De collega komt het kantoor binnen en zegt dat hij wel kan zien waar ik weg kom. Als ik hem niet-begrijpend aankijk klinkt het: ,,Jij zet jouw auto zo dicht mogelijk bij de deur. Typisch een plattelander. Bij het boodschappen doen zet die de wagen ook het liefst  in de winkel.’’

Het klopt. Hoewel ik me daar niet bewust van ben. We hebben in het noorden behoorlijk de ruimte, maar willen alles wat dierbaar is dicht in de buurt. Als het even kan onderdak en in de stormankers.

Ik heb lang geleden, toen ze nog op crèche en lagere school zaten en er weer code rood op komst was, zoons ’s middags om één uur al opgehaald, voor zes dagen noodrantsoen gekocht, een dvd van Brandweerman Sam opgezet en ging thuis werken.

Het voelde veilig en gezellig. Mijn vrouw moest eind van de middag nog 250 kilometer terug door een ziedende zuidwesterstorm, maar ik dacht: ach, die redt zich wel.

Er bestaat dus zoiets als een volksaard en, of ik wil of niet, ik voldoe aan de meeste kenmerken van een plattelander, van iemand die is opgegroeid in een uithoek.

Het is ergens anders altijd beter en we lopen niet over van zelfvertrouwen. Complimenten kunnen we niks mee. Ik groet de mensen in het dorp, vind het prettig als ze teruggroeten, ben het liefst thuis en weet graag op maandag al wat ik de hele week doe.

Wat de plattelander ook kenmerkt is zelfspot en ik constateer met een glimlach dat de auto van de collega naast de mijne staat.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Meningen