Anton Corbijn: ,,Door veel met artiesten om te gaan, begreep ik hoe ze in elkaar zaten. Het werden vrienden. Dat werd mijn manier van werken.”

Wereldberoemde fotograaf Anton Corbijn ontvluchtte Groningen: 'Muziek was mijn troost, mijn redding'

Anton Corbijn: ,,Door veel met artiesten om te gaan, begreep ik hoe ze in elkaar zaten. Het werden vrienden. Dat werd mijn manier van werken.” Foto: Nimi Ponnudurai

Als fotograaf ontsnapte Anton Corbijn (64) aan het ouderlijk milieu in Groningen. Over zijn werk is hij bescheiden. „Ik ben iemand die het geluk heeft gehad veel bijzondere mensen te ontmoeten.”

Weinig mensen hebben zo’n tot de verbeelding sprekende carrière als Anton Corbijn. Als toonaangevend fotograaf maakte hij beeldbepalende portretten van honderden muzikale grootheden, kunstenaars, modellen en politici. Daarnaast regisseerde hij negentig videoclips en vier internationale speelfilms. Volgende week wordt hij 65. Vooraf wilde Corbijn weten waar dit gesprek over zou gaan. ‘Leeftijd is niet erg interessant’, schreef hij. ‘Dus dat mag niet het middelpunt worden.’

Dat spreken we af, we gaan het niet over zijn leeftijd hebben, maar natuurlijk wel over wat hij heeft bereikt, over zijn niet-aflatende werklust en de niet te onderschatten invloed die hij heeft gehad op beeldcultuur en popmuziek. Toch?

„Eh... ja”, antwoordt hij, afgemeten.

Dat klinkt bescheiden en zet de toon voor het verdere interview. Tijdens ons Zoom-gesprek praat Corbijn steeds opvallend terughoudend en regelmatig probeert hij met ontnuchterende opmerkingen zichzelf – en de interviewer – te relativeren.

Waarom doe je dat eigenlijk?

„Tja, ik word er altijd een beetje ongemakkelijk van. Ik ben iemand die het geluk heeft gehad veel bijzondere mensen te ontmoeten. Natuurlijk zie ik de culturele waarde van wat ik heb gemaakt, ik heb een paar grote fototentoonstellingen gehad en ik weet dat er waardering voor me is. Dat is fantastisch, maar ik heb het niet zo gepland. Het is gewoon zo gegaan.”

Vanwaar deze bescheidenheid? Je bent een van de bekendste fotografen ter wereld en een gelauwerd filmregisseur.

„Ik ben een volwassen man, dus ik wil niet alles op mijn jeugd gooien, maar daarmee zal het te maken hebben. Ik was de oudste van ons gezin en toen mijn moeder mij kreeg was ze daar nog niet klaar voor. Echte moederliefde heb ik nooit gehad. Mijn vader was dominee in de Hoeksche Waard, in een religieuze gemeenschap die ik ervoer als zeer bekrompen. Strijen was een zwart gat. Als kind zocht ik krampachtig een uitvlucht, weg van het eiland. Dat werd muziek. Toen ik 11 was verhuisden we naar Hoogland, bij Amersfoort. Daar was een platenzaak. Een platenzaak! Ik bekeek alle hoezen, kende alle B-kanten, wist de namen van bandleden uit mijn hoofd. Muziek was mijn troost, mijn redding.”

Had het dan niet voor de hand gelegen zelf de muziek in te gaan?

„Natuurlijk h eb ik net als iedereen voor de spiegel staan oefenen met iets dat op een gitaar leek, maar het werd nooit serieus, want ik was heel verlegen en bang dat ik als muzikant niet goed genoeg zou zijn. Die verlegenheid is er altijd geweest.”

Hoe kwam je erbij te gaan fotograferen?

„Mijn vader was goed bevriend met de dorpsdokter, die totaal niet religieus was. Die man hield enorm van fotografie en kocht een camera voor mijn vader. Op mijn 17de fotografeerde ik daarmee in Groningen, waar we net naartoe waren verhuisd, een concert van de lokale band Solution. Een paar van mijn foto’s verschenen in het blad Muziek Parade . Daardoor begreep ik plotseling dat fotograferen een manier kon zijn om deel uit te maken van de muziekwereld. Met overgave heb ik mij toen op fotografie gestort. Het was een ontsnapping.”

Terug naar de popgroepen die je aan het begin van je carrière fotografeerde. Daar was je niet te verlegen voor?

„Vaak moest ik inderdaad iets overwinnen. Vroeger waren muzikanten heel benaderbaar. Er waren bands die ik in de kleedkamer mocht fotograferen, Focus van Thijs van Leer en Jan Akkerman bijvoorbeeld. Dan maakte ik één foto en dat was het. Bij de Golden Earring heb ik er twee gemaakt. Ik was doodnerveus, want dat was mijn favoriete popgroep. Ik had wel de drive om op zo’n kleedkamerdeur te kloppen maar als ik binnen was, sloeg de verlegenheid weer toe.”

Jij was de eerste die Herman Brood uitgebreid portretteerde. Dat waren meer dan een paar kiekjes.

„Muziekkrant OOR had een rubriek over onbekende bandjes. Daarin stond er eentje waarin Herman Brood piano speelde. Een tijdje later kwam ik hem toevallig tegen op het station in Groningen. Ik vertelde dat ik aan dat artikel had meegewerkt, waarop hij zei dat hij de fotograaf die ik toen bij me had echt geweldig vond. Ik riep: ‘Maar die fotograaf was ik!’ We zijn meer foto’s gaan maken en er ontstond iets tussen ons.”

Wat betekende dat?

„Bij Herman merkte ik dat het voor een fotograaf prettig is om iemand goed te leren kennen, bijna onderdeel van zijn familie te worden. Je hoeft jezelf dan niet steeds te introduceren en je komt terecht in situaties waar een ander niet snel wordt toegelaten. Er is geen persoonlijke spanning als je foto’s neemt, dat is heel plezierig. Dat heb ik later met veel artiesten gehad. U2, Tom Waits, Herbert Grönemeyer, Michael Stipe. Door veel met ze om te gaan, begreep ik hoe ze in elkaar zaten. Het werden vrienden. Dat werd mijn manier van werken.”

Dat sloeg ook in het buitenland aan. Je was jong toen je naar Engeland vertrok.

„Ik had het gevoel dat ik vastzat, al was ik nog maar 24. In 1975 ging ik voor het eerst voor OOR naar Londen, om Queen te fotograferen. Eenmaal in Engeland had ik het gevoel dat ik er betere foto’s maakte. Voor Engelse muzikanten is muziek vaak erop of eronder. Dat was een houding die dicht bij mij stond, want ik kon ook niks anders. Als ik zou falen met mijn fotografie wist ik niet waar ik terechtkon. Dat zal ook met mijn achtergrond te maken hebben: hel en verdoemenis waren altijd dichtbij.”

Bart Chabot, een van jouw beste vrienden, vertelde dat hij een rol speelde in jouw vertrek. Hij was een beginnende punkdichter en woonde in Den Haag bij een hospita wier dochter de geliefde was van Herman Brood.

„Ik ging vaak bij Bart langs om muziek te luisteren, onze grote liefde. In die periode wist ik niet wat ik wilde met mijn fotografie. Ik had al in Amerika en Engeland gewerkt, maar kon niet kiezen waar ik heen wilde. Het was 1979, Bart zette Unknown Pleasures van Joy Division op en ik wist: deze band wil ik fotograferen. Met mijn toenmalige vriendin ben ik daarop naar Londen verhuisd, wat nogal een beslissing was, want ik sprak slecht Engels. Tien dagen nadat ik in Engeland arriveerde, speelde Joy Division in The Rainbow Theatre. Backstage zei ik tegen de manager van de band dat ik een belangrijke fotograaf uit Nederland was. Een dag later mocht ik de jongens schieten bij een metrostation in de buurt van mijn gehuurde flatje.”

Dat werd een iconische foto, waarin we de bandleden als donkere schimmen op hun rug zien. Had je dat geweldige beeld van tevoren bedacht of ontstond dat?

„Ik wist dat er in dat station een trap naar beneden was met tl-buizen, maar verder dan dat ging mijn voorbereiding niet. Ik ben altijd bang voor perfectie, ik wil me niet te veel vastleggen. Er moet een element zijn dat de zaken in de war kan schoppen, dat maakt het spannend. Bij die shoot klopte intuïtief alles. Ik heb maar één rolletje geschoten. Ik gebruikte de band om hun muziek uit te beelden, dat was nieuw in die tijd. Op een paar foto’s keek zanger Ian Curtis naar me om. Toen ik mijn werk liet zien aan bladen, wilde niemand de foto’s hebben, omdat de muzikanten niet zichtbaar waren.”

Een half jaar later pleegde Ian Curtis zelfmoord, waarna jouw metrofoto alsnog de wereld over ging. Je was toen inmiddels hoofdfotograaf van het toonaangevende poptijdschrift ‘New Musical Express’ . Sindsdien heb je jarenlang ontzaggelijk veel mensen voor je lens gehad en het liefst zou ik je over allemaal afzonderlijk willen uithoren.

„Tja...”

Waarom die terughoudendheid als ik zit te vissen naar mooie anekdotes?

„Ik d enk dat mensen mij veel van zichzelf geven omdat ik geen bedreiging ben. Dat vertrouwen zal ik nooit beschamen.”

Laten we het dan over film hebben, dat werd een nieuwe carrière, hoewel je natuurlijk wel al veel videoclips en concerten regisseerde. 27 jaar nadat je Ian Curtis fotografeerde werd hij onderwerp van jouw eerste speelfilm, ‘Control’ .

„Mijn videoclips werden steeds filmischer. Verschillende mensen opperden dat ik films zou moeten maken, maar ik zag mezelf al helemaal in paniek raken aan het hoofd van zo’n team. Na een tijdje kwam iemand met een script over Ian Curtis, toen dacht ik: nou ja, dan moet dit hem maar worden. Ik vind het te gek dat ik dat heb gedaan. Het heeft een wereld voor mij geopend.”

Dankzij ‘Control’ en de lof die die film kreeg werd je gevraagd om publieksfilms als ‘The American’ met George Clooney en ‘A Most Wanted Man’ met Phillip Seymour Hoffman te regisseren.

The American was voor mij een geweldige, maar ook moeilijke film om te maken. George Clooney is een enorm leuke man, die erg goed is in ‘George Clooney’ zijn. In mijn film kon hij dat niet zo, en daar had hij moeite mee. Een tijdje hadden we geen goede band, nu weer wel. Voor mij was het een goede vuurdoop hoe te werken in dienst van een grote studio.”

Jouw film met Seymour Hoffman in de hoofdrol bleek zijn laatste te zijn.

„Dat was wezenloos. Ik had een goede band met hem, hij was de beste acteur met wie ik ooit heb gewerkt en ik was dankbaar dat hij de uitdaging met mij te filmen was aangegaan. We waren net samen op het Sundance Film Festival geweest om de film te promoten, en precies twee weken later was hij er niet meer. Dat had ik echt niet zien aankomen.”

Je bent ook grafisch vormgever, van platenhoezen en de romans van Bart Chabot en zijn zoons, bijvoorbeeld. En je hebt het graf van je vader ontworpen.

„Hij overleed in 2007, net voor Control uitkwam. Ik ben beslist niet de persoon geworden die hij graag had gezien, maar natuurlijk ben ik nooit helemaal vrij geweest van zijn invloed en levenshouding. Ik ontwierp voor hem een grote eenvoudige C, een letter die zowel slaat op Corbijn als op christen. Het mooie aan zo’n rechthoekige C vind ik dat er één kant openstaat, een ingang waarmee je mensen binnen kunt halen. Open, maar binnen een kader.”

Dat klinkt mooi. Kunnen we die symboliek ook niet op jou en jouw werk betrekken?

Corbijn denkt even na en schudt dan spott end zijn hoofd. „Nee, ik ben vierkant en gesloten.”

menu