besteed wordt.

„Daarom is het belangrijk dat we samen met beleidsmakers en professionals beter onderzoeken wat werkt en wat niet”, vindt Mierau. „We doen daar zelf onderzoek naar, door kleine experimenten van begin tot eind goed te monitoren. Dat is wel heel duur, maar we moeten toch de kant op van beter beleid, dat wetenschappelijk bewezen, evidence based , is. We moeten erachter komen of het ingrijpen op de gezondheid van mensen met een bepaalde aanpak echt werkt. Als het niet blijkt te werken, zouden we het ook niet meer moeten doen. Anders kunnen we het geld net zo goed over de balk gooien.”

menu