Rechtbankverslaggever Rob Zijlstra.

Zittingszaal 14: Verzonnen sukkels

Rechtbankverslaggever Rob Zijlstra. Foto: Marcel Jurian de Jong

Wat een ellende. Dat was de eerste zin van een rechtbankverhaal dat ik schreef in 2005. De verdachte was een vrouw die zich in de nesten had gewerkt. Zij was moeder van drie kinderen, haar man was ervandoor, haar lieve moeder onverwacht ernstig ziek.

En dan was er die bullebak van een officier van justitie. Die liet in de rechtszaal met venijn weten dat het hem bijzonder speet dat hij haar niet nog harder kon pakken dan hij al deed: twee jaar gevangenisstraf en het betalen van een schadevergoeding die zo hoog was dat ze die redelijkerwijs nooit van haar leven zou kunnen betalen.

Zij werkte onderaan op de ladder voor een groot concern en had een conflict met haar leidinggevende. Radeloos schreef ze een domme dreigbrief en verstuurde die zonder na te denken naar het hoofdkantoor. Verder was er niets gebeurd. Volgens gedragsdeskundigen was het vooral een roep om hulp. Het advies: help haar.

De rechters wogen de snoeiharde eis van de bullebak van justitie af tegen de menselijke factor van dit drama en legden vervolgens geen gevangenisstraf, maar een te behappen taakstraf op.

Een jaar na de strafzaak belde ze. Ze had haar verdiende loon gekregen, haar straf volbracht, maar als ze haar voornaam intikte in Google, kwam daar als eerste dat rotverhaal van mij te staan. En ze moest samen met de kinderen verder met haar leven. Dus of ik het verslag alsjeblieft wilde verwijderen? Dat was de vraag.

Ze wilde worden vergeten.

In deze zaak had ik anders dan anders haar echte voornaam gebruikt. Waarom weet ik niet meer, misschien wel omdat het zo’n mooie naam was, eentje die zo lekker schreef.

Ik zei dat ik haar vraag begreep, maar dat ik het verhaal niet ging verwijderen. Daar zijn verhalen niet voor, zoals je geen boeken in het vuur gooit. Wel wilde ik haar naam veranderen in een veelvoorkomende alledaagse. Dat vond ze tof. We verzonnen er samen een.

Google voldeed aan de verwachting en vergat langzaam maar zeker de echte naam.

Als rechtbankverslaggever weet ik dondersgoed dat de mensen over wie ik schrijf – en over wie u leest – niet zitten te wachten op mijn epistels. Verdachte zijn is al geen feest, veroordeeld worden is als een begrafenis en dan komt het ook nog eens in de krant en voor altijd op het internet.

Ik heb veel mannen gezien die kinderen verkrachtten en seksueel misbruikten, ontelbare dieven en rovers zag ik in de verdachtenbank zitten. Moordenaars. Er waren gemene oplichters en stoere mannen die vrouwen sloegen of die dronken van de drank hun slachtoffers lachend tegen het hoofd schopten.

Ze wonen bij u in de straat en anders wel net om het hoekje.


Zo nu en dan kom ik de mannen tegen over wie ik lelijk heb geschreven. Soms valt dat mee. Ik had geschreven over, zeg maar, Piet die tijdens voetbalrellen stenen en flessen naar politiemensen had gegooid, als ware hij een strijder in bezette gebieden. In de rechtszaal moest hij heel erg huilen en had hij spijt van zijn onbezonnen heldendaad op straat. Ik noemde hem een sukkel op sokken.

Een half jaar later kwamen we elkaar tegen in de stad, ik op mijn hoede. Ik was toch die vent die dat artikel had geschreven toen hij – de sukkel – vanwege die vechterij voor de rechter moest komen? Nou hij was dus die 21-jarige P. Hij had het artikel uitgeknipt en boven zijn bed geplakt. Mooi man. Nee, gekke dingen deed hij niet meer, de gekke tijd die was voorbij. Nu goed bezig.

Zoals Piet zijn ze niet allemaal. Ik weet het nog van Hannes die in Groningen internationale betrekkingen studeerde, maar de computers van de universiteit gebruikte voor zijn woeste behoefte kinderporno te verzamelen. Na zijn studie wilde hij op een ambassade werken of iets gaan doen in de landelijke liberale politiek.

Dat hij terechtstond wegens kinderporno vond hij zwaar overdreven, want zoiets is toch geen misdaad? De rechters moesten blij zijn dat hij de moeite had genomen naar hun rechtbankje te komen. En die kinderen dan? Nou die kregen er vast geld voor, anders lieten ze zich toch niet misbruiken? ’t Was vraag en aanbod.

Hannes dacht dat echt. Buiten de rechtszaal verbood hij mij over zijn zaak te publiceren, want dat recht meende hij te hebben. Ik besloot dat ik zijn echte naam nooit zal vergeten, maar me hem zal herinneren op de dag dat hij het politieke podium betreedt.

Leon pakte het anders aan. Hij zat als tbs’er in de Van Mesdagkliniek nadat hij daarvoor een jaar of acht in de gevangenis had doorgebracht. Leon had de vrouw vermoord met wie hij was getrouwd. Vreselijk vond hij, maar hij moest verder met het leven. En daarom had hij een kort geding aangespannen tegen de Federatie Nabestaanden Geweldslachtoffers.

Op de website van de federatie stond een verhaal over Leon. Dat verhaal ging over zijn verzoek aan Google om zijn naam uit de zoekmachine te verwijderen. Dat zijn naam gekoppeld bleef aan de moord die hij pleegde vond hij ongeoorloofd en niet proportioneel. Het diende ook geen doel, vond hij.

De federatie van slachtoffers had een andere mening. Nabestaanden moeten het recht behouden om zich de namen van de moordenaars van hun dierbaren te kunnen blijven herinneren. Tegenover het recht om vergeten te worden moet het recht staan om te weten. De advocaat bracht namens de nabestaanden in dat de samenleving het recht heeft te weten wat voor vlees zij in de kuip heeft.

De rechter knikte, Leon verloor de zaak.

Aan dit alles moest ik deze week denken. In NRC Handelsblad stond een artikel over een arrest van het Europees Hof. Een Spaanse psycholoog werd verdacht van seksueel misbruik van patiënten, wat hem een strafeis opleverde van 27 jaar gevang. Hij werd in de Spaanse kranten met naam en toenaam genoemd. Na een proces van jaren werd deze Miguel vrijgesproken. Google bleef echter de berichten presenteren over de verdenkingen, terwijl de man van blaam was gezuiverd.

De rechter besloot dat Google dat mag blijven doen. Het recht te weten weegt zwaarder dan de vergetelheid. Maar… Google moet de verwijzing naar de vrijspraak wel bovenaan in de zoekresultaten presenteren.

Het recht om te weten en het recht om te worden vergeten hoeven elkaar niet in de weg te zitten. Het is daarom: wat ik schrijf is altijd waar, maar de namen van verdachten zal ik blijven verzinnen.

menu