Portret Herman Sandman

Column Herman Sandman: Hoge noorden

Portret Herman Sandman Foto: Marcel Jurian de Jong

Het heeft even geduurd, maar Groningen en Drenthe zijn dan toch ontdekt. Medelanders vieren massaal vakantie in de vroegere landen van suikerbiet, strokarton, turf, jenever en achterdocht, tegenwoordig van koolzaad, aardgas, windmolens, Hunebed Highway, radiotelescoop en Daniël Lohues.

Ik snap dat campings, cafés, hotels, restaurants, museumdorpen en borgen er blij mee zijn en ik gun ze het beleg op het brood, ik zit er niet op te wachten. In de tijden voor corona is er niemand die deze kant op kijkt, dus blijf nu ook maar weg. Het beeld van deze regio verandert er immers niet door, want in werkelijk elk artikel over de vakantievlucht naar ons noorden wordt het gebied aangeduid als het ‘hoge noorden’, alsof het over de poolcirkel gaat.

Het duidt, al ben ik uiteraard niet de eerste die er over valt, want het is al decennia een bron van ergernis, op een ontstellend beperkt inzicht en meer nog op de onwil om dat te veranderen.

De meeste Nederlanders rijden, zelfs met caravan achter de auto, binnen drie uur naar Groningen en Drenthe, terwijl de indruk wordt gewekt dat ze met de bek vol ijspegels in Meppel en Appingedam zijn beland, na een vier dagen durende tocht achter de hondenslede.

Groningen en Drenthe het ‘hoge noorden’ noemen blijft dom. Het is hetzelfde als ‘broodje panini’ zeggen of vragen om extra ‘salsasaus’ bij de tortillachips.

Wij noorderlingen hebben daarop maar één antwoord: ,, Hebben ie ook n puutje bie joe? ’’

menu