We eten vis en patat aan de grote tafel, een collega en ik. Het kantoor is zo goed als leeg: met drie man zitten we in een ruimte ter grootte van een middelgroot café.

Het gesprek gaat, zoals wel vaker, over boeken en ik zeg dat ik begin aan The Heart Is a Lonely Hunter van Carson McCullers. De andere collega in de ruimte eet geen vis en schetst vanachter zijn bureau in enkele zinnen haar leven: ,,Ellendig bestaan. Ongelukkig in de liefde, zwakke gezondheid. Kanker, reuma. Tragische vrouw. Is maar vijftig geworden. Hersenbloeding. Met Faulkner echter toch wel dé stem van het broeierige zuiden van Amerika.’’

Er klinkt respect, zoals we dat in de regel hebben voor auteurs met een moeilijk leven. De collega zonder vis noemt Anita Brookner. Altijd alleen gebleven. Schreef aldus over eenzaamheid en isolatie. De collega met vis noemt haar bekendste titel: Hotel du Lac .

Waarna ik door de twee bijgepraat wordt over Siegfried Lens, Stefan Zweig, John Fanty en ik weer een paar titels toevoeg aan de al lange lijst ‘moet ik lezen’. Edith Wharton staat daar al op: ,, Ethan Frome , ja ’’, zegt de collega zonder vis, ,,prima boek voor december.’’

Collega met vis zegt dat ik bij Faulkner beter begin met Light in August en As I Lay Dying . Waarna de collega zonder vis het gesprek besluit met een anekdote over Charles Dickens. Die betaalde in de winter iemand om buiten onder zijn raam te lopen en ‘Brrr, brrr’ te roepen. Hij lag dan nog lekkerder on der de dikke warme dekens.

Je kunt deze onderwerpen volgen
Columns