Ik maak een kopje koffie en kijk naar de drie stenen potjes voor het raam van de keuken. Ze staan op een zelfgemaakte houten verbreding van het kozijn en zijn gevuld met aarde en zaadjes van Thaise basilicum, rode basilicum en peterselie.

In de kas, die ik van mijn vrouw eerst goed moest schoonmaken, staan potten en potjes met, uit mijn hoofd, sperzieboon, spinazie, klaproos, spitskool, koriander, tomaat, appel, rode peper, radijs, marjolein, wortel, pluksla, pompoen, dille en trosgierst en naast het paadje zijn knoflook, aardappelen en ui geplant.

Thuis en in de lokale supermarkt speur ik naar alles wat lijkt op zaadjes en sinds vorig voorjaar stop ik in de grond wat ik te pakken krijg, tot en met kruiderij als jeneverbes, venkelzaad en kardemom. Het is waar ik blij van word, al die aangeharkte vakjes en potjes met plastic erover gespannen.

Mijn tuin der verwachting, zoiets.

Ik denk niet dat we veel van de jeneverstruik en kardemom zullen eten, maar het idee dat er wat opkomt stemt al tot vreugde. Iedere dag check ik alle potjes en vakjes. Wat een soort ‘winst’ is van corona. Meer oog voor het leven in de tuin en het leven in het algemeen.

Maar de weg van keuken naar kas voert via terras en vlonder over het grasveld en als ik daar weer een goudvisje of vogel zie liggen, denk ik aan een quote uit de serie Game of T hrones , die ik voor de derde keer kijk: ‘Er is maar een God en dat is de dood.’

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns