Mevrouw Strijk uit Groningen krijgt erepenning van de gemeente, omdat ze in de oorlog onderduikers verborg.

Ze verborg samen met haar dochters Joden in hun woning aan de Friesestraatweg: 'Een heldin? Wat had ik anders moeten doen?'

Mevrouw Strijk uit Groningen krijgt erepenning van de gemeente, omdat ze in de oorlog onderduikers verborg. Foto Picasa

Akke Braunius en haar dochters Teddy en Feya verborgen vanaf 1942 Joden in hun woning aan de Friesestraatweg in Groningen. ,,Na de bevrijding noemde iemand mijn moeder een heldin’’, vertelt Feya Strijk-Braunius. ,,Ze haalde haar schouders op en zei: ‘Wat had ik anders moeten doen?’’

Feya Strijk-Braunius (97) ontving dit jaar de erepenning van de gemeente Groningen voor de hulp aan onderduikers tijdens de oorlog. Zonder deze hulp was de kans aanzienlijk dat deze mensen – vrouwen en kinderen – in de vernietigingskampen waren vermoord. Het is een eerbetoon dat ze op prijs stelt, zeker. Maar het is ook een gebaar waar ze ook enigszins met verbazing kennis van neemt. Want om met de woorden van haar moeder te spreken: ,,Dat deed je gewoon.’’

loading

Dat deed je gewoon. Maar veel mensen deden het niet. Bang – en niet onterecht – voor de risico’s: gevangenisstraf, transport naar een kamp, executie. Dus wat waren de beweegredenen van haar moeder: compassie? Woede? Het antwoord blijft onveranderd: dat deed je. ,,Mijn moeder deed wat ze dacht wat ze moest doen. Dat heeft ze altijd zo gedaan.’’

De inval was een schok

Feya Braunius is 18 jaar als de oorlog uitbreekt en zit dan in het laatste jaar van de kweekschool. Ze groeide op zonder vader. ,,Mijn vader was hoofd van de school in Driesum. Hij overleed toen ik 4 was, waarschijnlijk als gevolg van de Spaanse Griep. Tot mijn grote spijt heb ik geen herinneringen aan hem. Mijn moeder voedde ons in haar eentje op. We verhuisden naar Rotterdam, maar we konden daar niet echt aarden en in 1930 verhuisden we naar Groningen. Ik weet eigenlijk niet waarom mijn moeder besloot naar Groningen te komen.’’

Het gezin leeft van het pensioen van haar vader. Haar oudere zus volgt een opleiding tot verpleegkundige en werkt tijdens de oorlog in het Academisch Ziekenhuis.

Op 10 mei valt Duitsland Nederland binnen. De inval verrast het gezin volkomen. ,,Natuurlijk wisten we wel wat er in de wereld gebeurde, maar nee, dit konden we in de verste verte niet vermoeden. We hadden de stille hoop dat de Duitsers nog verdreven konden worden, maar we maakten gewoon geen schijn van kans en na vijf dagen capituleerde de regering. Het was een schok, een ontzettende slag en het besef dat we bezet waren drong heel langzaam tot ons door. Maar toen zag ik hoe de Duitsers door de straten marcheerden en Wir fahren gegen Engeland zongen. Het was echt vreselijk, vreselijk.’’

Ze haalt haar diploma en werkt tijdens de beginjaren van de oorlog als invalkracht op gereformeerde basisscholen in Thesinge, Enumatil en Warffum. ,,Er was altijd werk hoor. Veel mannen gingen onderduiken. In Warffum kreeg ik uiteindelijk een vaste baan. In de weekenden was ik thuis.’’

Een vreemde man

In 1942 beginnen de razzia’s, worden Joden opgepakt en gedeporteerd. En het is in hetzelfde jaar dat in het huis aan de Friesestraatweg een vreemde man komt wonen: Joël Denneboom. ,,Mijn moeder had via, via contact met Joodse mensen en het was dus blijkbaar bekend dat zij bereid was Joden te verbergen. Nee, dat is niet iets wat uitgebreid met ons is besproken. Zoals gezegd, mijn moeder twijfelde niet wat ze doen moest.’’

Joël Denneboom is 41 jaar. Zijn vrouw Hester (36) en zoontje Harry Sam (9) zijn op een ander onderduikadres. ,,Hij is niet lang bij ons gebleven. Hij kon er niet tegen om van zijn vrouw en kind gescheiden te zijn. Hij is uiteindelijk vertrokken en naar ze toe gegaan.’’ De familie Denneboom werd in Auschwitz vermoord.

Het echtpaar Magnus en hun tienerdochter Sary betrekken de bovenverdieping aan de Friesestraatweg 63b. Het echtpaar bezit een kledingzaak. Ook verzetsstrijders die tijdelijk onderdak nodig hebben, blijven af en toe slapen.

Het gezin Magnus blijft ongeveer een jaar. ,,Mijn moeder ging een weekeinde naar familie in Rotterdam en de familie Magnus bezocht op dat moment – in het grootste geheim – een andere dochter die met haar man elders was ondergedoken. En toen brak de april-mei staking uit.’’

De april-mei staking is in 1943. Aanleiding is de beslissing van de Duitsers dat Nederlandse oud-militairen alsnog krijgsgevangenen worden en naar Duitsland worden gebracht om dwangarbeid te verrichten. Het gevolg is dat overal in het land proteststakingen plaatsvinden. De Duitsers gebruiken grof geweld om de staking te onderdrukken. Bij Trimunt worden zestien personen geëxecuteerd.

,,Ze konden met geen mogelijkheid ’s avonds de straat nog op. De familie is tot het einde van de oorlog op dat andere adres gebleven.’’

Ze hoopte dat ze Bram terug zou zien

Maar de bovenverdieping blijft niet lang onbewoond. Mevrouw van der Hal, een gepensioneerde lerares en mevrouw Menco met haar tienerzoon Manuel worden naar de Friesestraatweg gebracht. ,,Mevrouw Van der Hals zoon, Bram, werd betrapt toen hij met vrienden naar Engeland wilde vluchten. Het is niet goed met hem afgelopen. Ze hoorde het pas na de oorlog, al die tijd hoopte ze dat ze hem ooit nog zou terugzien.’’

loading

Haar moeder heeft vooral met mevrouw Menco een goede band. ,,Die bleef ook na de oorlog in stand. Onze families zijn nog steeds met elkaar verweven.’’ Het was kleindochter Bertien Menco die bij de gemeente Groningen het verzoek indient mevrouw Strijk een erepenning te geven.

Een hele belasting

De zorg voor onderduikers vergt veel van het gezin. ,,Het moet voor mijn moeder een hele belasting zijn geweest. Alleen het regelen van de praktische zaken, zoals voldoende eten en brandstof was al een hele onderneming. Alles was op de bon. Nu kregen we wel bonnen van het verzet, maar we konden bijvoorbeeld niet bij de kruidenier om de hoek al onze inkopen doen. Dat zou opvallen, dus deden we onze boodschappen ook bij andere kruideniers in de stad. Daar fietsen we dan op houten banden naartoe. Luchtbanden waren niet meer te krijgen. Eigenlijk was er niks meer te krijgen. De winkels waren leeg.”

„Ik ben eens met mijn zuster naar Dorkwerd gelopen om melk te halen. Fietsen hadden we niet meer. We kregen een emmertje melk mee. Mijn moeder had zo met ons te doen dat ze erop stond dat we het zelf opdronken. Ook brandstof werd een probleem. We kregen een houtkacheltje, zo’n allesbrander. Ik zie nog voor me hoe mijn moeder een keukenstoel in mootjes hakte. Ik kan er nu gelukkig een beetje om lachen. Ik had haar nog nooit met een bijl in de handen gezien. Maar zo hadden we het weer een paar avonden lekker warm.’’

Sliert soldaten met platte helmen

Op vrijdag 13 april vallen de Canadezen Groningen aan. ,,Ik was thuis. De school in Warffum was dicht, omdat deze door de Duitsers in beslag genomen. Ja, en toen kwamen de Canadezen. We zagen ze lopen, zo’n hele sliert soldaten met van die platte helmen. Geweldig! Ik ben twee keer in mijn leven uitzinnig van vreugde geweest: bij de bevrijding en jaren later bij de geboorte van Beatrix.

We waren aan de Friesestraatweg betrekkelijk veilig voor de gevechten. Toch werd het eventjes nog heel spannend. Duitse soldaten liepen in de brandgang en aan de voorkant van de huizen waren de Canadezen. Ze begonnen op elkaar te schieten, dwars door de huizen heen. Gelukkig was ons huis als door een wonder niet beschadigd. Wij woonden dan ook in een bovenwoning. Maar toch, even wisten we wat oorlog was. Manuel was onder de tafel gekropen.’’

Ze gaat de straat op. ,,De hele stad was dol van vreugde. We konden het haast niet geloven. Bij de Westersingel dansten mensen in een grote kring. Iemand pakte mijn hand en ik danste mee. Ik kende die mensen helemaal niet, maar dit gebeurde toen. Uitzinnig van vreugde waren we. Er was ook een grote saamhorigheid. Daar herken ik iets in als je kijkt naar de coronatijd waarin we nu leven. Je voelde je verbonden met elkaar. We leenden elkaar ook spullen om bij het herstel te helpen.’’

loading

De stille werkers

De bevrijding is voorbij, moeder en dochters leven hun leven. Over de oorlog wordt thuis niet vaak gesproken. Ze zoeken geen publiciteit, vragen geen erkenning. ,,Zo waren er zoveel. Een heleboel mensen die zoveel goeds hebben gedaan zijn in de anonimiteit verdwenen. Zij waren de stille werkers en nu vind ik dat het toch tijd is dat we ook eens bij hen stilstaan: de stille werkers.’’

Bij deze.

menu