Alet de Groot.

Zuster de Groot beschermde baby's en peuters tegen kogels en granaten tijdens de bevrijding van Groningen. Wie was erbij?

Alet de Groot. Bron: Ietje de Groot.

Wanhopige ouders uit Amsterdam stuurden medio april 1945 hun kinderen naar het ‘veilige’ Groningen waar nog voldoende te eten was. Maar de negentig baby’s en jonge kinderen kwamen in een slagveld terecht. Verpleegkundige Alet de Groot (1916-2003) zorgde vier dagen voor de evacués. Amateurhistoricus Sipke de Wind uit Leek ontdekte haar dagboek.

De oud-politieman stuitte vijf jaar geleden bij toeval op het dagboek tijdens zijn onderzoek naar de Duitse verdediging van de stad Groningen in de aprildagen van 1945. ,,Ik begon erin te lezen en ik merkte al snel dat dit een vrouw met een scherpe waarneming moet zijn geweest. Ze heeft alles heel precies omschreven.’’

De Wind maakte met hulp van het dagboek en andere bronnen een reconstructie van de vier dagen vol gevechten. ,,Het schip met de ondervoede kinderen vertrok op 12 april vanuit Amsterdam en kwam rond één uur in Lemmer aan”, vertelt hij.

,,Ze werden uit het donkere ruim gehaald en met twee autobussen en een vrachtwagen naar Groningen gebracht. Ze kwamen vrijdagochtend om half zeven uur aan. Hun ouders hadden geen idee dat die dag de bevrijding van Groningen begon.’’

‘Alleen hun ogen waren soms wat wijzer’

Verpleegkundige Alet de Groot en haar collega’s vangen de kinderen op in het Concerthuis aan de Poelestraat. ‘Onderkruipsels met stokjes van armen en beentjes. Alleen hun oogjes waren soms wat wijzer’, schrijft ze.

De kinderen zijn in de leeftijd van zes weken tot twee jaar oud, allemaal onderontwikkeld. Sommige kinderen van anderhalf jaar kunnen niet rechtop zitten. Slechts een enkel kind van twee jaar lukt het om te lopen.

Een baby van acht maanden weegt slechts acht pond en De Groot houdt een kind van negen maanden in haar armen dat eruitziet alsof het een half jaar jonger is.

In de bovenzaal van het Concerthuis staan de bedden en wiegjes klaar voor de hongerevacués uit het Westen. De zusters zijn knetterdruk met verzorging en voeding. Alet fietst daarna snel naar huis om even wat te slapen. Landwachters houden haar aan, doen een korte controle en dan mag ze weer verder.

Thuis waarschuwt ze haar broer - die de verzetskrant Het Parool in de stad verspreidt - voor de controles en dan ploft ze op bed. Ze gunt zichzelf een paar uurtjes slaap. Rond 18 uur rijden Duitse auto’s door de stad en roepen ze dat iedereen binnen moet blijven. De Canadezen komen.

Alet laat haar avondeten staan, springt op de fiets en rijdt snel naar het Concerthuis. Die nacht blijft het rustig, in de verte hoort ze het gegier van granaten. De meeste zusters blijven op hun post, niemand gaat naar huis.

Gevechten in het centrum

Zaterdag 14 april trekt een lange stoet NSB’ers met kinderen en karren vol bagage langs de Bedumerweg de stad uit. De gevechten bereiken nu ook het centrum van de stad. Terwijl de westkant van de Grote Markt door het vuur wordt verteerd, vecht Alet met warme kruikjes om de temperatuur van de zwakste kinderen op peil te houden.

Toch is ze dankbaar; er is water, gas en elektriciteit. Alet vindt even tijd om naar de zolder te gaan en over de stad uit te kijken. Het lijkt alsof de hele stad in brand staat. Ze hoort het vuren van mitrailleurs en de ontploffingen van granaten.

Maar er zijn dringender zaken. De elektriciteit is uitgevallen. Ze belt met een vriendin die in het Diaconessenhuis aan de Emmasingel werkt. In de kelder zitten Duitsers verschanst, waaronder jochies van 15 jaar die het vuur op de Canadezen openen.

loading

Alet schrijft in de nacht van zaterdag op zondag bij het groene licht van de noodverlichting in haar dagboek. De kinderen slapen eindelijk, maar moeten ze vanwege de veiligheid eigenlijk niet naar beneden worden gebracht? Nadat enkele ramen sneuvelen, valt het besluit snel: de kinderen verhuizen naar beneden.

De vloer krioelt van huilende baby’s die van de matrassen kruipen en nodig verschoond en gevoed moeten worden. Tussen de evacués ligt ook Aggie, een Gronings meisje dat zaterdag door een Duits voertuig is aangereden. Ze heeft een zware hersenschudding en vindt het lawaai niet te harden.

Verwisselen van luiers gebeurde op straat

Rond zeven uur ’s ochtends houdt het schieten even op, maar dit duurt niet lang. Het verwisselen van de luiers dat eerst nog op straat gebeurde, vindt nu binnen plaats. Door de ondervoeding en de stress verslechtert de gezondheid van een aantal kinderen in een rap tempo. De zusters gooien de vermoeidheid van zich af en werken stug door.

Op maandagochtend 16 april om vier uur in de ochtend krabbelt ze in haar dagboek: ‘We zijn vrij, maar wat een prijs! Een kindje was ’s nachts doodgegaan, waarbij een eerwaarde zuster had zitten waken, maar het was niet meer te redden. Ik zelf lag een half uurtje te slapen bij Aggie op haar bed. ’s Nachts was een van de collega’s pannekoeken gaan bakken.’

Dezelfde nacht hadden ze ook een vluchtroute gezocht, want kogels en granaatscherven vlogen dwars door de zaal via de kapotgeschoten ramen. Aan de voorkant in de Poelestraat schieten tanks op de terugtrekkende Duitsers. Het vuur springt van gebouw naar gebouw en de verpleegkundigen vrezen voor het Concerthuis.

Maar het is te gevaarlijk, iedereen blijft binnen. Een kind wordt plotseling doodziek en moet naar het ziekenhuis. Een verpleegkundige waagt het erop, met het kind in de armen stormt ze naar buiten. Overal klinkt het gebulder van de oorlog en ze sprint weer terug.

Dronken Canadezen voor de deur

De gevechten duren voort. Alet schrijft: ‘Toen werd op de voordeur gebonsd en stond die troep Canadezen voor onze deur. Eerst werd met gesloten deur geprobeerd contact te leggen. Niemand op straat reageerde en de deur werd geopend.’

‘Twee Canadezen die midden op de straat stonden. Een derde was dronken en hield constant zijn armen omhoog. Ze reageerden niet op het openen van de deur. Dus de deur weer dichtgedaan.’

Uitgeput schrijft ze: ‘Het stuur over veel kwijt, zie dingen die er niet zijn, onder gesprek soms even dingen niet horen, mis een gedeelte ervan.’ Ze mijmert over het moment van de bevrijding. ‘Geen fietsenvorderingen meer, geen bel meer aan je deur, geen razzia’s op straat, geen stelen, geen mishandelen door slaan, moorden in je stad. Het is te gek om te geloven. Stel je voor dat iedereen eerlijk wordt behandeld, geen willekeur, alleen mensen en geen beesten of vee.’

Soldaten banjeren tussen krijsende baby’s door

Het wordt een chaos in het Concerthuis. Stadjers, gevlucht voor het vuur, en Canadese soldaten banjeren tussen de krijsende baby’s door. ‘Het waren ruwe maar aardige kerels, nonchalant in het vechten als ware het een sport! Een van de zusters liet de zojuist van honger gestorven baby aan de soldaten zien. Ze lag in een leeg melkpoederkistje. Nog even werd met elkaar gepraat, ze trakteerden op sigaretten.’ Later komen er ook nog Duitse krijgsgevangenen bij die worden gefouilleerd.

Het dringt tot de verpleegkundigen door: ze zijn bevrijd. ‘Er gloorde licht in de duisternis: Zelfs het electrisch licht had even gebrand’, schrijft Alet.

Alet de Groot leeft niet meer. Maar haar nichtje Ietje de Groot had een hechte band met haar tante. ,,Over de gebeurtenissen in het Concerthuis praatte ze volgens mij niet. Voor haar was het meest ingrijpende de dood van haar broer Kees de Groot. Die werkte in Amsterdam voor Het Parool en werd twee maanden voor de bevrijding gefusilleerd.’’

Ze denkt met warmte terug aan haar tante. ,,Ze was heel breed geïnteresseerd, in spirituele en filosofische kwesties. Het was een hartelijke vrouw, maar ze kon tijdens discussies ook vrij fel uit de hoek komen.’‘

,,Ze reisde graag. Alet was heel avontuurlijk aangelegd. Tijdens de politionele acties werkte ze voor het Rode Kruis in Indonesië. Ze was ook op Nieuw-Guinea en werkte later in de sloppenwijken van Chicago. Nee, ze was bepaald niet bang uitgevallen.’’

,,Na Indonesië en Chicago werd ze wijkverpleegkundige en ze is nog directrice van een opleidingsinstituut in Doorn geweest.’’

Sipke de Wind gebruikt de herinneringen van de verpleegkundige voor een nieuw boek over Groningen en de Tweede Wereldoorlog. ,,Ik hoop dat er nog kinderen en getuigen die in het Concerthuis waren in leven zijn. Ik wil graag met ze in contact komen.’’

menu