Jutter Thijs de Boer verzamelt 'schatten' op strand van Schiermonnikoog: 'Misschien vind ik eens als eerste een aangespoelde potvis'

In zijn museum toont strandjutter Thijs de Boer de bijzondere dingen die hij heeft gevonden op het strand. FOTO MARTINE VAN DER LINDEN

Strandjutter Thijs de Boer stapt wekelijks, bij het krieken van de dag, op zijn fiets. Hij gaat via de Badweg het strand op en fietst tot het meest oostelijke puntje van Schiermonnikoog. Op zoek naar bijzonderheden die de zee heeft gebracht. ,,Misschien vind ik eens als eerste een aangespoelde potvis.”

Als kind vond Thijs strandjutten al spannend. Het kwam voor een belangrijk deel door de vitrine vol schelpen bij de voormalige schoenmaker, waar nu snackbar De Halte is gevestigd. Hij vond ze fascinerend en raakte geïnspireerd. Was er een storm geweest, dan ging hij met wat vriendjes het strand op. ,,Tijdens een storm spoelen de meeste dingen aan.” Een van zijn eerste vondsten die écht indruk maakte, was een wenteltrapje. Een spitse schelp met ribbeltjes erop. ,,Die vond ik zo mooi!”

Getraind oog

Om zijn vondsten te bewaren, timmerde zijn vader een kistje boven Thijs zijn bed. Inmiddels heeft hij een bijgebouw bij huis gevuld met vitrines waarin duizenden schelpen en andere dingen pronken. Jaarlijks ontvangt hij vele mensen in zijn schelpenmuseum Paal 14. ,,Dit jaar vanwege corona wat minder, maar vorig jaar ruim zesduizend.”

De vitrinekasten liggen vol. De laden van de kasten ook. Daarin zitten vooral schelpen die nog gedetermineerd moeten worden. ,,Wat dat betreft hoef ik niet meer te jutten.” Maar hij doet nu eenmaal niets liever. Een kistje achterop zijn fiets, een stuk touw bij de hand voor de grotere vondsten, zoals delen van een oud houten schip, en dan al fietsend het strand afspeuren. Zijn oog is getraind om al rijdend de interessantste dingen te vinden.

Zeldzame afwijking

In zijn museum toont hij honderden soorten schelpen die allemaal door hem, zijn vrouw en twee zoons zijn gevonden. ,,En de hoeveelheid soorten die ik heb, is slechts een anderhalf procent van het aantal soorten schelpen die er zijn.” Een deel van zijn vondsten komt van andere continenten: tijdens een vakantie wordt steevast gejut. Maar er staan ook enkele kasten met dingen die hij op Schiermonnikoog heeft gevonden.

Zoals een wulk waarvan de ingang links zit, terwijl die normaal gesproken rechts zit. ,,Dat is een zeldzame afwijking. Toen ik in 1969 met een vriend ging jutten, vond hij zo’n schelp. Ik wilde er ook een vinden, maar dat lukte me pas na veertig jaar. Inmiddels heb ik nog twee van die schelpen. Ik ben nu denk ik de enige in Nederland met drie wulken die deze afwijking hebben.”

Teenkootje van mammoet

Zijn museum bevat meer zeldzame vondsten. Een bot van een rendier dat 20.000 jaar geleden leefde op de plek waar nu de Nederlandse wadden zijn, bijvoorbeeld. En een rugwervel van een reuzenhert uit het Pleistoceen. Zelfs een teenkootje van een mammoet. Twee weken geleden vond hij een blauwkeeltje, een vis. ,,Héél zeldzaam. Binnenkort is hij in mijn museum te zien.”

Ook schedels pronken in de vitrines. Als hij een dood dier vindt, zoals een zeehond of lepelaar, snijdt hij de kop eraf om ze uit te koken, een tijdlang te laten weken in een bad met soda en vervolgens te laten drogen. Sommige dieren stinken al enorm als hij ze vindt op het strand. ,,Maar daar moet je dan maar even doorheen.”

Tot zijn collectie behoort ook flessenpost. Hij heeft een map vol brieven. De meesten zijn verzonden vanaf Ameland en Borkum. ,,De eerste brief die ik vond, komt uit 1971. Volgens de coördinaten die erop zijn geschreven, is die verstuurd op de Atlantische Oceaan. Daarna heb ik nooit meer een brief gevonden die van zo ver kwam.”

Stikjaloers

Hij krijgt geen genoeg van strandjutten, zoveel is helder. ,,Het is leuk om te doen, maar het is nog leuker om anderen enthousiast te maken.” Vandaar het museum. En vandaar ook de jutterstochten die hij organiseert. ,,Veel mensen die meedoen, gaan ook na die tocht nog jutten. Soms tonen ze mij hun vondsten. Eén keer kwamen twee jochies aanzetten met een groot zwart bot. Bleek het het bekken van een wolharige neushoorn te zijn. Ik was stikjaloers!”

Wat hij zelf ooit nog hoopt te vinden, is een enorm stuk barnsteen. Groter dan de barnstenen die hij al heeft. En ook groter dan de barnsteen van zeven kilo, waarvan hij een foto heeft. ,,En misschien kom ik ooit nog eens als eerste bij een aangespoelde potvis. Je weet het maar nooit. Elke keer dat ik ga jutten is het spannend: wat ligt er vandaag op het strand? Dat maakt dat dit na al die jaren nog steeds leuk is.”

menu