Opinie: 'EU-bezuiniging raakt onderzoek in Nederland’

Onder toeziend oog van premier Mark Rutte groet bondskanselier Angela Merkel de Italiaanse premier Giuseppe Conte tijdens de onderhandelingen over het EU-budget in Brussel, vorige maand. Foto: FRANCISCO SECO/AFP

Met bezuinigingen op de begroting komt de EU tegemoet aan Nederlandse eisen, maar ze raken juist terreinen die Nederland en zijn universiteiten ten goede komen, stelt universitair hoofddocent Alexandre Afonso.

De laatste onderhandelingen tussen de lidstaten over de EU-begroting voor de komende zeven jaar en het herstelplan voor de bestrijding van de coronacrisis zijn lang en bitter geweest. Aan de ene kant hebben de zogenoemde ‘zuinige vier’ (Oostenrijk, Zweden, Denemarken en Nederland) zich onder leiding van Mark Rutte sterk verzet tegen ambities voor een groot herstelplan en hebben zij juist geprobeerd hun eigen bijdrage aan de begroting te verlagen. Aan de andere kant wilden landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje een ambitieuzer programma ter bestrijding van de crisis, dat een grotere bijdrage van de rijkere lidstaten zou vragen.

Het compromis dat werd bereikt, komt tegemoet aan veel van de eisen van de zuinige vier. In de onderhandelingen is Nederland erin geslaagd zijn bijdrage te verminderen. Om dit te bereiken is op de totale EU-uitgaven bezuinigd. Een van de terreinen die zwaar geraakt zijn door deze bezuinigingen: onderzoek en innovatie. Terwijl het Europees parlement nog 120 miljard euro voor het grote Horizonprogramma had voorgesteld, kwam de Commissie in mei met slechts 94 miljard.

Uiteindelijk is in de onderhandelingen een onderzoek- en innovatiebudget van 81 miljard overeengekomen, een kwart minder dan oorspronkelijk voorgesteld en nauwelijks meer dan het vorige budget over 2014-2020.

Paradoxaal

Om een akkoord over de begroting te bereiken, accepteerden de armere landen in Zuid- en Oost-Europa geen bezuinigingen op de cohesiefondsen, en Frankrijk wilde zijn aandeel in de landbouwsubsidies behouden, zelfs als de totale landbouwuitgaven zouden worden verlaagd. Onderzoek en innovatie is daarom één van de grote slachtoffers van de bezuinigingen geworden die nodig waren om aan Nederlandse eisen tegemoet te komen. Paradoxaal genoeg is dit een van de beleidsterreinen waarvan Nederland het meest profiteert.

Gemiddeld genomen is de Nederlandse burger een nettobetaler aan de EU als men het bekijkt als een eenvoudige balans, zonder rekening te houden met de voordelen die toegang tot de interne markt biedt. Maar de netto-ontvangers en -betalers verschillen ook veel als je de uitgavenprogramma’s van de EU vergelijkt. Als landbouwsubsidies in de regel ten goede komen aan Frankrijk, komen de cohesiefondsen voor regionale ontwikkeling ten goede aan achtergestelde regio’s in Zuid- en Oost-Europa, zoals in Portugal, Polen of Hongarije.

EU-uitgaven voor onderzoek en innovatie komen echter ten goede aan rijkere landen als Nederland, omdat zij betere universiteiten en onderzoeksinstellingen hebben, die beter in staat zijn de competities voor subsidies te winnen.

In het laatste Horizon 2020-programma, dat liep van 2014 tot en met dit jaar, droeg Nederland 5,2 procent bij aan de inkomsten, maar ontving het 7,9 procent van de uitgaven. Voor elke euro die in het programma werd geïnvesteerd, ontving Nederland dus 1,51 euro. Dat is nog zonder rekening te houden met de gevolgen ervan die in de hele economie vloeien.

Rendement in beurzen

Dit hoge rendement is ook te zien aan het aantal beurzen dat Nederlandse onderzoekers in EU-competities hebben ontvangen. Tussen 2007 en 2019 hebben Nederlandse onderzoekers 439 ERC Starting Grants ontvangen. Dit zijn zeer competitieve beurzen van 1,5 miljoen euro die door de Europese Onderzoeksraad worden toegekend aan veelbelovende onderzoekers.

Ter vergelijking: Spanje en Italië hebben respectievelijk 250 en 245 subsidies ontvangen, terwijl hun bevolking twee en drie keer zo groot is. Met minder dan 4 procent van de EU-bevolking kreeg Nederland bijna 10 procent van alle Starting Grants voor jonge onderzoekers. In 2018 ontving Nederland 53 euro per inwoner uit hoofde van het Horizonprogramma, terwijl Italië 14 euro ontving.

Logischerwijs, als men het budget verlaagt op een gebied waar Nederland meer ontvangt dan het betaalt, raakt dit de Nederlandse belangen direct. Het betekent minder financiering op een gebied waar internationale samenwerking en het bundelen van middelen belangrijk zijn. Het weinige dat men aan de ene kant wint, zorgt ervoor dat er meer verloren gaat aan de andere kant.


Alexandre Afonso is universitair hoofddocent bij de afdeling bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.

menu